Beeld Sjoerd van Leeuwen

De KraaiMickelle Haest

Niet naar de familie, maar naar het mortuarium

Vandaag begint anders dan anders. Normaal ga ik als iemand overleden is eerst naar de familie voor een bespreking, maar vandaag moet ik eerst naar het mortuarium van het ziekenhuis. Een vrouw van begin zeventig ligt daar opgebaard. Mijn opdracht is haar toonbaar te maken. De politie komt langs met haar vermoedelijke moordenaar: haar eigen man.

In het mortuarium controleer ik de naamplaatjes op de stalen kast waarin drie laden boven elkaar zitten. Ik zet de schaarwagen klaar op de benodigde hoogte en trek de la met de juiste naam open. Normaal doet de algemene dienst dit, maar die is enorm druk.

Met veel kracht trek ik aan de plaat waarop de vrouw ligt. De kou slaat in mijn gezicht. Ik schuif haar op de schaarwagen. Met een knop die ik met mijn voet bedien, zet ik de wagen een stand lager, zodat ik er makkelijker mee kan rijden. Ze is nog niet gekleed, zie ik, ze ligt onder een ziekenhuislaken.

 “We gaan weer.” 

Ik breng haar naar een andere ruimte. Daar staat een baar met een rok eromheen en een mooi gordijn erachter. Ik schuif de schaarwagen naast de baar en trek aan de plaat, waardoor ze op de baar komt te liggen. Ik pak een schoon laken uit een kast en leg dat zo neer dat alleen haar hoofd zichtbaar is. Haar nek bedek ik, daar loopt een blauw-rode lijn overheen. Met mijn handen schik ik haar grijze haar wat netter om haar gezicht.

Twee agenten – een jonge vrouw en een wat oudere man – melden zich. Tussen hen in loopt een oude man. Met één hand probeert hij vertwijfeld zijn broek op te houden. Zijn riem is verdwenen. Hij sloft; zijn schoenen hebben geen veters meer. De man dementeert, vertelde mijn collega. Omdat zijn vrouw zo pittig was, konden ze het thuis nog samen redden.

Ik ontvang ze en zet een paar glazen water neer. De man begint verschrikkelijk te huilen, zodra hij zijn vrouw ziet. Ik trek me terug in de kamer ernaast. Ik hoor de man aan een stuk door hartverscheurend huilen. Na een tijdje klopt de oudere agent op de deur. “We gaan weer.” Ik knik. Een paar minuten later schuif ik de vrouw weer in de koeling. Ik moet nu naar de zoon en dochter om de uitvaart te bespreken.

Met de dichtregels van Martinus Nijhoff in mijn hoofd sluit ik de deur.

Leven was goed al heeft het mij gebroken,

Leven is goed ofschoon het dooden maakt.

Mickelle Haest tekent afwisselend de ervaringen op van een uitvaartverzorger en die van een verloskundige. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden