EssayTuinleven

Nicolien Mizee is pas echt zichzelf in haar tuinkleren: ‘Ik ben geen man, geen vrouw, ik ben tuinier’

null Beeld Judith Jockel
Beeld Judith Jockel

Op de moestuin verdwijnt haar ambitie en dat is heerlijk, schrijft Nicolien Mizee. Daar bakkeleit ze over een buxushaag, kletst ze af en toe met de buren en gaat het vooral over jaar in, jaar uit hetzelfde doen.

Deze week beleven de tuin en ik onze koperen bruiloft. Een maand later vieren mijn man en ik ons koperen huwelijk. Dat is geen toeval.

“Een blauwe bessenstruik in de tuin is een apotheek aan huis”, had ik in deze krant gelezen. Ik fietste direct naar het tuincentrum en toen ik een paar uur later met twee struiken thuiskwam, hief de man bij wie ik een paar maanden eerder was ingetrokken zijn handen en riep: “Waar wil je ze neerzetten? De tuin is af!”

“De tuin is af?”, zei ik. “Maar ik woon hier nu toch ook?”

Er viel een pijnlijke stilte. Ik zette de twee struiken neer en dacht aan een bord met het opschrift ‘Volkstuinen te huur’, dat ik in de buurt van het station had gezien.

Zo begon het. Op tien minuten fietsen van ons huis huurde ik een lap grond van zo’n 120 vierkante meter. Ik kocht bessenstruiken en zette ze in de grond. Rode bessen, witte, zwarte, jostabessen en kruisbessen.

Ik kocht ook een zakje bloemenzaad. Hoewel mijn vader een enthousiast tuinier was geweest, wist ik niet eens hoe ik moest zaaien. Een diepe kuil graven en het zakje erin leeg gieten? Of het zaad gewoon wat in de rondte strooien?

Na al die jaren ben ik een doodgewone, middelmatige moestuinier geworden. Ik fiets naar de tuin, ik werk er een paar uur en ga bemodderd naar huis met een zak pastinaken of courgettes, die ik voor een luttel bedrag, schoongemaakt en wel, ook in de Vomar om de hoek had kunnen kopen, wat uiteindelijk waarschijnlijk goedkoper was geweest.

Het valt niet uit te leggen

Lange tijd heb ik gedacht dat mijn liefde voor de tuin zoiets is als geaardheid of geloof: het valt niet uit te leggen. Maar nadenkend over een andere schijnbaar onoplosbare kwestie ben ik toch op een mogelijke verklaring gestuit voor het diepe geluk dat ik op de tuin ervaar.

Deze tweede kwestie heeft te maken met status. Zolang als ik me kan heugen, ­ervaar ik bepaalde mensen en onderwerpen als ‘hoog’. Eigenlijk weet ik zelf niet precies wat ik daarmee bedoel en wat de criteria zijn. Er is veel wat ik hoog vind, maar dat ­betekent absoluut niet dat ik dat daarom ook waardeer. Integendeel zelfs.

null Beeld Judith Jockel
Beeld Judith Jockel

Zo zag ik gisteren in het park twee ­oudere dames. Ze waren heel slank, op het magere af, droegen dure jassen, hadden ­verzorgd, geverfd haar en waren stevig op­gemaakt. Ik vind dat hoog, er is aandacht besteed aan het uiterlijk. Maar ik vind het er spookachtig en heel verkeerd uitzien. De vrouw van de Franse president wordt geroemd om haar jeugdige en verzorgde uiterlijk. Maar ik zou nooit tegen haar aan willen liggen. Ik zou me al zeer slecht op mijn gemak voelen als ik thee met haar zou moeten drinken.

Ik vind ik dus twee dingen tegelijk: enerzijds denk ik: sjee sjee sjee, geweldig zeg, zo moet het. En tegelijk vind ik dat het helemaal niet zo moet. Ik weet niet wie van mijn beiden er nu gelijk heeft.

Wat ik ook hoog vind, is gereserveerdheid. Een paar huizen verderop woont een mevrouw met wie ik wel eens een praatje maak. Ze is altijd even vriendelijk, maar ze heeft iets koels. Een schaterlach kun je je bij haar niet voorstellen. Ik voel me bij haar altijd een beetje ongemakkelijk, maar toch ervaar ik het als hoog.

Het treurige is dat ikzelf altijd de lage ben. Mensen zijn wel vaak hoger dan ik, maar nooit lager. Mijn systeem werkt slechts één kant op, altijd in mijn nadeel.

Mevrouw begon geweldig op te scheppen

Gisteren raakte ik in het park in gesprek met een mevrouw, die naar een roodborstje stond te kijken. We wisselden enkele vriendelijke woorden. Al spoedig begon de mevrouw geweldig op te scheppen. Ze kende ­álle vogels. Ze kende het verschil tussen de boomklever en de boomkruiper, de mus en de heggemus. In haar tuin nestelde een zwarte specht. Een zwarte specht!

Ik knikte, pijnlijk getroffen. Die mevrouw wist blijkbaar niet dat er in dit deel van het land geen zwarte spechten voorkomen. Ze doelde waarschijnlijk op een grote bonte specht, die ook veel zwart heeft en in deze contreien zeer algemeen is. Nu had ik eens de gelegenheid om me hoger te voelen, om te triomferen, maar helaas, een grote verlegenheid overviel me.

Zo ben ik, buiten mijn eigen huis, óf laag of verlegen. Maar niet op de volkstuin! Daar bestaat geen hoog en laag. Mijn tuinbuurman Jan bijvoorbeeld is veel jonger dan ik, hij is pas twee jaar geleden begonnen en heeft nu al een veel mooiere tuin en weet er ook veel meer van dan ik. Ik plant jaar in, jaar uit dezelfde courgettes en pastinaken. Jan heeft bijzondere rassen, die hij op zijn zolderkamertje in de stad zelf opkweekt.

Ik bewonder Jan, en toch voel ik me niet zijn mindere. Kennelijk heb ik op de tuin geen andere ambitie dan zo’n beetje mee­bewegen met de tuin en mijzelf.

“Maar wat moet ik daar dan doen?”, roept mijn man weleens als ik vraag of hij zin heeft om mee te gaan. “Wat is het plán?”

We gaan naar de tuin, dat is het hele plan.

Nicolien Mizee (56) is schrijver en schrijfdocent. Ze ­debuteerde in 2000 met Voor God en de Sociale Dienst. Haar tweede roman Toen kwam moeder met een mes werd genomineerd voor de ­Libris Literatuurprijs. In 2020 kreeg ze de Henriette Roland Holst-prijs voor haar faxboeken, waar­onder De kennis­making. In 2019 verscheen Moord op de moestuin.

Ik ken alleen de buurman, de buurvrouw en Sjaak

Ons complex heeft geen huisjes, geen stromend water en geen elektriciteit. We hebben geen doe-dagen en geen borrels. We staan letterlijk en figuurlijk op grote afstand van elkaar. Omdat ik gebruik maak van een aparte ingang aan de zijkant, passeer ik maar vier tuinen en verder dan mijn eigen tuin kom ik niet. Ik ken alleen de buurman links, de buurvrouw rechts en Sjaak, die zo nu en dan komt zeggen dat ik alles verkeerd doe. Vroeger dook ik bevend tussen de struiken als ik hem aan zag komen, maar eerst ben ik aan hem gewend geraakt, en toen gehecht.

Gisteren kwam hij langs toen ik net mijn laatste veur gespit had. Ik had acht bedden van 1 meter 20 afgezet, met 30 centi­meter ertussen voor een pad.

“Wat vind je van mijn biljartlaken?”, vroeg ik.

“Niet slecht.”

“Niet slecht? Je hoort te zeggen dat ik alles fout doe. Dat is je rol.”

“Je laatste bed is te smal.”

“Ik kwam niet helemaal uit.”

“Dan moet je je buxushaag weghalen.”

“Mijn buxushaag? Die staat daar al twaalf jaar!”

“Maakt niet uit, ze gaan toch dood”, zei hij schouderophalend. “Kijk maar, ze zijn helemaal bruin.”

“Welnee”, zei ik.

“Dan moet je je terras verplaatsen. Als je één tegel verlegt, heb je al een winst van een halve meter.”

“Maar dat redden we niet met mijn muur”, zei ik.

null Beeld Judith Jockel
Beeld Judith Jockel

Ik heb een driesteensmuurtje gebouwd, met mooie stenen die ik her en der uit puinbakken en zelfs op Terschelling van een drooggevallen plaat in de Waddenzee heb verzameld.

“Dan maken we een bocht in de muur.”

“Maar dat muurtje heb ik om het bamboebegrenzerfolie aangebracht”, zei ik. “Dat zit een halve meter diep in de grond.”

“Dan spitten we het er daar even uit en verleggen we het.”

“Maar de wortels van het bamboe zitten tot aan het folie als beton in de grond. Dat kan ik echt niet alleen.”

“Dat zegt de vrouw die een hele kas in elkaar schroeft! Die zelf een gereedschapskist timmert!”

Ik had zo graag een cowboy willen zijn

Met deze laatste uitspraak raakte hij aan een ander aspect van mijn tuinliefde: op de tuin ben ik onzijdig. Vroeger was ik een meisje, terwijl ik liever een jongen was geweest en later een mevrouw, terwijl ik zo graag een cowboy had willen zijn.

Sinds ik een tuin heb, is dit verdriet ­eindelijk verdwenen. Ik ben geen man, geen vrouw, ik ben een tuinier. Een tuinier heeft, net als wurmen, veenmollen en kauwen, geen zichtbare geslachtskenmerken. Met enige moeite kun je wel ontdekken of het mannetjes of vrouwtjes zijn – bij planten en dieren zijn trouwens talloze variëteiten mogelijk – maar daarvoor heb je een ontleedmes of een microscoop nodig.

Tuinkleding is geslachtsloos. Een broek met kniestukken, een trui en een zonneklep. Vroeger geloofde ik het niet als vrouwen zeiden dat ze ook in hun eigen huis in kokerrokjes en met make-up liepen, omdat ze zich daarin prettiger voelden. Maar nu weet ik beter: ook als niemand me ziet, voel ik me immens gelukkig in mijn tuinkleren. Niet alleen omdat die zo lekker zitten, maar ook omdat het de enige kleren zijn waarin ik me werkelijk mezelf voel. Wat dat zelf is, weet ik niet. Op foto’s waar ik in tuinkleren op sta, herken ik mezelf nauwelijks. Kauwen herkennen zichzelf in een spiegel, maar bij wurmen, veenmollen en mezelf in tuinkleren, betwijfel ik het.

Een paar jaar geleden vroeg de verloofde van onze zoon geanimeerd: “Weet je al wat je gaat aantrekken op onze bruiloft?”

Tot haar grote schrik begon ik eerst te stamelen en toen bijna te huilen.

“Ik haat kleren!”, zei ik. “Ik voel me ­alleen fijn in mijn tuinkleren.”

“Maar trek die dan aan!”, riep onze zoon.

“Dat zou ik nou leuk vinden!”

Maar dat kan niet.

null Beeld Judith Jockel
Beeld Judith Jockel

De grote geschenken van de tuin

Onzijdig en ambitieloos kunnen zijn, dat zijn twee grote geschenken van de tuin. Er is nog een derde: de moeiteloze omgang met anderen. In mijn geval is die omgang er nauwelijks, want ik spreek alleen Jan, Anka en Sjaak. Ooit was ik zo onverstandig een praatje te maken met een oud mannetje dat stond te spitten. Sindsdien kwam hij altijd hongerig op me af, spreidde zijn armen om me te omhelzen, stak voortdurend dezelfde monologen over buitenlanders en uitkeringstrekkers af en maakte nooit aanstalten om te vertrekken.

Een andere reden om afstand te houden: veel mensen beginnen aan een volkstuin en geven er binnen een jaar de brui aan. Dan heb ik eindeloos binnensmonds staan oefenen op Bert en Bart, Gerben en Gerbrand, en Ingrid en Inge en blijken ze alweer met de noorderzon vertrokken voor ik ‘Ha Gerben!’ heb kunnen roepen.

Als ik iemand in de verte zie, steek ik even mijn hand op. Daar blijft het meestal bij. Toch kijk ik altijd als ik op de tuin kom of mijn buurvrouw Anka of de alomtegenwoordige Sjaak er zijn. Soms maken we een praatje. Een onderwerp is altijd voorhanden: de tuin. Als je er genoeg van hebt, zeg je: “Ik ga maar weer eens aan de slag”.

Het is al voldoende dat ze er zijn. Bij het ­ouder worden gaat het leven toch al zo snel. Je draait je even om en mensen die net getrouwd waren, blijken alweer gescheiden. Kinderen die gisteren nog op je knie zaten, zijn ineens twee meter lang en gaan promoveren.

Dat was de wereld en zo zou het altijd zijn

Toen ik klein was, veranderde er nooit iets. Mijn vader kwam uit zijn werk, stak een sigaret op en ging de tuin in. Mijn moeder gaf pianoles, of stond in de keuken. Dat was de wereld en zo zou het altijd zijn.

Ik heb altijd heimwee gehad naar dat ­gevoel van onveranderlijkheid, maar ik heb het teruggevonden op de tuin, waar telkens dezelfde mensen dezelfde dingen staan te doen. De weinige gesprekken die ik voer, zijn daardoor ook zo bevredigend. Anka zegt bijvoorbeeld: “Kijk, deze hark heb ik in een laadbak gevonden, maar de steel is kapot. Je kunt ook losse stelen kopen. Ik heb nog een tegoedbon van het tuincentrum.”

Als ik Anka een paar dagen later weer spreek, vraag ik naar die steel. Er komt dan een vervolg op het verhaal, tot de steel aan de hark zit, en later kun je het er samen nog eens over hebben.

In het leven in de buitentuinse wereld worden verhalen bijna nooit afgemaakt. Ik kwam eens bij een vriendin d­ie de gang aan het verven was. “Ik kan niet bij het plafond, want daar heb ik een ladder voor nodig, maar de buurman heeft een paar maanden geleden de ladder geleend en nu denkt hij dat die ladder van hem is. Hij is namelijk een beetje dement.”

Ik vond het een interessant dilemma: moet je ruzie met de demente buurman ­riskeren of kun je beter een nieuwe ladder kopen? Vaak dacht ik erover na. Toen ik haar na maanden weer eens sprak, vroeg ik: “Hoe is het afgelopen met de buurman en de ladder?” Ze wist het niet meer! De rest van mijn leven zal ik, als ik haar zie, aan die ladder denken en nimmer zal ik het slot van het verhaal horen. Op de tuin spreek je elkaar zo vaak dat je van elk verhaal hoort hoe het afloopt.

Planken en planken vol met potten jam

Dit alles kon ik niet bevroeden toen ik een lapje grond huurde om twee blauwe bessenstruiken neer te zetten. Die blauwe bessen hebben het trouwens nooit goed gedaan. Ik heb planken en planken met potten jam in de kelder: van bramen, frambozen en rode, zwarte en witte bessen. Die blauwe bessen zijn iel gebleven, ondanks de turf, waar ik ze in gezet heb.

“Weggooien”, zegt Sjaak. Maar bij Anka doen ze het wél.

Deze week zijn we bijna 12,5 jaar samen, de blauwe bessenstruiken en ik. Dat is leuk en aardig, maar als ze deze herfst weer geen bessen geven, gaan ze naar de composthoop.

Ook mijn man en ik vieren binnenkort ons koperen huwelijksfeest. Hij heeft inmiddels drie implantaten en een gehoor­apparaat. Maar hij mag blijven.

Lees ook:

Marly Hendricks en Nicolien Mizee maakten een geestig en troostrijk kleurboek

Prachtig boekje voor als de regen met bakken naar beneden komt.

‘Allesverpletterende’ van Nicolien Mizee is haarscherp, eerlijk en licht

Het derde deel van de faxenreeks vormt het sluitstuk van de vorming van de auteur. Ze heeft er eindelijk vrede mee.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden