Reünie

Op de schoolreünie is de clown van toen nog steeds de gangmaker

Els de Baan in haar klas 6, 1970

Zullen ze elkaar na 48 jaar nog wel herkennen? Els de Baan is op de reünie van haar lagereschoolklas in Spijkenisse. Naambordjes blijken overbodig. ‘Die neus, die ogen, die blik, dat moet Rinus zijn.’

Zes jaar geleden werd onze lagere school opgeheven en afgebroken. Als oud-leerlingen van de Nachtegaalschool in het toen nog dorpse Spijkenisse dwaalden we nog een laatste keer door de gangen en lokalen. Ik trof een handjevol oud-klasgenoten en we haalden grappige en verdrietige herinneringen op en deelden mailadressen. Sindsdien stuurden we elkaar jaarlijks een digitale kerstgroet, verder contact was er nauwelijks. Tot afgelopen Kerst. We realiseerden ons ineens dat we dit jaar allemaal zestig zouden worden. Zestig! Zou het niet leuk zijn om te proberen onze oude klas, die uiteindelijk uitdijde tot wel 43 leerlingen, weer bij elkaar te krijgen? Ineens was daar een appgroep en binnen twee weken was de helft al opgespoord.

Regelneef Eric

Bij de klassenfoto’s had ik toentertijd secuur alle namen genoteerd en zo kwamen ook de allang uit het geheugen gewiste lieden op de zoeklijst terecht. Regelneef Eric ging wekelijks bij nog levende ouders langs en anderen speurden op internet of wisten via familie of voormalige buren met ‘vermisten’ in contact te komen. Velen waren over het land uitgewaaierd, sommigen woonden nog in de buurt. Twee klasgenoten waren overleden en vijf werden helaas niet gevonden.

Al weken werd via de groepsapp om het hardst geroepen hoeveel zin we erin hadden. Foto’s van vroegere verjaardagspartijtjes en schoolmusicals werden gedeeld. We googelden elkaar, belden even en er waren al bezoekjes. Vroegere vrienden huurden alvast gezamenlijk een boot om er na afloop van de reünie te overnachten. En Hans en Fred kwamen er via de app achter dat ze op dat moment allebei in Kaapstad verbleven. Ze hadden elkaar na hun schooltijd vrijwel niet meer gezien en nu volgde in no time een treffende foto: de heren zaten in Zuid-Afrika samen gezellig aan het bier. Hun karakteristieke hoofden waren uiteraard verouderd, maar niet minder sprankelend.

Die neus, die ogen!

We prikken een datum en omdat het schoolgebouw niet meer bestaat, regelt Jan voor ons de kroeg van zijn buurman. En dan is het zover. Zullen we elkaar na bijna een halve eeuw nog wel herkennen? Moeten we misschien naambordjes op? Dat blijkt overbodig. Die neus, die ogen, in combinatie met die guitige blik, dat moet Rinus zijn! En met die blozende wangen en lachende ogen, dat is toch Hannie? En wat lijkt Jos op zijn vader!

Het wordt een stralend weerzien. In feite met wildvreemden, maar die transformeren zich binnen enkele tellen tot verbluffend vertrouwde oud-klasgenoten. De clown van toen is nog steeds de gangmaker, de wazige jongen nog altijd een wat versuft muurbloempje en de zachtmoedige jongen met bijnaam Stoffel – de slome schildpad uit de Fabeltjeskrant – komt ook nu weer als laatste binnen. Voormalige dikke vriendinnen klitten bij elkaar. De jongens vragen zich hardop af waar die mooie lange lokken van de meisjes zijn gebleven en wij zijn benieuwd wie er nog zonder bril kan lezen en wiens haar ongeverfd is. Onder grote hilariteit wordt een nieuwe klassenfoto gemaakt. Net als toen heeft een enkeling de ogen dicht of kijkt net de andere kant op.

Herinneringen buitelen over elkaar. Grappen en ernst vechten om voorrang. We maken ons opnieuw boos over de juf die ons ooit streng instrueerde toen de moeder van een klasgenoot was overleden. Negeren en doen of er niks was gebeurd, luidde de opdracht. Zijn immer uitbundige gedrag was achteraf gezien misschien een vorm van compensatie, bekende hij nu.

In het midden: Els de Baan .

Ons vroegere onbenul komt eveneens bovendrijven; over de echte dingen des levens werd toen niet gepraat. Dat levert nu onthutsende ‘open mond-momenten’ op. Een vriendinnetje vertelt dat ze zo vaak afwezig was, omdat haar agressieve vader haar geregeld bont en blauw sloeg. De levenssporen staan diep in haar ziel gegroefd. De alleenstaande moeder van een klasgenoot liet hem weken alleen achter om zelf op vakantie te gaan. Bezorgde buren schoven hem soms een warme maaltijd toe. Een vader bleek er stiekem een tweede gezin op na te houden. Mijn verbouwereerde klasgenoot kwam er pas achter toen hij al van school af was.

‘Slimmeriken en zwakkeren’

Tot ieders grote verbijstering horen we dat we in de zesde klas werden opgesplitst in ‘slimmeriken’ die naar havo of vwo zouden gaan en de ‘zwakker lerenden’ met lts of huishoudschool als perspectief. Dat herinnerde ik me echt niet meer. Ook anderen die net als ik bij de eerste categorie waren ingedeeld, blijken op dit vlak een gat in hun geheugen. Maar die ‘arbeiderskinderen’, zoals ze zichzelf nu noemen, zijn dat allerminst vergeten; ze voelden zich apart gezet en overtuigen ons nu dat die situatie heus had bestaan.

Nu pas begrijp ik waarom er twee leerkrachten op die laatste klassenfoto staan. Gelukkig voelden we ons altijd een complete klas en speelden we met en bij iedereen. Natuurlijk liepen we zonder ouders naar school en overbezorgde curling-ouders en luizenmoeders bestonden nog niet.

Dan volgen de verhalen over scheidingen, verlies en nare ziektes. We bespreken overleden en dementerende ouders, waarna als vanzelf foto’s van kleinkinderen tevoorschijn komen. We constateren tevreden dat we ons plekje wel hebben gevonden. Een enkeling is al met vervroegd pensioen (eigen bedrijf, gestopt met werken, piloot) of stevig aan het rentenieren. Anderen moeten ‘nog zeven jaar doorploeteren’ om straks de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. De vroegere tweedeling blijkt gelukkig een fictieve, want die loopt dwars door hoog- en laagopgeleid heen.

Onze gemêleerde groep blijkt wel een andere tweedeling te hebben gekend, maar die realiseren we ons nu pas. Ons ‘ouwe durp’ Spijkenisse was vanaf eind jaren vijftig aangewezen als overloopgemeente voor Rotterdam en de nieuwbouwwijken schoten de grond uit. Mijn schoolklas bestond in de vroegste jaren vooral uit ‘autochtone’ kinderen uit de oude dorpskern. Maar toen daar een flatgebouw van Bijlmerformaat verscheen, werden we overspoeld met nieuwkomers. Die voegden zich wonderlijk vlot in de ons-kent-ons school.

Hun vaders werkten bij scheepsbouwer Verolme of in de petrochemische industrie De Botlek. Mijn ouders bestierden een bescheiden van-vader-op-zoon kruidenierswinkel. Wij kenden ‘iedereen’. In ons ruime magazijn was altijd wel iets te doen. Dat bleek ook nu nog in de geheugens opgeslagen. Hoe leuk het was om er verstoppertje te spelen, lege statiegeldflessen te sorteren of kartonnen verpakkingsdozen plat te maken.

Opgevoed met het credo geen onderscheid tussen klanten te maken, op niemand neer te kijken en dat de meeste mensen ‘er hard voor moesten werken’, leerden wij als middenstandskinderen dat we ons niks hoefden te verbeelden. Iedereen was gelijk. En zo voelt het nog steeds: niks tweedelingen.

De dag na de reünie ontploft de groepsapp met foto’s, bedankjes en terugblikken op dit zeer speciale evenement. De beschouwelijke realist laat weten: ‘Het was bijzonder om te zien wat de tand des tijds heeft aangericht.’ Waarop de levenslustige techneut klef reageert: ‘Nou bij de mannen dan, de vrouwen waren nog als nieuw.’ Iedereen kijkt nu al uit naar de volgende reünie. Misschien over vijf jaar? Want wachten tot we zeventig zijn, klinkt veel te ver weg.

Lees ook: 

‘Zet kinderen van verschillende niveaus bij elkaar’

Over het afzonderen of juist bij elkaar houden van kinderen van verschillende niveaus wordt nog steeds gedebatteerd. Hoogleraar Eddie Denessen keert zich tegen de huidige tendens in het onderwijs. ‘Deel kinderen niet te vlug in naar niveau.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden