Een moeder en haar twee dochters poseren in Beuningen voor hun woonhuis. Links op de foto: Dorus de Mus. Beeld
Een moeder en haar twee dochters poseren in Beuningen voor hun woonhuis. Links op de foto: Dorus de Mus.

EssaySociale acceptatie

Op zoek naar de betekenis van de ‘dorpsgek’

Hij woonde in het oudemannenhuis, die kleine, wonderlijke man. Dorus de Mus noemden de dorpelingen hem. Een gehandicapte die zich, letterlijk, in de kijker speelde. Willem Claassen, wiens verstandelijk beperkte zus honderd jaar later opgroeide in hetzelfde dorp, ging op zoek naar Dorus’ verhaal.

Willem Claassen

Het is ergens rond 1920. In Beuningen, een dorpje bij Nijmegen, poseren een moeder en haar twee dochters voor hun woonhuis. Terwijl de fotograaf zich klaarmaakt om de familie vast te leggen, stapt een klein mannetje links het beeld in. Pet op, handen in de zakken. ‘Gij wilt mij d’r zeker niet op hebben’, zei hij, zo vermeldt het bijschrift. Drie, twee, één… klik!

Deze foto uit Beuningen in oude ansichten heeft me van kinds af aan gefascineerd. Ik groeide op in Beuningen, als jongste in een gezin met vier kinderen. Mijn ouders hadden een melkveeboerderij midden in het dorp, later in het buitengebied. Het boekje stond bij hun in de kast en regelmatig tuurde ik naar dat wonderlijke, wazige figuurtje in de hoek. Dorus de Muts heette hij volgens het bijschrift, een ‘mismaakt’ persoon met een piepstem die in het klooster woonde en dagelijks boodschappen deed voor de zusters.

Een paar jaar geleden scrolde ik op oudbeuningen.nl langs afbeeldingen van Beuningse huizen en families in vroegere tijden. Mijn blik bleef hangen bij een foto van zeven broers en zussen netjes op een rij, vader en moeder erachter. Daar was hij weer! Links in de hoek: een lachende oude man, even groot als de kinderen. ‘Dorus van Bergen’ stond erbij, en: ‘Dorus had altijd goed door als er foto’s gemaakt werden; je vindt hem vaker terug op oude foto’s. Hij werd Dorus de Mus genoemd.’

Zeven broers en zussen netjes op een rij, vader en moeder erachter, links Dorus de Mus. Beeld
Zeven broers en zussen netjes op een rij, vader en moeder erachter, links Dorus de Mus.

De Muts of De Mus, ik vind het prachtig. Een dorpsgek, een randfiguur, een man met een beperking die zichzelf zichtbaar maakt. Eigenhandig onttrekt hij zich aan de vergetelheid door foto’s te saboteren. Hij ­intrigeert me, misschien wel vanwege mijn oudste zus, die een verstandelijke beperking heeft en ook klein van stuk is. En ook opgroeide in Beuningen.

Er wordt goed voor haar gezorgd en aan foto’s van haar geen gebrek, maar als ik de foto’s van Dorus bekijk vraag ik me af: hoe zichtbaar was en is zij?

Historici als Inge Mans en Ben Wuyts hebben beschreven hoe er in het verleden met gehandicapten is omgegaan. Soms genoten ze de bescherming van hun gemeenschap. Zo is er een skelet van een Neanderthaler gevonden die door een schedelfractuur deels blind en verlamd was, maar toch de toen respectabele leeftijd van 40 à 50 jaar bereikte. In de vroege middeleeuwen waren gehandicapten vaak onderdeel van een gesloten agrarische gemeenschap en voerden ze eenvoudige taken uit.

Maar vaak genoeg is er slecht over ze gedacht. De Grieken en Romeinen meenden dat misvorming een straf van de goden was. Baby’s met lichamelijke ‘defecten’ werden te vondeling gelegd of gedood. In de late middeleeuwen golden ziekte en handicap als straf voor zonde, schuld en criminaliteit. Gehandicapten werden gemeden en leefden aan de rand van de samenleving.

De opkomst van de wetenschap veranderde veel in goede zin, al zorgt de medische, klinische benadering er ook voor dat gehandicapten nog altijd als zwak en hulpeloos worden gezien. Gehandicapten zijn hun handicap. Hardnekkig is ook het idee dat een handicap zorgt voor een leven zonder betekenis, wat de vraag oproept of een dergelijk leven het leven waard is. Sinds 2017 krijgt iedere zwangere vrouw de niet-invasieve prenatale test (nipt) aangeboden, die het ongeboren kind scant op een aantal handicaps, wat laat zien dat die vraag nooit ver weg is.

Theodorus Rutjes

Voor ik Dorus zomaar als gehandicapte diagnosticeer, moet ik weten wie hij was. De aardige mensen van heemkundekring Historisch Besef Beuningen duiken enthousiast op de zaak. Op oudbeuningen.nl heet hij Dorus van Bergen, maar in het dorp zoemt nog een naam rond: Theodorus Rutjes. Die naam komt terug in het parochiearchief: in 1914 is er een Rutjes gehuisvest in het oudemannenhuis. Daar woonden weduwnaars en enkele gehandicapten, onder zorg van de zusters.

Het Gelders Archief vertelt dat deze Rutjes is geboren in 1875 als zesde en jongste telg van een arbeidersgezin. De drie kinderen boven hem zijn jong gestorven. Zijn moeder sterft in 1911, drie jaar voordat hij op 39-jarige leeftijd naar het oudemannenhuis verhuist. Zelf overlijdt hij in 1949, op 74-jarige leeftijd.

In zijn bidprentjesarchief vindt Wilbert Lelivelt van Historisch Besef Beuningen zowaar het prentje van Rutjes, maar daarop staan alleen weinig zeggende Bijbelteksten: Zalig de doden, die in de Heer sterven. Hij vindt ook prentjes van vier heren die Theodorus van Bergen heetten. Heeft oudbeuningen.nl dan toch gelijk, heet hij niet Rutjes, maar Van Bergen? Nee, al deze mannen waren getrouwd en hadden kinderen. Ze zijn niet de Dorus die ik zoek. Het moet toch Dorus Rutjes zijn.

Jonge versie

Dan heb ik geluk: op oudbeuningen.nl vind ik een derde foto van mijn dorpsgek. Een jonge versie, waarschijnlijk geschoten aan het einde van de 19de eeuw. En dit keer staat hij zelf centraal. Het is een portret in een Grieks decor. Dorus staat voor een tafeltje, zijn rechterhand ligt op de leuning van een stoel. Dorus de Mus, staat eronder, omdat hij zo klein was als een mus. Dat klinkt logisch. Geen Muts, maar Mus.

Zijn lengte wordt wellicht verklaard door dwerggroei, maar had hij ook een verstandelijke beperking? Dat durf ik niet te stellen aan de hand van een foto. Dat Dorus alleen op de foto mocht, dat hij überhaupt op de foto mocht, zegt wel iets over hoe er met hem werd omgegaan. Zijn familie lijkt zich niet voor hem te schamen.

Starend naar dat kleine mannetje moet ik aan mijn zus denken. Van haar staat geen enkel beeld online. Ik heb weleens overwogen om foto’s van haar te posten op Facebook om haar zichtbaarder te maken. Maar dat voelt ongemakkelijk, alsof het om mij gaat in plaats van haar. Zij weet niet goed wat internet inhoudt. Ze heeft een tablet waarop ze muziek luistert, series kijkt en soms met hulp van anderen een mailtje stuurt.

Een huisgenoot van mijn zus zit wel op Facebook, maar bij hem past het: hij kan zelf posten en hij wil zelf posten. Regelmatig deelt hij foto’s van zijn werk in een eetcafé. Dat doet me goed. Ze zetten al die andere berichten, de tirade tegen Mark Rutte en de aankondiging van een carrièreswitch, in perspectief. De huisgenoot van mijn zus doorbreekt mijn bubbel, omdat ik weet: achter die jongen schuilt een hele groep die niet vanzelfsprekend zichtbaar is op de sociale platforms.

Je maakte hem niks wijs

Bloedverwanten van Dorus duiken er helaas niet op in mijn zoektocht. In het dorp zijn wel enkele tachtigers die zich hem nog herinneren. Op de vraag of hij een verstandelijke beperking had, heeft niemand antwoord. Hij was prima bij de tijd, je maakte hem niks wijs, veel meer krijg ik er niet uit. Net als op de foto’s, staat Dorus in hun geheugen in een hoekje.

Cor Kersjes, 89 jaar en nog altijd elftalleider en materiaalman van Beuningse Boys, herinnert zich iets meer. Dorus en de andere bewoners van het oudemannenhuis dronken regelmatig borreltjes in De Vrijboom, een café bij het klooster. Ook zat Dorus vaak op een bankje tegenover dat café. “De jeugd plaagde hem. Ze lokten hem uit, in de hoop dat hij zou reageren.”

Dat plagen, dat herkent Anne-Goaitske Breteler. Zij werkt aan een boek over geestelijke gezondheid op het Friese platteland, waarin ook de dorpsgek langskomt. “Wat me opvalt, is dat vooral kinderen herinneringen hebben aan een dorpsgek. Omdat ze op straat spelen, komen ze hem eerder tegen dan volwassenen. Ze vinden iemand die afwijkt spannend, ze zijn ongeremd, spreken hem aan, dagen hem uit.”

Het raakt een snaar bij mij. In mijn tienerjaren heb ik mijn zus veel gepest. Ik praatte haar na, deed haar na, legde een vinger op haar lippen of liet haar schrikken. Ik wilde een reactie uitlokken, bedenk ik nu.

Om reacties van anderen kon ik juist boos worden. Als ik met haar achter op de tandem naar het winkelcentrum in het dorp Beuningen fietste, waren het altijd kinderen die haar aanstaarden.

Breteler kiest bewust voor het woord dorpsgek, “omdat het vroeger altijd zo werd gebruikt. Elk dorp had een dorpsgek. Iedereen weet wat ermee wordt bedoeld.” De opvang van deze mensen in een leefgemeenschap, zegt ze, was beter dan die nu is. Al was-ie niet perfect. “De dorpsgek hoorde erbij. Hij werd gezien als ‘onze dorpsgek’. Maar als je verder kijkt was er totale ongelijkwaardigheid.”

Plaatsen van herinnering

De Franse historicus Pierre Nora muntte het begrip lieu de mémoire, letterlijk: plaatsen van herinnering. Het kan om een vlag gaan, een volkslied, een oorlogsmonument. En ook om foto’s van een lang overleden dorpsgek.

Ik moet eraan denken als ik van mijn ouders een legpuzzel krijg. Ik heb niks met puzzelen, maar ze wijzen naar de deksel. Daarop staat een fictief Beunings café met foto’s aan de muur: de molen, de kerk, het logo van de voetbalclub en Dorus, de jonge Dorus van de portretfoto kijkt me aan. Geen burgemeester, geen pastoor, geen succesvol ondernemer, nee, het is de dorpsgek die jaren na zijn dood als enige persoon op de puzzel staat. Dorus als symbool voor Beuningen.

Ik krijg een mailtje van Theo Hanssen, vrijwilliger bij de dagbesteding van mijn zus. Hij heeft gehoord van mijn zoektocht. Hanssen werd geboren in 1949, het jaar dat Dorus overleed. Toen zijn oudste zus in de wieg keek om haar kersverse broertje te aanschouwen en die kleine, gerimpelde baby zag, ontvielen haar de woorden: ‘Oei, het is net Dorus de Mus’.

Hanssens moeder barstte in huilen uit. ‘Daar ben ik haar nog altijd dankbaar voor’, schrijft hij. ‘Ze verdedigde mij, zo kijk ik daarnaar. Ze vond mij toch niet zo lelijk. Dit verhaal wordt tijdens verjaardagsfeestjes nog steeds verteld, waarbij ze dan lachend in mijn richting kijken. Ik vind dat niet altijd fijn.’

Op een platte kar door het dorp

Toen mijn zus op haar 30ste uit Beuningen verhuisde, wilde ze op een platte kar door het dorp worden rondgereden. Ze was geïnspireerd door de carnavalsoptocht en een kampioenstocht van de Beuningse Boys en fantaseerde hoe ze naar iedereen zou zwaaien.

Ik vond het toen vooral vermakelijk, maar nu ik eraan terugdenk: zo’n vreemd voorstel was het niet. Ze was niet veel op straat, maar in het dorpscentrum viel ze op, mensen herkenden haar. Ze hoorde bij Beuningen, misschien wel meer dan al die bewoners die zo op elkaar lijken. Mijn zus is zichtbaar op haar eigen manier. Ooit zal ze ook zo herinnerd worden.

Het graf van Theodorus Rutjes alias Dorus de Mus is geruimd. Uit het rouwboek van de parochie blijkt dat hij bediend werd door pater Strik en op 9 april 1949 zijn laatste rustplaats vond op het Beuningse kerkhof in loco quarto lineae decimae septimae ad australem (op de vierde plaats, zeventiende rij zuid). Als ik naar die plek ga, vind ik slechts een strook grind tussen twee grafstenen.

Ik hoop dat er meer gesaboteerde foto’s opduiken.

Willem Claassen (1982) studeerde journalistiek in Tilburg en geschiedenis aan de Radboud Universiteit. Hij is schrijver van romans en verhalenbundels. Zijn laatste boek, Contouren, is een verzameling van columns voor De Gelderlander. Ook begeleidt hij beginnende schrijvers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden