InterviewRia en Peer Schettens

Na 45 pleegkinderen zijn Ria en Peer Schetters het nog niet zat

Ria en Peer Schetters hebben al 45 pleegkinderen heeft gehad. Als Ria en Peer al hun pleegkinderen een tussendoortje zouden mogen geven (mandarijnen) dan zou dat er zo uitzien.Beeld Roos Pierson

Veel pleeggezinnen stoppen uit onvrede over begeleiding of het zorgsysteem, bleek onlangs uit onderzoek. Maar er zijn ook volhouders, zoals Ria en Peer Schetters. Zij zijn ruim dertig jaar pleegouders en ronden nu hun 45ste plaatsing af. Dat ging ook niet zonder hinder of verdriet, maar de mooie ervaringen wonnen.

Vijfenveertig pleegkinderen hielpen ze. Tot nu toe tenminste. In het leven van Ria (61) en Peer (59) Schetters, getrouwd in 1982 en wonend in het centrum van Breda, staat pleegzorg centraal. In de woonkamer staat een maxi-cosi. Die is van het baby’tje dat boven in bed ligt en straks een adoptiegezin krijgt. Op tafel ligt een fotoalbum, vol met gezichtjes. Peuters en kleuters zijn het, een enkele keer een ouder kindje. Sommige hebben een kleurtje, de meeste niet. Eronder staan de naam en de periode van plaatsing beschreven. Nog één pleegzoon woont bij Ria en Peer thuis, opgevoed vanuit de luiers.

Pleeggezinnen zoals de familie Schetters in Breda zijn niet uniek. Maar het pleegouderschap zo lang volhouden, is niet voor iedereen weggelegd. Veel pleegouders breken een plaatsing uit onvrede af, bleek onlangs uit onderzoek. Ria en Peer Schetters kennen de klachten.

Peer: “Wij zijn begonnen in juni 1988. We hadden toen twee eigen kinderen, onze oudste was vier, de jongste twee jaar. Toen wij begonnen was er voor pleegouders nog geen inwerkprogramma zoals nu, met allerlei cursussen. We gingen naar een informatieavond en daar vertelde een maatschappelijk werker wat er allemaal fout kon gaan en hoe vervelend pleegkinderen konden zijn. Na het doorstaan van nog een gesprek waarin vooral doemscenario’s aan bod kwamen, waren we pleegouders. Niet veel later kregen onze eerste plaatsing, meteen twee kinderen tegelijk.”

Peer lacht. “Ik weet het nog goed. Ze zaten allebei in de luiers, net als onze jongste. We gebruikten katoenen luiers en een droger hadden we niet. Het hele huis hing vol met luiers en kleertjes.”

Ria: “Een tweetal was niet de bedoeling, maar het waren broertjes. Moet je die nou uit elkaar halen, die wurmpies? We hadden helemaal geen vergelijkingsmateriaal, geen beeld van hoe we het moesten aanpakken. De twee bleven een maand of negen, ik leerde dat zorgen voor andermans kinderen nog moeilijker is dan voor die van jezelf.”

Peer: “Wij doen crisisopvang en kort verblijf. Bij crisisopvang krijg je plotseling een kind, zonder gebruiksaanwijzing. Hoe wil zo’n kind naar bed? De een wil eerst in bad, een ander juist absoluut niet. Sommige willen een verhaaltje vooraf, even tv kijken of een liedje zingen. En hoe eten ze hun boterham? Eet hij wel brood? Bij ons is eten aan tafel gebruikelijk, maar genoeg kinderen wilden dat niet.”

Ria: “Kindjes konden vaak nog niet praten, dat maakte het extra spannend.”

Peer: “Toch werden ze vaak binnen een paar dagen rustiger, dan durfden ze kind te zijn. Spelen, eten, lachen of chagrijnig zijn. Dan ging je de figuurlijke rugzak leegmaken, kijken of het kind dat wat thuis was gebeurd een plek kan geven. Soms bleek dat een kind veel meer dan verwacht in die rugzak had zitten. Het kwam voor dat niemand dat wist, maar soms bleek achteraf dat de voogd of pleegzorginstelling meer wist dan ons was gezegd.”

Gebrek aan ondersteuning van pleegzorgorganisaties of een moeizame samenwerking met jeugdbegeleiders zijn redenen voor pleegouders om te stoppen. Hoe kijken jullie daar naar?

Peer: “Wij hebben nooit meegemaakt dat een pleegzorgbegeleider er met de pet naar gooide. Wat wel voorkwam, was dat een melding ter kennisgeving werd aangenomen. Dat een begeleider een kwestie bagatelliseert, is denk ik geen onwelwillendheid of gebrek aan erkenning, maar wordt veroorzaakt door werkdruk. Pleegzorgbegeleiders blussen dag in dag uit brandjes. Soms werd een kind veel te laat doorgeplaatst naar een vast pleeggezin. Dan was al duidelijk dat het kind niet terug kon naar de biologische ouders, maar bleef het door drukte bij ons hangen.”

Ria: “Met één kindje moest ik anderhalf jaar lang twee keer per week afspreken met de biologische moeder. Zij was het niet eens met de uithuisplaatsing. Terwijl er kleine kinderen thuis zaten, moest ik naar het pleegzorgkantoor. Anderhalf jaar lang zat daar ik op een bank bij de receptie. Toen deed ik wat ik moest doen. Als een kind naar huis moest, dan werkte je mee. Als een kind twee keer naar mama mocht, dan regelde je dat. Zo zou ik het nu niet weer doen.”

Peer: “Achteraf zijn er veel dingen die je nu anders zou doen. Waarbij je eerder aan de bel zou trekken. En nu kunnen we ook wel een potje breken bij onze pleegzorginstelling. Pleegouders mogen kritisch zijn, maar je moet je rol kennen. Op het pleegzorgforum krijg ik weleens het gevoel dat pleegouders zich te veel de rol van voogd aanmeten en dan achteraf vinden dat ze niet serieus werden genomen. Onze rol is zorgen voor het kind. Al het andere is aan de begeleiders. Je kunt hooguit aan de bel trekken als iets mis gaat.”

Ria: “Ik ben weleens overvraagd. Toen hadden we een baby in huis waarbij ik de moeder leerde hoe ze moest omgaan met haar kind. Daarna werd ik gevraagd om bij te houden of de moeder het al goed kon. Ik zei: dat doe ik niet.”

Een lastige relatie met de biologische ouders is een reden voor pleegouders om te stoppen. Hoe ging dat bij jullie?

Peer: “In het begin was er weleens vijandigheid of wantrouwen. Het idee dat je een kind afpakte.”

Ria: “Dan zei iemand: ga zelf kinderen maken. Maar ik reageerde daar niet op. Ik zorgde voor het kind. Punt. Contact met biologische ouders probeerde ik zo gezellig mogelijk te houden. Als de moeder, vaak was het een moeder, haar kindje vrolijk op een afspraak zag verschijnen, dan was het vaak alweer goed.”

Peer: “Het voordeel van crisisopvang is dat wij het kind in principe niet tot volwassenheid opvoeden. Wij nemen het kind in huis, en zorgen dat dat het goed heeft. En als het kind terug mag, dan mag het terug. Bij afspraken met biologische ouders zorgden we dat kindjes weer eigen kleding aan hadden. De tekening van school ging mee, want die was niet voor ons, maar voor moeders.

“Kijk ook naar je eigen gezin. Past een pleegkind bij jou thuis? Uiteindelijk hebben we drie pleegkinderen van jongs af aan opgevoed. Dat was vooraf niet de bedoeling, maar zij pasten goed in ons gezin. Maar toen onze oudste pleegdochter bij ons bleef, besloten we vier jaar geen crisisopvang te doen.”

Ria: “We hebben de neiging weleens gehad, hoor, om een pleegzorgtraject af te breken. Dat we het gevoel hadden: dit kind is te pittig voor ons en voor de rest van ons gezin.”

Peer: “In dat kind zat zoveel woede, ze was de hele dag boos. Dit kunnen wij niet aan, dachten we, dit moeten we niet doen, de kwaliteiten om dit kind te helpen bezitten wij niet. Op het kantoor van de pleeginstelling hield onze pleegzorgbegeleider de mogelijkheden voor. De voor- en nadelen. Dat weer een overplaatsing schadelijk kon zijn voor een kind. Dat het niet zeker was dat het in een ander pleeggezin beter zou gaan.”

Ria: “Dan kies je vanuit je hart. We hebben onze schouders er nog eens onder gezet.”

Peer, met een glimlach: “Toch is het gelukt. Ze is een hele tijd bij ons gebleven en kon toen zelfs terug naar haar biologische ouders.”

Pleegouders noemden de regelmatige wisseling van pleegzorgbegeleiders en voogden ook als een oorzaak voor onvrede. Herkennen jullie dat?

Peer: “Bij onze vaste pleegkinderen hebben we weleens drie voogden per jaar gehad. Bij die derde moet je wéér je hele verhaal vertellen. Bij pleegzorgbegeleiders is het net zo. Als iemand van baan wisselt, worden alle plaatsingen overgedragen aan een ander. En telkens weer je halve levensverhaal vertellen.”

Ria: “Ik ben een keer heel bot geweest tegen een pleegzorgbegeleider. Ik zei: je leest maar in het dossier wat er in onze keuken zit, zo klaar was ik met al die vragen. Zij bleek achteraf de beste begeleider die we in al die jaren hebben gehad. Heel bijzonder.”

Het woord decentralisatie valt. Peer valt bijna van zijn stoel. “Ik wilde niet negatief doen, hè, maar dit wil ik wel kwijt. Dat die gemeenten zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg moeten bemoeien met pleegzorg is van de zotte. Nu zit er in elk gehucht en elk gat in Nederland een ambtenaar die iets moet vinden van een plaatsing. Die belt op met vragen als: is het echt nodig? Hoogopgeleide professionals hebben ergens zorgvuldig over nagedacht en een ambtenaar moet er zijn plasje er overheen doen.

“Hou op! We hebben eens weken op toestemming van een gemeente zitten wachten, en ondertussen kregen we onze vergoeding niet uitbetaald.”

Nu we het toch over geld hebben: in een reactie op het onderzoek zei de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen dat er wel wat meer overheidsgeld naar de pleegzorg mag. Zijn jullie het met die oproep eens?

Peer: “Aan maatschappelijke waardering ontbreekt het niet. We krijgen vaak complimenten, mensen die ons aanmoedigen en een hart onder de riem steken. Maar de kosten… Twintig jaar geleden namen we deel aan een onderzoek waaruit al bleek dat de vergoedingen in de pleegzorg onvoldoende zijn. Je wilt een kind zo normaal mogelijk laten opgroeien. Maar vanuit de overheid is er één vaste pleegzorgvergoeding van 15 tot 20 euro per dag. Dat is echt onvoldoende. Niemand doet aan pleegzorg om er rijk van te worden. Je vraagt nogal wat van mensen hè, 24/7 voor een kind zorgen. Maar de overheid ziet het als bed, bad en brood.”

Ria: “We kochten een groter huis vanwege de pleegzorg, nu hebben we zes slaapkamers. Met twee eigen kinderen, drie vaste pleegkinderen en maximaal twee tijdelijke plaatsingen hadden we een busje nodig, waarmee we stad en land rond reden voor afspraken, school en sport. Bedenk het maar. Vakanties, verjaardagen, Sinterklaas en Kerst, alles gaat door.

“Ik heb ook nooit gewerkt, de kinderen waren mijn werk. Vriendinnen heb ik niet veel, ik zat meestal thuis. Een gesprek met grote mensen vind ik best moeilijk, na altijd maar met kleintjes in de weer te zijn geweest. Ik was weleens jaloers op Peer hoor, had hij een avond gelachen op werk, terwijl ik thuis zat.”

Peer: “Voor mijn werk zat ik op de ambulance. Als het rustig was, kon ik weleens mijn ogen dicht doen. Bij thuiskomst zei Ria: die was wakker, die heeft gespuugd en die in bed geplast. Nou, dan had ik het beter voor elkaar. Zij heeft vaak harder gewerkt dan ik. Maar nu komen we erachter dat Ria helemaal geen pensioen heeft opgebouwd. Daar is nooit niets voor bedacht.”

Ria: “Ho eens, ik krijg 19 cent op jaarbasis.” Beiden lachen. “Niet dat we zielig zijn, we redden ons best, hoor. En je krijgt er veel moois voor terug. Dat je de biologische ouders ontmoet en het kind vrolijk komt binnenhuppelen en dat zij zeggen: bedankt. Dat is moeilijk om te zeggen, hoor.”

Peer: “We hebben in het leven van een aantal kinderen het verschil gemaakt.”

Ria: “Vijfenveertig ja. Mijn moeder, 87 jaar oud inmiddels, heeft alle namen bijgehouden op een lijstje. We kregen er na 25 jaar een lintje voor, nu zijn we lid van de Orde van Oranje-Nassau.”

Peer: “Hoe het de kinderen is vergaan, weten we in de meeste gevallen niet. Contact houden kan ook niet, want dan zouden we elke week een verjaardag hebben. Pleegkinderen willen de tijd bij ons ook afsluiten. Het is niet de gelukkigste periode uit hun leven, zeker niet bij crisisopvang.”

Ria: “En het kind moest ook uit ons systeem. Ik vond het altijd wennen als een kindje weer weg was.” Met een snik: “Het is nu al lastig om het erover te hebben. Ja, dat ligt gevoelig.”

“Wat je onthoudt zijn de anekdotes. Met een foto erbij herinner ik me elk kind weer. Zoals het vegetarische jongetje dat de eerste avond een frikandel zat te eten. En smikkelen! Pas later hoor je dat. Voor een islamitisch jongetje ben ik speciaal op zoek gegaan naar kipknakworstjes. Ja, die bestaan.”

Peer: “Het fietsen vind ik misschien wel het leukste. Elk paard en koe benoemen, liedjes zingen en onderweg picknicken. Het hoeft niet groots te zijn.”

Ria: “De mooie ervaringen zijn ontelbaar. Kinderen zien opgroeien, eerste stapjes, fietsen, een zwemdiploma, pannekoeken eten of in het badje buiten. Die stralende snoetjes, dat is toch heerlijk?”

Pleegzorg in Nederland

Als een kind niet meer thuis kan wonen, heeft opvang in een pleeggezin de voorkeur. In 2018 woonden 22.741 kinderen voor korte of lange tijd bij in totaal 16.534 pleegouders. Volgens de laatste cijfers uit oktober wachten ongeveer zevenhonderd kinderen op een plek in een pleeggezin.

Jaarlijks stopt zo’n 14 procent van de pleeggezinnen met pleegopvang. 542 gestopte pleeggezinnen namen deel aan een onderzoek van het Nederlands Jeugdinstituut, de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen en Jeugdzorg Nederland. Daaruit bleek dat ruim de helft uit onvrede stopte. Omdat de problematiek van het kind te veel vroeg, begeleiding tekort schoot of omdat het pleegzorgsysteem gebreken kent.

Lees ook:

Veel pleegouders stoppen omdat ze niet goed worden worden ondersteund: ‘Wij zijn geen robots’

Pleegouders vinden dat ze te weinig ondersteuning krijgen, voelen zich niet serieus genomen en hebben slechte ervaringen met jeugdbeschermers. Zij stoppen daarom met het pleegouderschap.

Als een pleegkind niet juichend in je armen valt

Een gehavend kind dat jij weer op de rails kunt zetten – pleegouders beginnen vaak met hooggestemde idealen aan hun nobele taak. Zo ook journalist en schrijver Anna Krijger, sinds zes maanden pleegouder van een jongetje van vier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden