Mylou Frencken.

Tien GebodenMylou Frencken

Mylou Frencken: ‘Schokkend dat sommige mannen in onze maatschappij zich nog altijd onkwetsbaar wanen’

Mylou Frencken.Beeld Mark Kohn

Ze is de dochter van een lieve maar ‘bizarre’ vader, had als student een relatie met haar docent en werd al op haar veertigste weduwe. Jarenlang heeft theatermaker Mylou Frencken (55) het idee gehad dat ze werd geleefd, maar de laatste tijd lukt het heel aardig om zélf het leven vorm te geven.

Arjan Visser

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

‘Vlak voor mijn zesde verjaardag zei mijn moeder dat ze een bijbel voor me zou gaan kopen. Ik had geen idee wat dat was. ‘Een kinderboekje over God’, zei ze. Ik verstond ‘kinderhoekje’, een soort gezellige poppenhoek, maar toen kreeg ik dus dat boek, met een man met een baard op de voorkant. Ik ben vlak voor kerst jarig, het was een stemmig cadeau dat voor mij al snel een gezellige betekenis kreeg omdat mijn moeder er ’s avonds uit voorlas, maar toch… ik kon het niet helemaal plaatsen. Dat lag vooral aan de manier waarop het geloof in mijn omgeving werd beleefd. Ik herinner me dat we een keer met mijn opa en oma, de ouders van mijn vader, naar de katholieke kerk gingen, hoe koud het daar was en hoe raar ik die mannen in jurken vond. Eng, donker, opgesloten: dat is de sfeer die het bij me oproept. Alsof er ineens niks meer mag. Ik kan nog steeds niet tegen dat soort plechtigheid. Er moet een beetje gelachen worden. Ik geloof heus wel in iets ‘hogers’ en ik ken ook mensen die sterker zijn ingetuned op eh de kosmos, of zo, maar ik hou niet zo van al die strenge regeltjes. Je weet zelf vaak wel wat goed of fout is. Ik ben erg van: volg de pijlen.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Ik wil gezien worden. Niet opgaan in de grote, grijze massa. Dat is ook wat ik als kunstenaar probeer te doen: met kleur, vorm en gekkigheid de werkelijkheid nét even een andere draai geven.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Een paar jaar geleden maakte ik, samen met Gerrie Hondius en twee violistes, een eigen uitvoering van de Mattheus Passie, maar de violistes kregen ruzie dus nu gaan we zonder hen in Theater De Liefde een Messias Revue opvoeren. Wie was Jezus? Wat is de betekenis van die gast in ons leven? Ik zou mezelf voor de publiciteitsfoto als Jezus verkleden en Gerrie zei: ‘Je moet even naar Jan Monnikendam’ – dat is feestwinkel, hier in Haarlem – ‘voor een baard en een snor’. Dus ik stapte daar naar binnen en keek mijn ogen uit: er was sinds mijn jeugd helemaal niets veranderd!

Ik zei tegen de best wel vlotte, jonge man achter de toonbank dat ik op zoek was naar de betere plaksnor. Een Jezus-snor. ‘Een Jezus-snor?’ ‘Ja’, zei ik, ‘zo’n zeiksnor.’ Ik geloof dat hij die opmerking niet echt op prijs stelde. En ik denk dat er mensen zullen zijn die de foto – of misschien de revue zelf – een provocatie zullen vinden, maar zo is het echt niet bedoeld. Ik vind het gewoon leuk om er een beetje de draak mee te steken, maar dat mag toch? Jezus is ook van mij. Hij stond in mijn kinderbijbel, hij hoort bij mijn cultuur. Over de snor van Mohammed zal ik niet snel een grap maken, nee. Iets roepen over een religie waar je zo ver van af staat, vind ik ongepast. Als je daar gedoe mee krijgt, is dat volkomen terecht.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Winkelen verdooft en van lekker in het bos rondlopen kan ik ook heel rustig worden, maar op de achtergrond speelt toch altijd de gedachte mee dat er nog van alles moet gebeuren. Ik ben namelijk een enorme uitsteller, een vluchter, een ontwijker. Op maandagochtend doe ik niets, maar dat is ook niet echt een rustmoment; dan ontwijk ik alles gewoon iets hardnekkiger.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Laatst herinnerde ik me hoe ik bij mijn ouders in bed lag. We woonden nog in Amsterdam, aan de Amstel, hoek Herengracht. Mijn moeder ging op een gegeven moment thee zetten, waarna ik zo dicht mogelijk tegen mijn vader aankroop en probeerde om steeds op hetzelfde moment adem te halen.

Ik ben de oudste. Ik was heel erg gewenst. Dat kan ik zien aan de enorme hoeveelheid baby- en kinderfoto’s die ze van mij hebben gemaakt. Voor mijn gevoel kwam er aan die paradijselijke toestand een einde toen we naar Haarlem verhuisden waar mijn vader notaris werd. Mijn broer en mijn zus waren inmiddels geboren. Mijn vader was ontzettend leuk met kleine kinderen en ik was als vijfjarige, denk ik, toch al iets te oud voor hem.

Rond die tijd begon hij ook steeds meer last van allerlei angsten te krijgen. Angsten. Zo werd dat toen nog genoemd. Tegenwoordig zeg je bipolair, of manisch-depressief. Hij was bang voor grote menigten, durfde als we op wintersportvakantie waren ineens niet meer in de skilift en verzon tijdens het WK voetbal een spel met gele en rode kaarten waarmee hij wereldwijd succes zou behalen. Grappig genoeg lachte hij zelf het hardst als er van zo’n idee niks terechtkwam. De grootste klap kwam toen mijn vader als notaris meegesleurd raakte in een bedenkelijke zaak die zijn sombere buien nog zwaarder maakten.

Op een dag vonden mijn broer en zus een afscheidsbrief waarin hij schreef dat hij het Spaarne in zou lopen. Ze vonden hem gelukkig op tijd en hij herstelde min of meer. Twee jaar later kondigde hij aan dat we zijn bevrijding moesten vieren: hij had de navelstreng met zijn moeder doorgeknipt.

Eenmaal met pensioen raakte hij de structuur in zijn leven kwijt en leek hij zich over te geven aan die manische momenten. Als hij zich ‘goed’ voelde, waande mijn vader zich weer jong en bleef hij veel te lang in de kroeg zitten. Hij verwaarloosde zijn gezondheid, liep een longontsteking op en stierf een dag voordat hij eindelijk naar de dokter durfde te gaan. Hij is 74 geworden. Een bizarre, charmante, interessante, grappige man, maar ook een lastige vader die veel aandacht naar zich toe trok.

Het was gezellig bij ons thuis, alles zag er mooi en smaakvol uit, maar ons gezin bestond uit vijf losse mensen. Er was iets. Iets wat lastig te benoemen was. Iets wat er voor zorgde dat we maar moeilijk één geheel konden vormen.

Mijn moeder heeft later nog tien jaar een relatie met een lieve, leuke, attente man gehad. Ik vond het mooi en bevrijdend om haar in een heel ander leven mee te maken. De afstandelijkheid die ik tijdens mijn jeugd weleens had gevoeld – ongetwijfeld veroorzaakt door het gedoe met mijn vader – was helemaal verdwenen. Ze is nu 78. Soms denk ik er aan dat ze op een dag ook dood zal gaan. Dat kan me enorm emotioneren, weet je dat? Want wie ben ik eigenlijk, als mijn ouders er niet meer zijn om mij te zien?

Maar goed, ik ga nu even wat lichten aan doen. Anders word ik somber.”

VI Gij zult niet doodslaan

“In mijn pubertijd hielden mijn vriendinnen en ik een zwarte lijst bij. Er waren bepaalde mensen, die moesten gewoon dood. Het is om je kapot te schamen, maar wij waren niet meer dan een sneu meisjesclubje, bang voor alles en iedereen. En alles wat lastig of moeilijk was, moest maar uit de weg worden geruimd. Nu? Nu hoeft er niemand meer dood. Het is niet zo dat ik milder ben geworden; ik ben altijd mild geweest. Er mag van mij een heleboel. Ik kan me van alles voorstellen en denk al snel: wie ben ik om een ander te veroordelen?”

VII Gij zult niet echtbreken

“Op een gegeven moment kwam ik erachter dat ik me veilig voelde bij tamelijk onveilige mannen. Tot ik Bert tegenkwam (Bert Klunder, cabaretier, regisseur en columnist, overleden in 2006, AV). Hij was groot, steady en in tegenstelling tot de man die ik voor hem had gehad, was hij ook niet het bedriegerstype. Maar Bert was wel dominant. Alles draaide om Bert – precies zoals het bij mijn vader het geval was geweest. Alweer was ik degene die moest inschikken; de vrouw die maar gewoon een beetje om de ander heen moest zien te leven.

Dat was zo verwarrend toen Bert een hersenbloeding kreeg en overleed: ik was er helemaal kapot van, maar het was óók net alsof ik mocht gaan uitvinden wie ik zelf eigenlijk was. Rouw is ingewikkeld. Rouw is zó ingewikkeld. Bert ís er nog steeds. Ik zie hem als ik naar onze dochter kijk. Ik zie hem als ik zijn vrienden uit de cabaretwereld ontmoet. Hij zal altijd bij me blijven.

Mijn huidige man (Frénk van der Linden, journalist en schrijver, AV) kan op zijn manier ook best dominant zijn. Misschien zoek ik, onbewust, nog steeds naar iemand die me gaat helpen als het moeilijk wordt. Wat ik heb moeten leren is: zeggen wanneer ik iets wil. En wanneer niet. Het is een constant gedoe. Frénk is, door zijn getraumatiseerde jeugd en zijn getroebleerde ouders, overdreven beschermend naar mij toe. Ik denk vaak: Jezus, man, ik ben je moeder niet! Bij Bert voelde ik me soms juist in de steek gelaten. Hee, je zou me toch beschermen? Wat krijgen we nou?

Binnen de relatie met Frénk heb ik een gebied gevonden dat groot genoeg is om helemaal mezelf te kunnen zijn. Als ik even de weg kwijt ben, of iets niet begrijp, voel ik dat het ‘mag’ van hem; dat hij het accepteert en liefdevol aanvaardt. In het begin was dat nog weleens lastig. Alles moest meteen uitgesproken en opgelost worden. Dat hoeft nu niet meer. Het komt altijd goed. Daar hebben we allebei vertrouwen in.”

VIII Gij zult niet stelen

“Eerst kon ik er nog wel om lachen dat Rutte graag naar ‘De Toppers’ ging, maar inmiddels vind ik het zó denigrerend, zó afschuwelijk dat we het, in ons leuke Nederland, met dit soort enorme eikels aan de top moeten doen. Het etiket van ‘de linkse hobby’ is weer helemaal terug. Kunst is waardeloos, onbelangrijk en hoeft niet serieus genomen te worden. Ik ben een ei, politiek gezien, maar ik snap al sinds mijn twaalfde niet waarom het nodig is dat de economie almaar groeit. We moeten vooruit! Maar waar naartoe? Ik vind het een griezelig beeld, een beetje zoals het heelal waar maar geen einde aan komt. En is het niet zo dat je door zelf steeds meer te verzamelen anderen tekortdoet?”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Het is goed dat de verhalen over seksueel grensoverschrijdend gedrag verteld worden; dat je niet bang meer hoeft te zijn om voor leugenaar of aansteller te worden uitgemaakt. De dickpic-cultuur die nu wordt blootgelegd lijkt een laatste oprisping: omdat vrouwen veel krachtiger en machtiger zijn geworden, komen we ineens zó dichtbij dat we er met knuppelplaatjes onder gehouden moeten worden. Maar het is vooral schokkend om te merken dat sommige mannen in onze maatschappij zich nog altijd onkwetsbaar wanen.

Ik heb zelf ook met zo’n machtsverhouding te maken gehad. Ik kreeg als 22-jarige student op de Amsterdamse Theaterschool een verhouding met een docent die daar artistiek leider was. Hij zei dat het beter was om er met niemand over te praten, maar daar trok ik me niets van aan. Ik voelde mezelf bijzonder, had ook het idee dat we samen verder zouden gaan, maar vlak voor het einde van de opleiding kreeg ik van hem te horen dat hij weliswaar héél véél van me hield, maar dat het toch beter was om… Afijn, ik werd gedumpt voor een van zijn medewerksters op de Theaterschool op wie hij zijn oog op had laten vallen.

Ik was gekwetst, natuurlijk, maar ik begon ook in te zien hoe slecht ik het had gedaan op school en hoe ver ik, door die volkomen ongelijkwaardige verhouding, van mezelf verwijderd was geraakt. Ik heb me heel lang verdrietig gevoeld. Onzeker. Wiebelig. Ik heb de schoolleiding er op aangesproken, maar er werd duidelijk niets met mijn verhaal gedaan.

Het is gek hoe die dingen kunnen veranderen: toen ik een paar jaar geleden in interviews over vrijuit over die verhouding sprak, werd dat nog door niemand opgepikt. Zelfs nadat ik in Echt Gebeurd (een doorlopende cabaretvoorstelling in Toomler, Amsterdam, georganiseerd door Micha Wertheim, AV) over mijn relatie met de docent had verteld, bleef het stil. Pas in 2015, toen ik had meegewerkt aan een groot Volkskrant-artikel over die relationele toestanden op de Theaterschool kwamen de reacties los. Het was nog voor #MeToo, dus ik moest me al snel verklaren: waarom kom jij, zoveel jaren later, ineens met dit soort aantijgingen? Wat zijn dit voor ouwe koeien? Het raakte me wéér. Ik moest m’n mond houden. Ik had geen recht van spreken. Ik had het toch ook zelf gewild? Zeker, ik moest – en wilde ook – naar mijn eigen rol kijken, maar ik was een studente en hij was de docent die nota bene mijn werk moest beoordelen. En ik bleek dus niet de eerste of de laatste te zijn met wie hij op die manier was omgegaan. Aan die onfrisse cultuur had al veel eerder een einde gemaakt moeten worden.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Als kind had ik een angst om onzichtbaar te zijn. Vergeleken met al mijn mooie neven en nichten vond ik mezelf nogal miezemuizerig. Mijn vader zei altijd, als het over anderen ging: ‘Dat is iemand. Ja, dat is écht iemand!’ Waardoor mijn broer, mijn zus en ik heel lang het gevoel hebben gehad dat we iemand moesten worden.

Ik zit nu in een spannende fase van mijn leven: ik wil als directeur van Theater de Liefde iets voor anderen betekenen, mijn collega’s het podium geven, maar ik zou ook graag over die rare rotzooi in mezelf – al de moeilijk te hanteren gevoelens, al het oude verdriet – nog een paar mooie liedjes willen schrijven. Diamantjes slijpen uit allerlei gruis dat door de jaren heen in mijn reservoir terecht is gekomen. Niet om te bewijzen dat ik het kan, maar om te laten zien wie ik ben.”

Mylou Frencken (Amsterdam, 1966) studeerde aan de Amsterdamse Theaterschool. Ze maakt cabaretvoorstellingen, schrijft de mooiste theaterliedjes – Geduld werd in 2019 nog genomineerd voor de Annie M. G. Schmidt prijs – is al jarenlang de zingende barvrouw in de Max-televisiequiz Met het mes op tafel en runt, sinds september vorig jaar, haar eigen theater in Haarlem. Daar, in Theater De Liefde, speelt ze met haar gezelschap Bear Project van 23 tot en met 26 maart de voorstelling Meisje.

Lees ook:

De overgang: hormonen aan het werk

De advocate, die tijdens een pleidooi opvliegers krijgt. De conductrice, die geen plek heeft om zich op te frissen. De actrice die maar doorspeelt, al heeft ze het bloedheet. Yvonne van den Hurk hoopt dat al die vrouwen, na het zien van haar toneelstuk, het laatste taboe op de werkvloer doorbreken: de overgang.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden