Tien gebodenMichiel van Erp

Michiel van Erp: ‘Ik voel steeds meer de noodzaak om discriminatie aan de kaak te stellen’

Documentairemaker Michiel van Erp. Beeld Mark Kohn
Documentairemaker Michiel van Erp.Beeld Mark Kohn

Michiel van Erp (Eindhoven, 1963) is documentairemaker, toneel- en filmregisseur. Tussen 28 december en 1 januari is zijn dramaserie I.M. – naar de roman van Connie Palmen, geschreven door Hugo Heinen – dagelijks te zien op NPO 1.

I. Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

“Het zou mooi zijn als ik kon geloven, als ik ervan overtuigd zou zijn dat er een leven is na de dood, maar helaas. God bestaat niet, denk ik, en ik ga straks gewoon weer op in het grote niets. Waartoe ik dan op aarde ben? Om de wereld mooier te maken, om inzichten door te geven en om een goede vriend te zijn die er altijd op zal letten dat de groep bij elkaar blijft en niemand buiten de boot valt.”

II. Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

“Om het iets breder te trekken: ik vind dat je niet nodeloos moet kwetsen of zomaar anderen mag veroordelen. Het zal vast iets met dit corona-jaar te maken hebben – er zijn te weinig uitlaatkleppen – maar ik vind dat we op dit moment dramatisch slecht met elkaar omgaan. Mensen die hun best doen om de crisis in goede banen te leiden worden met de dood bedreigd, politici worden op straat uitgescholden en in Arnhem werd een man vanwege zijn seksuele geaardheid door een groep pedo-jagers vermoord. Dat laatste, die groei van anti-pedo-netwerken, is echt verontrustend. En dat allemaal onder het mom van ‘wij komen op voor onze kinderen’. De politiek zou zich strenger moet uitspreken tegen de agressie en het steeds groter wordende verlangen om voor eigen rechter te spelen. Pedoseksuelen maken deel uit van de maatschappij.”

III. Gij zult de dag des Heren heiligen

“Misschien heb ik het tijdens de opvoeding meegekregen – ik kom uit een middenstandersgezin – maar ik vind het gewoon erg prettig om wakker te worden en te weten wat ik die dag ga doen. Er moet elke dag iets gebeuren, ja. Dus, rust nemen eh... hoe doe je dat eigenlijk?”

IV. Eer uw vader en uw moeder

“Mijn moeder is katholiek opgevoed en mijn vader is het later geworden, om met haar te kunnen trouwen. Na hun huwelijk wilden ze niet meer zoveel met de kerk te maken hebben. Er was respect voor meneer pastoor en zo, maar verder leek het vooral op een soort woede die ze tegen het geloof hadden ontwikkeld. We hebben ook geen doopnamen gekregen en over het doen van de heilige communie zeiden ze: ‘Dat moet je pas doen als je het echt zeker weet’. Geen van ons heeft communie gedaan. Ik weet niet zo goed waar die aversie vandaan kwam. Ik kan het mijn vader niet meer vragen en ik wil niet namens mijn moeder spreken. Maar er is niks mis met een beetje aversie, toch? Ze waren ruimdenkend. We – ik ben de derde in een rij van vier jongens – zijn in een joviale, makkelijke sfeer opgegroeid; ik heb me nooit, op een enkele manier, geremd gevoeld.

“Mijn ouders hadden een muziekwinkel en er werd bij ons thuis ook muziekles gegeven. Misschien had mijn moeder iets meer tijd om dingen te bespreken, maar ze was zeker niet iemand die ’s middags om drie uur klaar zat met de thee om te horen wat er allemaal was gebeurd op school. Ja, als het nodig zou zijn, maar dat was het nooit. Geen idee of het nature of nurture is, maar ik ben niet iemand die gaat zitten piepen. Pak het leven bij de kladden. En ik ben ook niet iemand die veel terugkijkt. Ik zal je een voorbeeld geven: komend voorjaar gaan we, na vijftien jaar, verhuizen. We woonden hiervoor op een boerderij en hebben destijds heel veel spullen meegenomen. Die staan nu op zolder, een leven in dozen. Omdat we minder ruimte hebben in ons nieuwe huis, ben ik nu alles aan het uitzoeken. Ik heb inmiddels zo’n tachtig procent weggegooid. Ik zeg niet dat herinneringen me niets doen, maar waarom zou ik het verleden met me meezeulen? Ik vond ook de toespraak die ik had gehouden bij de uitvaart van mijn vader. Daar stond in dat ik hem wilde herinneren als het grote voorbeeld in mijn leven. Hoe fier hij was op zijn werk als muzikant en leraar, hoe hij altijd zijn dromen had nagejaagd en hoe erg het was dat daar met zijn dementie, negen jaar voor zijn dood, een einde aan was gekomen. Dan lees ik zo’n briefje en denk: ja, dat klopt. Zo was het. En daarna gooi ik het weg. Wat heeft het voor zin om daar uren over te gaan zitten mijmeren? Of, om nu te gaan denken over de mogelijkheid dat mijn moeder, 84 inmiddels, mogelijk dood zou kunnen gaan? Hoezo? Ze is net verhuisd!

“Ik ben niet ongevoelig of zo, maar ik ben geen zwelger die zich in het verleden begraaft. Ik wil leven.”

V. Gij zult niet doden

“Jan, een vriendje van de middelbare school, heeft op zijn vijftiende zelfmoord gepleegd. De impact van die gebeurtenis is bepalend geweest voor de rest van mijn leven. De schok, dat iemand van mijn eigen leeftijd zijn leven beëindigt – ik vraag me tot de dag van vandaag af waarom hij dat heeft gedaan – maar vooral ook de reactie van de volwassenen, met name de paters op onze katholieke school. Het gebeurde tijdens carnaval. Na de vakantie kwam ik, nog behoorlijk overstuur, terug op school, terug in de klas, naast Jans lege bank, en merkte dat er helemaal niet over zijn dood werd gesproken. Op het mededelingenbord hing alleen maar een briefje, met z’n naam en de dag van zijn overlijden. Een paar maanden eerder was ik erbij geweest toen een meisje van school onder de vrachtwagen terecht kwam. Haar dood werd groots, heel katholiek herdacht in de kerk en in de kapel bij ons op school, maar kennelijk was zelfmoord iets zondigs en werd er bijna geen aandacht aan besteed. Heel af en toe voelde ik op de gang ineens de hand van een pater op mijn schouder, zo van: gaat het, jongen? Verder bleef het stil. Die onhandigheid van de volwassenen om me heen heeft er voor gezorgd dat ik sneller zelfstandig ben geworden. Ik bedacht dat ik mijn eigen geluk moest najagen, dat het mijn eigen verantwoordelijkheid was en niet die van mijn ouders of van de leraren op school. En ja, dat andere: er op letten dat niemand buiten de boot valt. Ik ben heel alert: gaat het écht goed met je? Ik móet het weten. Ik wil niet nog eens iemand zomaar kwijtraken.”

VI. Gij zult geen onkuisheid doen

“Ik maak een documentaireserie over de geschiedenis van de LHBTIQ+-gemeenschap en ik heb ontdekt dat ik eigenlijk gewoon een saaie, ouderwetse cis-homo ben: geboren met een piemel, met een voorkeur voor mannen en ook nog eens wit. Tijdens de interviews die ik doe, komen ook al die coming-outverhalen nog een keer voorbij, het ene nog vreselijker dan het andere, maar ik heb daar helemaal geen ervaring mee. Toen ik wist dat ik echt op jongens viel, ben ik dat ook maar gaan praktiseren. Mijn ouders hadden er totaal geen problemen mee en ik hoorde ook niet bij een kerk die mij van onkuisheid kon betichten. Op mijn achttiende kreeg ik een relatie met Paul en we zijn nog altijd samen, dus, nee, geen worsteling voor mij, maar dat wil niet zeggen dat ik niks merk van de toenemende intolerantie. Ik vind het echt onbegrijpelijk dat iemand als Youp van ’t Hek weer eens herhaalt dat ‘pisnicht’ een ‘gewoon Jordanees scheldwoord’ is (interview van Sarah Berkeljon in de Volkskrant, 5 december j.l., AV). Oké, een Jordanees scheldwoord, maar dan hoef je het toch nog niet te gebruiken? Wat is er nou zo moeilijk aan om te zeggen: had ik niet moeten doen? Of: het was toch iets minder grappig dan ik had gedacht? Ik merk ook verharding op straat. Niet eens zo lang geleden – pre-corona – kon je niet rustig op het terras zitten van een homocafé hier in buurt, Café Prik, omdat er voortdurend van die jongens op scooter stopten, ons verrot scholden en dan weer verder reden. Op een gegeven moment hoor je het niet meer, je legt je erbij neer, maar het is natuurlijk helemaal niet goed. Ik voel steeds meer de noodzaak om me uit te spreken, om discriminatie aan de kaak te stellen. Vandaar ook die documentairereeks. Ik geloof dat het tijd is voor de homobeweging om weer iets strijdlustiger te worden.”

VII. Gij zult niet stelen

“Laatst kreeg ik van twee jongens van de Filmacademie een filmpje opgestuurd. Of ik daar even naar wilde kijken. Ik zag meteen waarom ze wilden weten wat ík er van vond: het leek namelijk precies op het werk dat ik vroeger maakte. Ik zeg dan niet tegen die jongens dat ze het van mij hebben gepikt of afgekeken, waarom zou ik? Ik heb door de manier waarop ik in mijn documentaires met een soort vrolijke compassie de zwoegende mens in beeld heb gebracht, een eigen taal ontwikkeld en ik vind het alleen maar leuk dat ik daar anderen mee heb kunnen inspireren. Aan wie ik zelf schatplichtig ben? Eh... Ik denk er nu serieus over na hoor... maar, nee. Niemand. Vind je het raar dat ik dat zeg?”

VIII. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“Connie – de échte Connie noem ik haar tegenwoordig – heeft bij het verschijnen van haar roman ‘I.M’, in 1998, al gezegd: ‘Dit is mijn Ischa’. Hugo Heinen, de scenarioschrijver, en ik hebben met de verfilming van haar roman onze Ischa Meijer gecreëerd door niet alleen het boek, maar ook allerlei andere gegevens uit zijn leven te gebruiken en daar bovenop nog dingen te verzinnen – Verdichtung is een beter woord – die de serie nóg waarachtiger maken. De waarheid is een gevoel. Zo is er een scène waarin Connie en Ischa samen naar zijn ouderlijk huis gaan. Hij wil niet naar binnen. Zijn ouders willen hem niet zien en hij hen niet. Even later staan ze wat te mijmeren bij de pier en dan barst hij ineens in een lied uit want ja, zingen is op dat moment beter dan praten. Op die manier kon ik ook laten zien hoe getroebleerd Ischa’s ziel in mijn ogen is. Het is natuurlijk niet echt gebeurd, maar ‘La Mer’ van Charles Trenet was wél een van hun lievelingsliedjes. En ik kan me voorstellen dat, als Ischa Meijer deze serie zélf zou hebben gemaakt, hij zichzelf óók zingend zou hebben opgevoerd.”

IX. Gij zult geen onkuisheid begeren

“Paul en ik waren al vijfentwintig jaar samen toen we twaalf jaar geleden zijn getrouwd. Of ik hem ook trouw ben? God, nu kom je op een terrein, haha! Oké, laat ik het zo zeggen: ik ben hem trouw in de liefde, maar seksuele trouw is niet iets wat ik nastreef. Soms is er toch gewoon een vonk tussen twee mensen? Een paar weken geleden was ik nog met iemand met wie ik wel vaker seks heb. Dat is geen relatie naast mijn huwelijk; ik zie het gewoon als een avontuur, iets wat af en toe kan gebeuren. Het is uitgesloten dat het méér wordt dan dat. Ik ben met Paul.

“We groeien samen, we verkennen nieuwe richtingen en gaan daarin heel gelijk op. Ik heb in al die jaren nog nooit gedacht dat ik niet langer een relatie met hem zou willen hebben. We hebben het fijn samen. Ik hou wel van een paar rafelrandjes, maar ik hou nóg meer van overzicht.”

X. Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Misschien heb ik soms een beetje last van jalousie de métier, maar als ik iets moois zie, ben ik vooral nieuwsgierig naar: hoe hebben ze dát nou voor elkaar gekregen? Het leukste deel van mijn werk vind ik het werk zelf. Bedenken, onderzoeken, maken. Ik heb mijn eigen universum gecreëerd. Het dijt hier en daar nog wel iets uit, maar ik merk voor het eerst dat ik goed moet gaan bedenken wat ik nog wil doen. Ik ben nu 57. Laten we zeggen dat ik nog 15 jaar doorga met werken, dan heb ik dus ruimte voor zo’n vijftien projecten. John Appel (documentairemaker, AV) heeft een paar jaar geleden in een interview gezegd dat hij eerst een tijdje wil optrekken met degene die hij gaat portretteren om zeker te weten of hij wel een jaar aan zijn onderwerp wil spenderen. Toen ik dat las, dacht ik nog: waarom ga je niet meteen draaien? Is toch veel spannender? Inmiddels ben ik het wel met hem eens: wat ik ga doen moet vooral wezenlijk en verdiepend zijn. Ik kan het me niet meer veroorloven om te zeggen: ah joh, we zien wel. Ik vind het ook heerlijk om te kijken naar de jonge generatie die aan de poort staat te rammelen. Je kan er schamper over doen, zeggen dat het een hype is – de strijd van de LHBTIQ+-gemeenschap, het klimaatactivisme, Black Lives Matter – maar dat zijn wel de mensen die het over twintig jaar voor het zeggen hebben en je doet jezelf tekort om je niet in hun beweegredenen te verdiepen.

“En uiteindelijk houdt het op, ja, dat weet ik wel, maar met eindigheid hou ik me absoluut niet bezig. Ons nieuwe huis heeft een lift. ‘O, daarom hebben jullie het natuurlijk gekocht, alvast voor later!’ Nee! Je zult mij ook niet ‘ons laatste huis’ horen zeggen. Ik zit vol plannen, ik ben nog net zo avontuurlijk als altijd. Ik ben niet iemand die een boom op wil zetten over betrekkelijkheid van het leven. Ik heb nu I.M. gemaakt, daar ben ik fier op. Ik ben benieuwd of mensen er door geraakt zullen worden, of de serie hen misschien op nieuwe gedachten brengt. En als de laatste aflevering is uitgezonden? Dan laat ik weer iets nieuws zien. Zo gaat mijn leven, zowel qua werk als privé: het staat nooit stil.”

Lees ook: Michiel van Erp: ‘Het studentenleven is beslist een cliché, maar ik gebruik het als arena’

Hij is gelauwerd documentairemaker en nu debuteert Michiel van Erp met zijn eerste speelfilm ‘Niemand in de stad’. Over drie studenten die worstelen met zichzelf en hun vaders. Een verhaal dat hij herkent. ‘Ik weet nog wel dat ik op mijn zestiende dacht: o god, straks ben je achttien en dan?’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden