ColumnMaddy Hulshof

Mijn moeder heeft nog nooit geklaagd over te weinig bezoek

Ze moet wel ergens wonen maar dit is niet haar huis, zegt ze. Als een knokig klein vogeltje zit ze in haar stoel. Je wilt haar onder je vleugels nemen om nog een beetje verder uit te broeden. Mijn moeder woont hier nu twee weken. Nog 102 te gaan voor ze terug kan verhuizen ‘ik hoop niet dat ik dat nog mee ga maken’.

Ze is nooit het type geweest dat somberte stil kan houden. “Wat kunnen we voor je doen zodat dit meer thuis voelt?” vraag ik. Tot nu toe werkten bloemen en baby’s goed. Maar de baby’s zijn verkouden en bloemen wil ze ook niet meer. Niet de gele fresia’s uit haar bruidsboeket, niet de rode rozen van onze vader op haar verjaardag, niet de witte rozen die ze hem gaf bij zijn dood. “Maar mam”, zeg ik “er moeten toch ook goede momenten zijn op een dag?” Ze knikt: “Als ik jou of je zussen aan zie komen fietsen, dan komt er iets van thuis.”

Al is ze dan 91, nog nooit heeft ze geklaagd over te weinig of gevraagd om meer bezoek. Dat doet ze nu ook niet, maar het is best een klus, voor ons als dochters, om haar fundering en beschutting te zijn. Je kunt niet leven en aarden als je moet wachten tot er iets langs komt fietsen. Het is beter dat ze dat zelf kan.

“Kom mam, we gaan lopen op de gang.” Mensen zoeken, verhalen vinden, stevig en geborgen staan achter haar rollator. Ze giechelt en wijst naar mijn mondkapje: ‘Het lijkt wel of je een snavel hebt’. Dat krijg je als je moeder een vogel is. Op de gang wijst ze naar een leeg naambordje. “Dood. Die mevrouw heeft hier maar een week gewoond. Ze is beter af nu.” Ze gaat wat rechter op staan, altijd levendig als het over de dood gaat.

De kamer ernaast: ook een leeg naambordje. “Die mevrouw kende ik nog van vroeger, we woonden tegenover elkaar. Ik was tien en zij was de eerste zwangere vrouw die ik zag. Ze droeg een prachtige groene jurk.” “Ook dood?” vraag ik. Maar nee, deze ruim honderdjarige was zo in de war van de verhuizing dat ze niet meer op deze afdeling kon wonen. “Ze wilde steeds naar huis.”

Er staan drie kamers leeg. “Ik denk dat ze niemand kunnen vinden die hier wil wonen.” En het ligt niet aan de verzorgsters, die vindt ze allemaal even lief. Sommige van hen kent ze uit de tijd dat ze zelf vrijwilliger was in het verzorgingshuis, net als haar zes zussen. Twee keer per week gaan ze naar ‘de oudjes’. Allemaal brengen ze verlichting van andermans ouderdom nu hun eigen nest leeg is. Haar zussen brengen nog steeds koffie rond, strijken de was of bezoeken de eenzamen. Bij dat team wil ze nog horen, aan die kant van de streep wil ze staan. Het is een dun lijntje, “oud zijn went nooit”, zegt ze.

Het is tijd om te gaan, altijd weer die wankelmoedige toon onder het ‘lekker slapen, lief zijn’. Op de gang draven de verzorgsters me voorbij. Grote ogen boven het mondkapje. ‘Corona’, zegt iemand. Morgen breng ik gele fresia’s mee voor de bruid uit vroeger dagen, toen alles nog moest beginnen.

De moeder van columnist Maddy Hulshof is goed van geest, maar oud en haar dagen zat. Ze moet verhuizen en heeft daarover niets te zeggen. Lees al haar columns hier terug

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden