EssayHerinneringen

Op zoek naar opa, een Limburgse held, doodgeschoten in de oorlog

Beeld Gemma Pauwels

Op 2 mei 1943 schieten de nazi’s zeven stakers dood en begraven hen op de Hamertse heide. Onder hen: de grootvader van Jann Ruyters. Jaren later stuit ze op brieven en een macabere foto.

Lang heeft de geschiedenis van mijn grootvader begraven gelegen in een hutkoffer op zolder in het huis van mijn zus. Zoals zoveel oorlogsgeschiedenissen bij iemand op zolder liggen. Ik wist altijd wel dat de vader van mijn vader in de Tweede Wereldoorlog gefusilleerd was door de nazi’s. Als kind stelde ik me er een vuurpeloton en een eenzame geblinddoekte man bij voor die na een salvo kogels door zijn knieën zakte, het tafereel dat ik kende uit bandietenfilms. Mijn vader praatte niet veel over die tijd, zoals de meesten van zijn generatie weinig over de oorlog praatten. En de oorlog leek ook al heel lang geleden toen, het was prehistorie, het is pas met het ouder worden dat hij steeds dichterbij gekomen is.

Zo zat de oorlog in mijn jeugd vooral in de boeken die ik las (‘Reis door de nacht’ van Anne de Vries – zeker drie keer – ‘Oorlogswinter’, ‘Het Achterhuis’) en in de voelbare haatliefde verhouding die mijn vader had met alles wat Duits was. ’s Avonds zat hij aan de eettafel in de achterkamer te werken en op de achtergrond stond in de voorkamer altijd de Duitse tv aan met Derrick, of Tatort, of een Duits nagesynchroniseerde Hitchcock. Toen het Duitse voetbalelftal in 1974 het WK won merkte mijn vader op dat ‘die moffen’ de oorlog gelukkig wél verloren hadden. Ik herinner me dat ik dat een vreemde opmerking vond voor iemand wiens vader door de Duitsers was vermoord, maar dat zei ik niet hardop. Je kunt het je nu niet meer voorstellen, maar iedereen koppelde toen het voetbal aan de oorlog en sprak over een traumatisch verlies, alsof het verlies van een voetbalwedstrijd dezelfde impact had als het voortijdige verlies van een vader.

Monument op de hei

Terwijl het gesprek thuis zo aan de veilige oppervlakte bleef rukte de oorlog in de buitenwereld steeds verder op. Dat zorgde soms voor lastige confrontaties. Zo herinner ik me dat mijn vader een keer licht aangedaan thuis kwam met een pocketuitgave van een deel van ‘De Bezetting’ van Loe de Jong, waar hij in de boekhandel in had gebladerd. Tussen de archieffoto’s was er een plaatje van het affiche dat op de ochtend van 3 mei 1943 in Maastricht in de kerk had gehangen en waarop de dood van mijn grootvader bekend werd gemaakt.

Vroeg in de jaren tachtig ontving mijn opa het verzetsherdenkingskruisje, een oom, de broer van mijn vader, had zich daar hard voor gemaakt. Mijn vader kreeg het in bewaring als oudste zoon en liet het me zien, trots wel maar ook wat onthand met dit postume eerbetoon zoveel jaar na dato.

Weer later botste een andere oom, een broer van mijn overleden moeder, bij een wandeling op de hei bij Venlo tegen het monument op dat voor de daar ‘gevallen Limburgse helden’ was opgericht. Mijn opa’s naam stond erop, mijn tante vertelde erover, en mijn vader bleek van het bestaan te weten, maar als gezin hadden we die plek nooit bezocht.

Weggestuurd

Eén keer in een nachtelijk gesprek, toen ik al in de twintig was, heb ik mijn vader direct naar zijn oorlogservaringen durven vragen en vertelde hij er meer over. Hoe zijn vader samen met zes anderen doodgeschoten was op de Hamertse heide, omdat hij had geholpen mensen te ronselen voor de meistaking in Maastricht in 1943. Mijn grootvader werkte bij de douane als adjunct-hoofdcontroleur. Zijn chef was actief in het verzet, hielp piloten en onderduikers. Hij had net als mijn grootvader een verleden in Nederlands-Indië. Dat schiep een band.

Daar komt bij: mijn vaders vader was een vroom katholiek die twee keer per dag naar de kerk ging, zo vertelde een tante. De oproep tot verzet van de Nederlandse bisschoppen zal hem vast hebben geïnspireerd.

Dat de Duitsers zo hard op de meistaking zouden reageren had in 1943 nog niemand zien aankomen. Onze opa had pech, zegt mijn broer. Het was een keerpunt in de oorlog, las ik later in historische studies, daarna groeide het verzet. Na een schijnproces werden mijn grootvader, de chef, nog twee andere helpers, en drie willekeurige stakende mijnwerkers gefusilleerd. Dat gebeurde op 2 mei 1943, vandaag 77 jaar geleden.

Mijn vader was 22 toen, en studeerde in Nijmegen. Hij had willen onderduiken voor de Arbeitseinsatz maar dat kon nu niet meer. Hij werd eerst naar kamp Erica in Ommen en vervolgens naar een ‘Lager’ in Berlijn gestuurd en tewerkgesteld in een metaalfabriek. Hij maakte er twee bombardementen mee tot hij in januari ’44 met verlof mocht en alsnog onderdook.

Bij mijn oma kon hij niet terecht, omdat ze Joodse onderduikers in huis had genomen die het te gevaarlijk vonden als hij zou blijven. Het hele verhaal vertelde mijn vader in die ene nacht vrij onbewogen, maar over die thuiskomst was hij zoveel jaar later nog aangedaan – die vreemden die de deur in zijn gezicht dichtsloegen. Maar het liep goed af, een kapelaan bood onderdak.

Beeld Gemma Pauwels

Massagraf

De epiloog voltrok zich in 1946. Op aanwijzing van de SD’er Richard Nitsch, ‘de koppensneller van Limburg’, die verantwoordelijk was voor de executie van de stakers, werd in de buurt van Venlo het massagraf gevonden waar de zeven mannen in lagen. Mijn vader en mijn oma moesten naar de Hamertse heide komen om mijn opa te identificeren. Drie jaar na zijn vaders dood had mijn vader vanaf de rand in het massagraf gekeken naar wat er van hem over was. Hij had hem herkend aan zijn schoenen en aan zijn haar.

In diezelfde kuil, maar dan op een beeldscherm, staar ik als ik twee jaar terug, als de meistaking 75 jaar geleden is, besluit de naam van mijn grootvader eens in te tikken in Google, om te kijken of er online informatie te vinden is over zijn daad en zijn dood. De drang om me in dat oorlogsverleden te verdiepen streed ook na mijn vaders dood – hij stierf in 1991 – lang met enige gêne om me zijn geschiedenis toe te eigenen. Ik herinner me uit de documentaire die Heddy Honigmann einde jaren negentig maakte over de ‘twee minuten stilte’ dat schrijfster Anna Enquist daarin zei dat ze altijd met enige schroom naar de dodenherdenking ging. Zij voelde zich betrokken maar ze hoorde er eigenlijk niet, ze was van na de oorlog, het was niet haar verdriet. Dat herkende ik.

Je zou kunnen zeggen dat het grote leed van de oorlog eerst taboe was omdat de oorlogsgeneratie vergeten wilde en zich op de toekomst richtte. Later werd het meer een taboe omdat ieder verhaal over de oorlog de gruwelen nooit recht zou kunnen doen, omdat je er als buitenstaander nooit in de buurt kon komen.

Toch bleef ik ook als volwassene alles wat los en vast zat lezen over die oorlog, verhalen die over leven en dood gaan, over goed en fout, over ontreddering en troost. Alleen nu, zoveel decennia later weer, proef je dat de werkelijkheid achter die verhalen steeds meer terrein aan het verliezen is. Kwam bij mij ooit bijvoorbeeld ‘Shoah’ van Claude Lanzmann nog aan als een mokerslag, mijn zoons heb ik niet meer kunnen overreden om de lange, trage, toen confronterende maar nu oude documentaire over de Holocaust te bekijken. Natuurlijk kun je gefascineerd raken door de Tweede Wereldoorlog, legt de jongste van 18 uit, net zoals door de Spaanse Burgeroorlog. Gewoon geschiedenis is het, al zo heel lang voorbij.

Macabere foto

Voorbij is het voor mij toch even niet als ik in beeld geconfronteerd word met de gebeurtenis die we mijn vaders leven lang liever niet bespraken. In twee muisclicks kijk ik in het graf van mijn opa. De beelden van het geopende massagraf staan op een mooie, informatieve website over de meistaking. Het zijn politie­foto’s van de middag in 1946 dat de gearresteerde SD’er Richard Nitsch aan de autoriteiten aanwijst waar de mannen liggen.

Ik had wel eens gehoord van het bestaan van deze foto’s. In 1990, een jaar voor mijn vaders dood, zijn ze in De Limburger afgedrukt bij een verhaal over Nitsch, die destijds nog in leven was en door een journalist was opgespoord in zijn villa in Gildehaus, vlak over de grens. De tachtiger, verantwoordelijk voor tientallen doden en talloze folteringen in Limburg, wilde niet veel zeggen. ‘Venlo was een verrückte Ecke’ geweest, hij was nu toe aan ‘Feierabend’. Mijn vader was boos geworden op de krant, niet vanwege het stuk, wel vanwege de foto’s. Hij was met de journalist in gesprek gegaan. Het was een onaangename ontmoeting geweest op het station in Roermond, zo weet mijn broer.

Absurd, ontheiligend, zijn de beelden nu nog eerlijk gezegd, al zijn ze zwartwit en herken je niemand. In de kuil liggen naast elkaar zeven langgerekte heuvels van stof en zand. Niet iedereen ligt dezelfde kant op. Ik zie een weg­geteerd been in een zwarte schoen. Plukjes grijs haar. Vier mannen zijn met het gezicht naar ­beneden in de kuil gevallen, de anderen liggen andersom. Naast een van de heuvels stoffelijke resten ligt de wandelstok van de verzetsleider, die kreupel was van de polio. 

Beeld Gemma Pauwels

Brieven uit Berlijn

Een verwarrend moment is het, deze aanblik, maar een motorisch moment is het ook. Ik weet van de hutkoffer met documenten die bij mijn zus op zolder staat. Ze geeft geschiedenis­les op een middelbare school. In die hutkoffer liggen ook brieven die mijn vader aan zijn moeder schreef uit Berlijn. We vonden het bijeen­gebonden stapeltje na zijn dood in zijn bureau en hebben ze uit respect voor zijn privacy nooit ingezien. Ik besluit ze nu toch wel te lezen.

De eerste is gedateerd 7 mei 1943. Mijn vader zit in kamp Erica in Ommen, en zal over enkele dagen met duizend anderen naar Berlijn vertrekken. ‘Liefste moeder’, schrijft hij. Ik ben verrast door de innige toon van onze liefdevolle, maar toch wat gereserveerde vader – de vele omhelzingen en kussen, de schietgebedjes en bezweringen, de voelbare onrust. 

“Ik kan alleen een intens verlangen naar u en naar huis hebben”, schrijft hij uit Berlijn, “zo intens dat ik soms midden onder mijn werk in de fabriek ophou en me dan werkelijk weer moet bezinnen dat ik in de fabriek sta en niet ergens anders. Maar dat gevoel van verlangen is altijd vermengd met een nameloos groot verdriet.” Hij ontvangt in Berlijn van zijn moeder ook de afscheidsbrief die zijn vader in de cel schreef. “Oh Mam, wat Papa voordat ’t gebeurde gevoeld heeft (…)”

Trauma in beeld

Ik neem zijn brieven uitgetikt mee naar mijn tante, mijn vaders enig overgebleven zus, 86 als ik haar spreek. Ze wil er zeker wel over praten zegt ze, als ik vraag of ik ernaar mag vragen. Ze vertelt gloedvol en levendig. Ze was 12 in 1943, de jongste van vijf kinderen, en ze herinnert zich nog scherp hoe ’s avonds een Duitser en een NSB’er kwamen. Ze waren verraden door een chauffeur, dacht ze, die daarna spoorloos verdwenen was. Ze ziet haar vader nog zitten, hoe hij op de trap zijn schoenen strikte. Haar moeder viel flauw in de gang. Die flauwtes had haar moeder toen wel vaker, maar het gekke was: ze is daarna nooit meer flauw gevallen. Ze had de stakingsfolders verbrand.

Twee van de oudere kinderen waren de volgende dag langs het politiebureau gegaan en hadden hun vader daar zien zitten. Haar zus had nog naar hem gezwaaid. Later had mijn tante zich erg alleen gevoeld. Ze miste haar vader vreselijk. Haar moeder huilde veel. Er mochten vanwege de onderduikers geen vriendinnetjes komen, en ze kon er met niemand over praten.

Nu is ook mijn tante overleden. Met mijn nicht, haar dochter, spreek ik over haar herinneringen en over de website. We overwegen te protesteren tegen de publicatie van de foto’s van het geopende massagraf, die ‘de ziel bloot leggen’ zo zegt ze. Hier wordt het trauma van onze ouders pijnlijk concreet in beeld gebracht. Anderzijds: het is een historisch document nu, ik ken veel erge beelden uit de oorlog, andermans opa’s en oma’s. En de duik in het donkere gat is ook verrijkend, alsof nu pas echt doordringt wat mijn vader overkomen is, hoe het hem heeft veranderd.

Het is fijn om er zo met elkaar over te spreken. Mijn zus mailt nog meer documenten. Een condoleance van koningin Wilhelmina aan mijn oma, een dankbetuiging terug. Haar moeder voelde zich berooid en beroofd na de oorlog, tekort­gedaan toen de onderduikers wel alles terug kregen, terwijl zij haar man en huis kwijt was, vertelde mijn tante, met een verontschuldigende glimlach.

Beeld Gemma Pauwels

Kogelgaten in de boom

Met man en zoon reis ik in een lege trein en lege bus op een woensdagmiddag naar de Hamertse heide. Ieder jaar gaat er op 4 mei een optocht naar het monument ‘voor de gevallenen’, alleen dit jaar niet, vanwege Covid-19. Er is niemand in het bos, de zon schijnt, het waait een beetje. Vaak vult mijn hoofd zich in de stilte met van alles maar nu denk ik aan de afscheidswoorden van mijn opa en aan mijn vader die hier ook gestaan heeft. In de hutkoffer lag een rapport van de politie met zijn getuigenis, Andreas (24): “Ik herken het lijk gemerkt nr 3 als dat van mijn vader Peter Ruyters. Ik herken het aan de lengte, postuur, kleur van de haren, het kostuum en de schoenen.”

Die berken stonden hier toen ook. De SD’er Nitsch had het massagraf teruggevonden omdat hij wist van kogelgaten in een boom. We zoeken, maar vinden alleen een rond gaatje aan de verkeerde kant van een berk. Ja, ja, het is zeven-en-zeventig jaar geleden. Op het muurtje onder het grote houten kruis eten we sinaasappels. Mijn zoon zet een plaatje van de gedenkplaat op snapchat. Hij herkent de achternaam van een klasgenoot, misschien is het familie.

Ik was, net als mijn vader, altijd wat sceptisch over eerbetoon en herdenkingen, steeds meer naarmate de oorlog langer geleden is. Nu denk ik daar toch anders over. Hier is in al die decennia niks veranderd. Hier worden de doden herdacht. Ze zijn nog net niet vergeten. 

Jann Ruyters is boekenredacteur van Trouw

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden