Beeld Trouw

PoëzieJanita Monna

Met de kinderen naar Westerbork

Het is eind december en het is koud. We kruipen diep in onze kragen, trekken handschoenen aan. De auto hebben we geparkeerd, de laatste kilometers lopen we. 

De jongste had op school de Tweede Wereldoorlog behandeld. Er waren oma’s in de klas geweest en opa’s die over de oorlog hadden verteld, ze hadden een tentoonstelling gemaakt, iemand had zelfs een bonnenboekje meegenomen. De oorlog had zijn hoofd gevuld met verhalen. En toen het kerstvakantie was, vroeg hij: ‘Kunnen we een keer naar Westerbork? Daar was Anne Frank ook, wist je dat?’

Het is stralend winterweer. Het pad loopt langs open velden en door dicht donker bos. Houten vlonders zijn over vennetjes gelegd. We zouden kunnen genieten van vogelgeluiden, van dennengeuren, natuurschoon, maar dat lukt niet voluit. Er staan palen langs de route met daarop een plaatsnaam, een datum, een aantal mensen. Joden en Sinti en Roma. Ze markeren de transporten. Naar Auschwitz, Sobibor, Bergen-Belsen.

De trei­nen vertrokken op dinsdag. Midden op het voormalige kamp Westerbork herinnert een houten treinwagon, een rode goederenwagon aan die transporten. We luisteren naar namen. Iedere naam een leven.

Er was hier een school, een ziekenhuis, zelfs een speeltuin

Het terrein is weids, door bomen omzoomd. In de verte de wachttoren. Kleine glooiingen in het open veld laten zien waar eens barakken stonden. Er was hier een school, een ziekenhuis, zelfs een speeltuin. Er was leven. Maar nu is de plek waarvandaan 107.000 mensen naar de vernietigingskampen werden gedeporteerd vooral leeg en juist de leegte maakt ons stil. Niemand schopt tegen een steentje. Dit is geen plek om foto’s te maken.

De verbeelding wordt aangewakkerd door nog meer verhalen, uit luidsprekers klinken fragmenten uit een kinderboek van Martine Letterie:

“Bij de deuropening staat de meneer die de baas is van de barak. Hij begint voor te lezen. Het is geen verhaal, maar het zijn namen. Eerst noemt hij een achternaam, dan de voornaam. ‘Bos, Louise… Bos, Sara’. Een meisje begint te huilen, maar de man leest door. Het is naar, want na elke naam wordt er iemand boos of verdrietig. (…) Mama legt het uit. ‘Als je naam wordt voorgelezen, moet je met de trein mee en dat wil niemand.’ Dat begrijpt Rosa. Zij heeft de trein gezien en daar wil geen mens in.”

We lopen om het staketsel van een barak. Later zien we in het Herinneringscentrum Westerbork een filmfragment. Een timmerman aan het woord, ooit betrokken bij de bouw van het kamp. “Het was een opdracht. Je dacht er niet zo bij na.”

In het Herinneringscentrum leren we ook het verhaal van Leo Meijer kennen. Hij was negen toen hij in Westerbork kwam. Hij was negen toen hij een maand later stierf, in Auschwitz. Wie Szymborska leest kan alleen nog zwijgen: “Schrijf op hoe stil het hier is.”

Het hongerkamp bij Jasło

Schrijf dit op. Schrijf. Met gewone inkt
op gewoon papier: ze kregen niets te eten,
allen kwamen van de honger om. Allen. Hoeveel?
Het is een grote weide. Hoeveel gras was er
voor elk van hen? Schrijf op: dat weet ik niet.
De geschiedenis rondt skeletten af naar nul.
Duizend en één is nog altijd duizend.
Het is alsof dat ene nooit heeft geleefd.
Een denkbeeldige vrucht, een lege wieg,
voor niemand opengeslagen abc,
lucht die lacht, die schreeuwt en groeit,
treden voor een leegte die de tuin in rent,
niemands plaats in het gelid.

We zijn op de weide waar het woord lichaam werd.
Maar de weide zwijgt als een betaalde getuige.
In de zon. Groen. Niet ver weg een bos,
hout om te kauwen, sap onder de schors –
het uitzicht was hun dagrantsoen,
tot het hen verblindde. In de lucht een vogel
die over hun lippen gleed als een schaduw
van voedzame vleugels. Kaken gingen open,
tand sloeg op tand.
’s Nacht fonkelde aan de hemel een sikkel,
maaiend voor gedroomde broden.
Handen van donkere iconen vlogen aan,
met lege kelken in hun vingers.
Iemand schommelde
aan een spit van prikkeldraad.
Men zong met aarde in de mond. Een lieflijk lied
over de oorlog die je in het hart treft.
Schrijf op hoe stil het hier is.
Ja.

Wisława Szymborska

Uit: ‘Einde en begin. Gedichten 1957-1997’. Vert.: Gerard Rasch. Meulenhoff, 1999

Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Ze woonde lange tijd op Bonaire waar ze als correspondent werkte. Monna werkte als redacteur Poetry International festival en was initiatiefneemster voor de jaarlijkse Gedichtendag. Voor Trouw schrijft ze wekelijks over poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden