LevenslessenMarokko

Migratiehistorica Nadia Bouras: Als je geen Marokkaans paspoort meer wilt, begrijp ik dat

Beeld Merlijn Doomernik

Ze schreef een boek over haar basisschool in Amsterdam-Zuid, speciaal voor kinderen van Marokkaanse gastarbeiders. Migratiehistorica Nadia Bouras (38) snapt als Marokkaanse Nederlanders nu afwillen van hun Marokkaanse paspoort. ‘Mensen denken dat ik hier anders in sta, maar niets is minder waar.’

1 Zoek het avontuur

“Mijn moeder is de baas in huis. Bij gastarbeiders is het vaak zo dat de man geschoold is en de vrouw niet. Bij mijn ouders is het omgekeerd. Zij is de in Casablanca geboren stadsvrouw. Ze is geschoold, spreekt Frans, leest boeken. Hij is opgegroeid op het platteland, een eenvoudige analfabete herdersjongen uit het zuiden van Marokko die op blote voeten tussen de ezels liep.

Zijn oudere broer was in 1965 als een van de eerste gastarbeiders het dorp uitgetrokken en een paar jaar later was mijn vader de enige overgebleven man. Hij liet toen aan zijn broer een brief schrijven: ‘Je moet me helpen, er zijn hier alleen nog vrouwen en geiten.’ Niet lang daarna werkte hij in Amsterdam.

Nadia Bouras (Amsterdam, 1981) is als migratiehistoricus verbonden aan de Universiteit Leiden. Ze groeide op in een gastarbeidersgezin, studeerde geschiedenis aan de Vrije Universiteit en verdedigde in 2012 haar proefschrift ‘Het land van herkomst’, over de vraag hoe de Marokkaanse gastarbeiders in Nederland integreerden en in hoeverre ze banden met Marokko bleven onderhouden. De afgelopen jaren doet ze vooral onderzoek naar de tweede generatie Marokkaanse Nederlanders. Samen met Hassnae Bouazza maakte ze ‘De klas van ’94’, een in 2019 uitgezonden documentaire over de Bouschraschool. Haar boek ‘Een klas apart. Biografie van een Arabische school in Amsterdam-Zuid’ (uitgeverij Boom, € 20) verschijnt door de coronacrisis niet deze maand, maar komend najaar.

Hun vader, mijn opa, was een ruwe man. Laatst kwam ik erachter dat hij heeft meegevochten in de Spaanse Burgeroorlog. Wel aan de verkeerde kant, die van Franco, maar vechten betekende inkomen. Na een jaar keerde hij terug in het uniform van een gesneuvelde Spaanse sergeant, over zijn schouder twee grote zakken waarin suiker, graan en een grote som geld zat. Vanaf dat moment was hij de gevierde man in het dorp. Ik vind het een bijzonder verhaal omdat het laat zien dat migratie, het opzoeken van het avontuur, kennelijk toen al in de familie zat.”

2 Migratie komt met een trauma

“Op mijn eenentwintigste trok ik er zelf op uit. Ik kreeg faalangst toen ik voor mijn rijexamen zakte. Tot dat moment ging alles me gemakkelijk af. Het vwo deed ik met twee vingers in de neus en voor tentamens haalde ik hoge cijfers. Voor het eerst kreeg ik te maken met tegenslag. Ik voelde me een mislukkeling en zat bibberend boven mijn studieboeken.

Ik wist dat ik weg moest en ging in Amerika, in New Jersey studeren. Het was doodeng en ik heb de eerste week alleen maar huilend aan de telefoon gehangen. Telkens zei mijn moeder dat ik er doorheen moest, dat ik me niet moest aanstellen, dat het goed zou komen. En na een tijdje ging het goed. Het was een kentering in mijn leven, ik ontdekte dat ik iemand ben die nooit opgeeft.

De heimwee die ik voelde, zal mijn moeder hebben herkend. Aanvankelijk was ze niet zo gelukkig in Nederland. Ze verlangde naar Marokko en was verbitterd omdat ze haar ambities had moeten opgeven. Ik heb een oudere zus, een tweelingzus en twee broertjes. Wij merkten dat ze verdrietig was. Migratie komt met een trauma. Je moet alles achterlaten, je aanpassen aan een nieuwe omgeving.

Dat trauma is doorgegeven aan de tweede generatie, mijn generatie. De verwachtingen thuis en de verwachtingen die de samenleving van je heeft, komen niet altijd overeen. Constant moet je dingen uitleggen aan je ouders: snap nou toch dat het daar buiten zo werkt! Ik voelde me verscheurd. Tegelijk kon ik niet boos zijn op mijn vader en moeder, want ze zijn van zo ver gekomen.”

3 Je bent hier om te werken

“Mijn vader was hip. Veel mensen denken bij gastarbeiders aan vrome moslims, maar het waren stoere jongens met een afro en modieuze hippiekleding. Ze waren ongebonden en anders speelden ze wel de vrijgezel. Knappe jongemannen, die keihard werkten en in hun vrije tijd op hun paasbest uitgingen en de aandacht van vrouwen trokken.

In 1976 stierf mijn opa. Mijn vader had gezworen dat hij niet terug zou gaan naar Marokko, maar nu moest hij wel voor zijn begrafenis, in de buurt van Agadir. Hij dacht: nu ik er toch ben, wil ik wel trouwen. Hij liet zijn oog vallen op mijn moeder. Zij had helemaal geen zin in een huwelijk, want dat betekende naar Nederland emigreren.

Haar vader bepaalde dat er getrouwd werd. Hij was in Casablanca een strenge pater familias tegen wie je geen nee kon zeggen. Hij was de familiebankier en had een grote kluis waarin hij alle belangrijke documenten van de familie bewaarde. De buurt had ontzag voor hem. Naar de markt flaneerde hij in een chique djellaba met een fez op zijn hoofd. Als hij terugkwam, renden alle jongens uit de straat hem tegemoet om zijn boodschappentassen over te nemen.

Mijn moeder was in Amsterdam pas blij toen ze als kok aan de slag kon in het bejaardentehuis waar mijn vader uiteindelijk veertig jaar huismeester was. Het bracht haar vrijheid. Het werd een soort familiebedrijf toen mijn tweelingzus en ik op ons vijftiende daar in het weekend ook gingen werken, als afwassers. Zondagochtend vroeg moesten we beginnen, wat hadden we er een hekel aan. Mijn vader zat al in de auto als wij nog onder de douche stonden: je komt op tijd, zeurt niet, bent loyaal aan je werkgever. Hij nam ook nooit vrij, want je bent hier om te werken.”

Beeld Merlijn Doomernik

4 Strijd voor onafhankelijkheid

“Laat niemand over je heenlopen, ook je man niet, dat bracht mijn moeder ons bij. Bevecht je onafhankelijkheid. Dat hebben we ter harte genomen, soms zelfs meer dan ze had gewild. Toen mijn broers, zussen en ik op onszelf gingen wonen of alleen op reis gingen, was dat voor mijn moeder toch moeilijk. Of zat er iets van afgunst bij, had ze zelf zo willen leven?”

5 Weet waar je wortels liggen

“Ik ben opgegroeid in de Pijp, in de jaren tachtig en begin negentig een ruige buurt – kinderlokkers, junkies. Mijn broertje kwam een keer thuis met allemaal heroïnenaalden: ‘Kijk, we kunnen doktertje spelen!’ Toch was het een fijne plek. We speelden veel op straat. Fietsen, voetballen, een gelukkige jeugd. We gingen naar de Bouschra, een Arabische basisschool in de Rivierenbuurt die was opgericht door een domineesechtpaar. Er zaten alleen maar kinderen van Marokkaanse gastarbeiders op. Het was geborgen en de Cito-scores waren uitstekend. Dat ontdekte ik in de archieven van de school die ik voor de documentaire ‘De klas van ‘94’ en mijn boek ‘Een klas apart’ doornam – ik had nul fout!

De beste leraar was Giel, die als Limburger zelf een vreemdeling was in Amsterdam. En hij kwam uit een groot katholiek nest. Nou, op de Bouschraschool, waar trouwens ook oud-politica Fatima Elatik leskreeg, waren grote gezinnen doodnormaal. Hij herkende veel, je hoefde hem niets uit te leggen. ‘Waarom zijn jullie hier?’ vroeg hij ons in groep 8. Ja, dit is toch gewoon de school, waar heb je het over? ‘Waarom zijn jullie in Nederland? Jongens, jullie zijn hier omdat jullie vaders gastarbeiders zijn!’ Daar hadden wij nog nooit van gehoord. ‘Om je ergens thuis te voelen moet je weten waar je wortels liggen’, zei Giel. Ik kon toen niet bevroeden dat ik achttien jaar later als migratiehistorica zou promoveren op hetzelfde onderwerp; hij schudde iets in me wakker.”

6 Wees goed voor mens en dier

“Als tiener schaamde ik me voor de Bouschra. Wat zouden ze op de middelbare school denken als ze wisten dat ik op een Marokkanenschool had gezeten? Als migratiehistorica weet ik dat het belangrijk is om trots te zijn op je achtergrond. De twee werelden waar je uit komt, maken je tot wie je bent en zorgen ervoor dat je makkelijk tussen twee werelden kunt laveren. Omarm dat.

Na de aanslag op Twin Towers in 2001 heb ik me uit zelfbescherming lange tijd niet als moslim willen profileren. Er zat zoveel agressie en hardheid in het debat. Mijn religie werd ineens publiek eigendom. Later realiseerde ik me dat het toch goed is om te laten zien dat er heel veel smaken moslims zijn.

Er zijn momenten dat ik erg spiritueel ben en dicht bij God sta en momenten dat ik dat allemaal niet heb. Ik ben niet van de geboden en verboden, maar mijn dochters weten dat er een ramadan is, hoe je kunt bidden. De jongste zit in groep 1 en had veel zin in wat zij noemde ‘het suikerspinnenfeest’. De oudste van zeven vraagt weleens wat het betekent om moslim te zijn. Mijn antwoord: dat je goed bent voor andere mensen en voor dieren, dat is voor mij de essentie. Toen ik opgroeide, kreeg ik hel en verdoemenis gepredikt. Ik wil mijn kinderen graag alle ruimte geven voor vragen en twijfels.”

7 Laat Marokkaanse Nederlanders Nederlander zijn

“In de collegezaal, op Twitter, in opiniestukken: ik weet dat als ik me uitspreek ik gezien word als iemand met een Marokkaanse achtergrond. Maar ik vertegenwoordig niet de Marokkaanse gemeenschap. Ik koester dat we allemaal individuen zijn en wil me niet laten gijzelen in een groep.

De wens om je Marokkaanse paspoort op te geven, waar sommige Marokkaanse Nederlanders nu voor strijden, is heel legitiem. Keuzevrijheid is een groot goed. Er kleven nadelen aan die dubbele nationaliteit, aan de Marokkaanse nationaliteit. Hieraan zie je dat de Marokkaanse gemeenschap niet homogeen is. Die meerstemmigheid is belangrijk en relevant. Bovendien zegt een dubbele nationaliteit niks over verbondenheid met Marokko. Vaak wordt gedacht dat ik er anders in sta of juist heel erg op de bres sta voor de Marokkaanse autoriteiten. Niets is minder waar.”

Beeld Merlijn Doomernik

8 Een gastenkamer is niet nodig

“In Marokkaanse families is gastvrijheid een groot goed. Dat gaat zover dat veel families een gastenverblijf inrichten in hun huis: een prachtig aangekleed vertrek, waar niemand anders dan de logés mogen komen. Toen we verhuisden naar een eengezinswoning in Nieuw-Sloten richtte mijn moeder meteen een gastenverblijf in. Het was de mooiste kamer, terwijl we hem met vijf kinderen zelf goed konden gebruiken.

Jaren geleden ontmoette ik een Marokkaanse mensenrechtenactivist. Hij zei: ‘Het is niet noodzakelijk om een gastenkamer te hebben.’ Ik begreep direct wat hij bedoelde. Gastvrijheid is belangrijk, maar er zijn grenzen. De ruimte die je een ander gunt, mag je zelf ook nemen. Bewaar niet het mooie servies voor de gasten, maar trek het elke dag uit de kast. Sindsdien drink ik thuis nooit een tweede kop koffie uit dezelfde kop. Ik gun mezelf een schoon exemplaar, dat verdien ik.”

Trouw vraagt wekelijks een bekende of minder bekende Nederlander: welke levenslessen heeft u geleerd?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden