ColumnRob Schouten

Mijn geloof in de dood is de laatste weken nogal versterkt

Ik neem de dood voor lief. Ik geloof erin, niet van harte maar onontkoombaar. Wie zich onsterfelijk waant wordt voor krankzinnig gehouden. Mijn eerste doden, een kat thuis en even later een kanariepiet bij mijn grootouders, bereidden me voor op de dood van diezelfde grootouders en, later, een paar van mijn vrienden. Afgelopen week zag ik op tv hoe een cheeta een haas doodde. Jammer dat het zo moet, maar het is niet anders.

Ik ga uit begraven, bedroefd maar soms ook als een soort held van getroffenheid. En met mij anderen. Schrijvers schrijven ongegeneerd over de laatste adem, en schilders beelden de dood uit alsof ze er op een krukje naast zitten. Ons geloof in de dood is onwrikbaar. Normaal gesproken hebben we geen benul van de sterftecijfers, die schuiven we liever voor ons uit zoals we ook de dood van het slachtvee jarenlang voor ons uitgeschoven hebben. Maar cijfers hoeven ook niet: de dood is er, klaar, we kunnen ermee leven.

De laatste tijd heeft mijn geloof in de dood een nieuwe dimensie gekregen, die van de getallen. Dagelijks krijgen we te horen hoeveel mensen er in het ziekenhuis aan het coronavirus zijn gestorven. Eerst liepen de aantallen op, nu lopen ze terug. Die getallen zeggen niet alles, wordt ons op het hart gedrukt, er wordt ook buiten de ziekenhuizen aan het corona­virus gestorven en er wordt ook buiten het ­coronavirus nog gewoon gestorven, het CBS berekent wekelijks onze sterfte en oversterfte. Ik weet het, meten is weten, maar ik ga het niet narekenen, ik geloof het zo ook wel.

Mijn geloof in de dood is de laatste weken nogal versterkt. Komt door al die berichten erover, door de filmpjes van mensen die er dichtbij hebben gestaan. Ik ben op internet gaan kijken hoe het volgens de kenners precies zit: er sterven op aarde iets meer dan honderd mensen per minuut, in Nederland 2900 per week, dat is een dikke 400 per dag, elk uur een stuk of zeventien, dat betekent dat om de drieënhalve minuut iemand de geest geeft. Dat alles geloof ik en ik geloof het heftiger dan zeg twee maanden geleden, toen de dood nog op veilige afstand lag te loeren, als een cheeta in het hoge gras zeg maar.

Een hap uit de werkelijkheid

Geloof is een even alledaags als opmerkelijk verschijnsel. Het ware geloof (in God, de wetenschap, de anderhalvemetermaatschappij) neemt als het ware een hap uit de werkelijkheid, die er een beetje onechter van wordt ten faveure van een hogere werkelijkheid. 

Vorige week verliet ik voor het eerst in weken Amsterdam om met de trein naar Utrecht te reizen: een surrëele belevenis, lege straten, een leeg station (Amsterdam Zuid), een lege trein, weer een leeg station (Utrecht Centraal!), lege straten en vice versa. Mijn geloof in de coronacrisis en haar doden hield me op de been. Ik schikte me in de nieuwe rituelen van de tellende wetenschap en de grote gelo­vigen in de landsregering. En ik voelde me een beetje zondig omdat ik iets deed wat niet hoorde, al moest het in dit geval. ‘It’s the belief and not the God that counts’ (Wallace Stevens).

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden