null

EssayFamiliegeschiedenis

Mijn voorvader was als kapitein betrokken bij de dood van ruim driehonderd Afrikanen

Een zoektocht in zijn stamboom leidde Flip van Doorn naar een achttiende-eeuwse kapitein. Romantisch? Nou nee. Het ruim van de Zeelands Welvaren bleek propvol slaven te zijn gestouwd.

Om een idee te hebben waar we heen willen, is het goed te weten waar we vandaan komen. Dat geldt voor de grote geschiedenis, maar ook voor ieder van ons afzonderlijk. Het is een van de redenen dat ik graag in mijn stamboom klim. In kleine, persoonlijke verhalen van voorouders leer ik iets over mijzelf en vaak ook over bredere verbanden.

Enige tijd geleden ontdekte ik in de archieven dat ik afstam van een achttiende-eeuwse zeeman. “Dat zou opa leuk gevonden hebben om te weten”, was het eerste dat ik dacht. Fredrik Woutman, geboren rond 1718, was stuurman en later kapitein van het schip Zeelands Welvaren. Mijn grootvader Johan Hendrik van Doorn maakte als stuurman van de Holland-Amerika Lijn tot 1934 vele malen de oversteek van Rotterdam naar New York en terug. Hij moest eens weten dat een van zijn verre voorvaderen bijna twee eeuwen eerder de wereldzeeën al bevoer.

Als ik verder zoek naar Fredrik Woutman, zie ik dat andere stamboomvorsers al veel meer over hem te weten zijn gekomen. Zijn nakomelingen blijken talrijk en enkelen van hen hebben eerder de archieven afgeschuimd en hun bevindingen online gezet. Allereerst zijn er de data, de kille cijfers. De geboortedatum van Fredrik kennen we niet, maar uit een akte van ondertrouw in het Amsterdamse Stadsarchief blijkt dat hij 33 jaar oud was toen hij op 9 juli 1751 de twaalf jaar jongere Christina Pil ten huwelijk vroeg. Zoals bij veel archiefstukken schemeren tussen de cijfers de onderliggende verhalen door, de emotionele gebeurtenissen die een mensenleven tekenen. ‘Ouders doot’, staat achter zijn naam. Haar vader is wel aanwezig om zijn toestemming te verlenen. Duidelijk leesbaar prijken de handtekeningen van de twee geliefden onder het document. Mijn oud-overgroot­ouders, zeven generaties terug in de tijd.

Wat we ook weten is dat ‘capityn’ Fredrik Woutman overleed op 19 februari 1764, 46 jaar oud, in St. George d’Elmina, een plaats aan de kust van het huidige Ghana. Zijn levensverhaal begint aan een andere kust. Volgens de akte van ondertrouw was hij afkomstig ‘van Aaterendorp’, het huidige Otterndorf, aan de Elbemonding in Duitsland. Hoe hij van daar in Amsterdam terecht kwam vertellen de archieven niet, wel dat hij op 33-jarige leeftijd in de ‘Negelantierstraat’ woonde en negen jaar later een achterhuis kocht aan de Eerste Anjeliersdwarsstraat.

Punten op een blanco vel

Zo kan ik, op basis van de schaarse feiten die ik opdiep, punten zetten op het blanco vel van de geschiedenis. Uit de lijnen die ik naar eigen goeddunken tussen die punten trek, ontstaat beetje bij beetje een beeld. In het bescheiden Otterndorf zal weinig werk zijn geweest, het is geen wilde speculatie te veronderstellen dat mijn voorvader naar Amsterdam kwam, omdat hij daar aan de slag kon. Vroeger of later trad hij in dienst van de West-Indische Compagnie, die het alleenrecht had op de overzeese handel met West-Afrika, het Caribisch gebied en de Amerika’s. En kennelijk was hij een kundig zeevaarder: hij werkte zich op tot stuurman, uiteindelijk tot ­kapitein en kon zich zelfs een eigen huis veroorloven.

De eerste drie kinderen van Fredrik en Christina kwamen ter wereld in Amsterdam. Menselijk leed werpt een schaduw over de archiefbladen: drie keer liet vader Woutman een kind begraven op het Karthuizerkerkhof in de Jordaan. De wieg van het volgende kind, een jongetje dat de naam Fredrik kreeg, stond in 1759 in Vlissingen. Het gezin woonde inmiddels in de stad die thuis­haven was van de Zeelands Welvaren. Nog een jaar later schonk Christina het leven aan een dochter die, net als twee overleden zussen, de naam Alida kreeg.

Nieuwsbladen als de Middelburghse Courant, de Opregte Haerlemsche Courant en de Amsterdamse Courant deden in die dagen trouw verslag van scheepsbewegingen. Wanneer het schip van ‘capt. Woutman van Vlissingen’ arriveerde in ‘Surinamen’ of vertrok naar de ‘Kust van Guiné’, werd daar netjes melding van gemaakt. Uit al die berichten komt duidelijk naar voren dat kapitein Woutman meestal lang van huis bleef, een reis van een jaar of langer was geen uitzondering. Tussentijds bracht hij hooguit twee of drie maanden aan wal door. Tijdens zijn verlof aan het eind van 1762 zal hij bij zijn vrouw hun jongste dochter Margaretha Helena verwekt hebben. De kleindochter van deze Margaretha trouwde met een Van Doorn en was de grootmoeder van mijn grootvader.

null Beeld

Voor wat zijn laatste reis zou worden, vertrok kapitein Woutman op 25 december 1762 van de Rede van Vlissingen. Onwillekeurig moet ik denken aan de legende van de Vliegende Hollander, die speelt in het nabij­gelegen Terneuzen. Tegen alle adviezen in voer kapitein Willem van der Decken op Eerste Paasdag uit. Nog altijd zou zijn verdoemde schip over de wereldzeeën ronddolen, de bloedrode zeilen bollend tegen de wind in. Ook Fredrik keerde niet terug. Zijn jongste dochter zou hij nooit te zien krijgen. Wat hem deed besluiten uitgerekend op Eerste Kerstdag het anker van de Zeelands Welvaren te laten lichten, zullen we nooit te weten komen. Wellicht speelde de weersverwachting een rol, zou de wind gaan draaien of was er storm op komst. Bij Texel werd die dagen melding gemaakt van drijfijs dat de scheepvaart hinderde. Ongetwijfeld waren er ook economische belangen in het spel.

Wreedheden

Hoe verder ik zoek, hoe nieuwsgieriger ik word naar de lading die de Zeelands Welvaren vervoerde. De WIC verdiende flink aan de handel in goud, ivoor, tabak, cacao, zout en suiker, maar speelde ook een grote rol in de trans-Atlantische slavenhandel. De havens die het schip aandeed, voorspellen weinig goeds. En als ik onderzoek doe naar de plek waar Fredrik Woutman zijn laatste adem uitblies, kan ik mijn ogen er niet langer voor sluiten. In St. George d’Elmina stond een Nederlands fort, dat de spil was in de slavenhandel. Voor zover ik kan nagaan, heeft niemand van de mensen die onderzoek deden naar Woutman de moeite genomen daar meer over te weten te komen.

In zijn grondig gedocumenteerde boek Het kasteel van Elmina doet Marcel van Engelen op onthutsende wijze verslag van de manier waarop Nederlanders, Britten, Portugezen, Denen, maar ook lokale volken een winstgevende handel in mannen, vrouwen en kinderen dreven. Mocht ik nog de illusie hebben gehad dat mijn voorvader zich niet met wreedheden zou hebben inge­laten, dan is die na lezing van het boek in rook opgegaan. Na een verblijf van weken, soms maanden, in de overvolle kerkers van het fort van Elmina, werden de gevangen met honderden tegelijk aan boord van de schepen gedwongen. Daar zaten ze halfnaakt vastgeketend aan de scheepswand in een donker ruim, soms letterlijk gestapeld als handelswaar.

Als schrijver Raoul de Jong in zijn boek Jaguarman op zoek gaat naar zijn Surinaamse voorouders, ziet hij het meest op tegen de passages over slavernij. Het woord ‘slaaf’ zet hij bewust tussen aanhalingstekens. Niet alleen om het gekunstelde ‘tot slaaf gemaakte’ te omzeilen, maar om aan te geven dat de slachtoffers meer waren dan wat de slavernij met hen deed. Deze ‘slaven’ waren mensen. Hen tot slaaf maken, was een poging ze te dehumaniseren. Met die ontmenselijking werd een begin gemaakt in Elmina, het fort waar kapitein Woutman in 1764 een christelijke begrafenis kreeg op het grafveld naast de uitpuilende kerkers.

Negen reizen met menselijke koopwaar

Ik kan er niet meer omheen. Op de website Slave Voyages staan negen reizen vermeld van de Zeelands Welvaren met menselijke koopwaar, een ruim vol ‘slaven’. Tijdens vijf van die reizen voerde Fredrik Woutman het bevel over het schip, de kans is groot dat hij op nog eens twee de stuurman was. Ook hier zijn het de kille cijfers die in het oog springen. Op die zeven overtochten alleen bracht de Zeelands Welvaren 1837 ‘slaven’ van Afrika naar Suriname. Dat zijn de mensen die het er levend afbrachten.

In Elmina werden in totaal 2138 personen ingescheept, wat betekent dat 301 van hen de reis niet overleefden. Dat zijn 301 mensen. 301 levens. 301 lichamen die op volle zee overboord werden gekieperd alsof het om afval, om ballast ging.

Als het slavernijverleden ter sprake komt, gaat het vaak over de slachtoffers. Surinamers of Nederlanders van Surinaamse afkomst, die vertellen over voorouders die als handelswaar van Afrika over de Atlantische Oceaan werden vervoerd. Van de nazaten van degenen die dergelijke transporten uitvoerden, horen we opvallend weinig. Ik snap wel waarom, het is een facet van de geschiedenis waar alleen met schaamte op terug te kijken valt.

De nazaten

Ook mijn eigen grootvader voer de Atlantische Oceaan over. Stuurman was hij, tot kapitein heeft hij het nooit geschopt. Er kwam een economische crisis tussen en een oorlog. Lang niet alle passagiers zullen de overtocht met de Holland-Amerika Lijn geheel vrijwillig hebben gemaakt. Veel Joodse inwoners van Europa voelden in de jaren dertig van de afgelopen eeuw het naderend onheil in nazi-Duitsland en namen de wijk naar de Verenigde Staten. Zij gingen wel vrijwillig aan boord en maakten de reis als passagiers, als mensen. De dehumanisering van hun volk volgde later pas, in de concentratiekampen.

Kapitein Fredrik Woutman was onderdeel van een systeem dat mensen weliswaar niet doelgericht vernietigde, maar hun wel hun menselijkheid ontnam omwille van financieel gewin. De vader die drie jonge kinderen moest begraven op het Karthuizerkerkhof in Amsterdam, die zijn jongste dochter – mijn verre voormoeder – nooit in de armen heeft kunnen houden, speelde een actieve rol in de wrede dood van minstens 301 mensen, in het brandmerken van nog eens 1837 anderen. Hun na­zaten ervaren er nog de gevolgen van.

Ik denk niet dat opa het leuk zou hebben gevonden om dat te weten. Ik in ieder geval niet. Het maakt wel dat ik voortaan met geen mogelijkheid onverschillig kan blijven als het Nederlandse slavernijverleden ter sprake komt. Het is er en het is een monster dat we in de bek zullen moeten kijken. Om het te kunnen overwinnen en om richting te kunnen geven aan onze toekomst.

Flip van Doorn is journalist en schrijver. Voor Trouw schrijft hij onder meer wandelverhalen en eerder de rubriek ‘Nutteloze kennis’. Over dat laatste verscheen vorig jaar het boek Hoeveel poten heeft een octopus? Onlangs verscheen van zijn hand De Friezen, een geschiedenis en eerder onder meer Een verzonnen koninkrijk, het verhaal van onze nationale mythe.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden