Tien Geboden Mart Smeets

Mart Smeets: Ik hoef niet meer met m’n kop op tv, het jachtige is ervanaf

Mart Smeets: ‘Ik geloof in gevoel. En dat geloof groeit naarmate ik ouder word.’ Beeld Mark Kohn

Mart Smeets (Arnhem, 1947) is radio- en televisiecommentator, journalist en schrijver. In november verscheen bij uitgeverij De Kring zijn roman ‘Het spel’. Met zijn theatercollege ‘De top van de sport’ staat hij, ook in 2020, in diverse theaters.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“God is niet aanwezig in mijn leven. Geen man met een baard, geen mooie vrouw met lang, grijs haar. Geen hemel. Geen hel. Niks. Wat dan de bedoeling is? Dat je een beetje plezier maakt, dat je een familie sticht – mag, hoeft niet – en dat je vooral aardig bent voor de mensen. Dat is het belangrijkst: aardig zijn voor andere mensen.”

II Gij zult u geen gesneden beeld ­maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat ­beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Cruijff was voor mij gewoon een gezellige Amsterdammer die verdraaid goed tegen een bal kon schoppen en die later naast me in de studio kwam zitten om dingen te zeggen waar iedereen het de volgende ochtend bij het kopieerapparaat over had. Een unieke figuur, maar ik heb nooit een poster van hem aan de muur gehad. Ook niet van Jacques Anquetil.

“Als je vraagt: wat hing er dan wél? Dat zal ik je vertellen. Die waanzinnige poster van de PSP, met die blote mevrouw in het weiland tussen de koeien. Niet vanwege die mevrouw, nou ja, misschien, een beetje, maar vooral omdat mijn opa, de vader van mijn moeder, een van de oprichters van die partij is.

“Maar we hebben het nu over afgoderij, toch? Ken ik niet. Tuurlijk, ik ben een groot bewonderaar van Leonard Cohen en in de sportwereld heeft Sven Kramer altijd mijn voorkeur gehad, maar die laatste vooral ook omdat het zo’n geweldig, aardig mens is, zeer prettig in de omgang. Die sportheldenstatus heeft hem nooit veranderd.

“Dat geldt ook voor Willem-Alexander. Die kon zichzelf, toen ik hem in zijn IOC-tijd meemaakte, heel goed op een mooie, tweede plaats zetten. Ik herinner me hoe ze hem in ’88, tijdens de winterspelen in Calgary, de deelnemerskaart van Herbert Dijkstra om z’n nek hadden gehangen zodat hij ook een rondje over de schaatsbaan kon maken. Ze hadden daar geen idee wie dat mannetje was dat in een oranje trainingspak met ‘Nederland’ op z’n rug, een beetje onbeholpen over het ijs ging, maar ’t kon hem niks schelen, hij schaatste.

“In die tijd zei ik nog je en jij tegen hem – want: ‘je had mijn kind kunnen zijn!’ – maar sinds hij koning is vousvoyeren we. Dus. Normaal mens. Doet wat-ie moet doen. En doet dat goed.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Niet dat ik zo’n braaf boontje ben – er ontsnapt mij heus weleens een vloek – maar een groot gedeelte van de jeugd weet zich niet meer te gedragen. Men is ongemanierd. In mijn tijd kreeg je nog keurig antwoord van een sporter als je vroeg: hoe heb je gespeeld, hoe heb je gereden? Tegenwoordig is het usance om dan te zeggen: het ging kut. Mannen, vrouwen, debutanten, wereldkampioenen, allemaal roepen ze: kut. Of: klote. Ik vind dat triest. Ik vind dat heel, heel triest. En het moet allemaal maar kunnen. Want het is stoer en past bij deze generatie. Nee, het is niet stoer. Het is plat en vooral zielige na-aperij.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de ­zevende dag is de sabbat van de ­Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“De bal rolt altijd.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn moeder was een uitgesproken, reële, intelligente socialiste, een suffragette avant la lettre, iemand die meeliep in Dolle Mina-marsen waarvandaan ze overigens weer netjes met de auto werd opgehaald door mijn vader – een rechtschapen liberaal bij wie Molly Geertsema (oud-politicus en VVD-bestuurder, 1918-1991, AV) tot een linkse querulant verbleekte – die haar steevast vroeg of ze weer lekker had geprotesteerd.

“Ze hadden elkaar in de oorlog leren kennen toen ze beiden op de vlucht waren voor de Duitsers en op hetzelfde onderduikadres werden ondergebracht. Ze waren met elkaar verklonken, trouwden in 1946 en hebben het tot het einde van de race samen uitgehouden. Ik weet niet wat er precies in die oorlogsjaren is gebeurd. Het enige wat ik heb gehoord, is dat mijn vader zich een keer twee dagen in een Amsterdamse dakgoot had verstopt, nadat hij iets onklaar had gemaakt of zo. De oorlog was een gesloten boek voor hem, hij heeft er nooit iets over gezegd.

“Daarna? Er moest gewerkt worden. En dat hebben ze gedaan. Mijn vader zou een week na zijn pensioen zijn eerste hartaanval krijgen.

“Af en toe vond hij tijd om met me te gaan vissen op de Vinkeveense Plassen. Ik herinner me goed dat hij op een ochtend alleen z’n dobber uitgooide, zonder aas. Toen ik hem ernaar vroeg, antwoordde hij: ‘Ik heb even geen zin om beet te krijgen’. Er was iets aan de hand op de zaak, iets waar hij geconcentreerd over wilde nadenken.

“Hij nam me mee naar voetbal- en wielerwedstrijden. Remington, het bedrijf waar mijn vader eerst als hoofdvertegenwoordiger en later als marketingmanager werkte, was sponsor van een wielerploeg. Hij was de eerste die me, toen ik in ’73 de Tour de France ging verslaan, waarschuwde voor de mentaliteit in die wereld. ‘Ze gaan daar anders met normen en waarden om dan wij je hebben geleerd’. Dat zei hij. Recht in mijn gezicht.

“En mijn moeder tikte de lijst van ­alle deelnemers voor me uit. Ik zei nog: ‘Mama, die lijsten liggen gewoon klaar voor me!’ Nee, dat wilde ze voor mij doen. Zo stonden mijn ouders in het ­leven. Geïnteresseerd. Duidelijk ook.

“Toen ik de eerste maal niet slaagde voor mijn hbs, gaf mijn vader de bloemen meteen aan een vriend die het examen wel had gehaald. ‘Jij hebt deze bos wél verdiend’, zei hij. En tegen mij: ‘Volgend jaar sta ik hier weer, met een nieuwe bos. Als je dan een diploma hebt, is-ie voor jou.’

“Ik herinner me dat ik een keer had meegedaan aan een Amsterdamse dichtwedstrijd en dat de uitgever of vriend van de beroemde dichter Hans Lodeizen een vleiende opmerking over mijn gedicht maakte. Mijn moeder, die veel kunstzinniger was dan mijn vader, was bijzonder trots, maar mijn vader vond het idiote rijmelarij en reageerde laconiek: ‘Die kennis van Hans Lodeizen is toch ook maar gewoon een lezer?’ Hoezo onaardig? Dat is niet onaardig. Het is, alweer: duidelijk.

“Ik kan me niet herinneren dat ik ooit ruzie met mijn vader of mijn moeder heb gehad. Ik ben überhaupt geen mens van ruzies, ook niet in het huwelijk. Mijn vrouw is het daar roerend mee eens.

“Mijn ouders – hij stierf in ’87, op zijn 73ste, zij een jaar later – hebben me perfect opgevoed. Heb respect, wees netjes. Zo spelen ze nog steeds een rol in mijn leven, als een voortdurende herinnering aan hoe je het best in dit leven kunt staan.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Ooit, lang voor Max Verstappen, werd er een anonieme dreigbrief bij de NOS bezorgd: als de Studio Sport-uitzending die zondag niet zou openen met de Formule-1-races zou ik het met de dood moeten bekopen. Er werd een soort bewaking voor me geregeld en verdomd: die avond werd daadwerkelijk iemand op het terrein gearresteerd die de briefschrijver bleek te zijn.

“Ik kreeg ook eens een dode adder toegestuurd en de keren dat me kanker-dit en kanker-dat werd toegewenst zijn niet meer te tellen. Ik hoor altijd dat ik zo’n you either love him or you hate him-figuur ben. Ze lopen met me weg of ze kunnen m’n bloed wel drinken. ’t Zal wel, het heeft me nooit geraakt of geïnteresseerd. Als je in de heldere zonneschijn staat, dan word je bruin. Maar eerst rood. Dat is mij ook overkomen.

“Ik heb – hoelang? – veertig jaar lang met mijn grote kop op die buis gezeten. Ik was niet onuitgesproken, ik plaagde mensen nog weleens door een gekke trui aan te trekken, heerlijk, had ik ze weer lekker bij de pik, maar goed, als je je zo opstelt, kun je verwachten dat de minderbegaafden onder ons hun haatgevoelens op enig moment met je willen delen. Zelf ken ik dat soort emoties helemaal niet. Ja, er lopen wel een paar mensen rond met wie ik liever niet meer in gesprek ga, maar dat is het meest extreme gevoel dat ik kan opbrengen: iemand niet zo aardig vinden.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Ja, ik ben een trouw man; ik lees hem iedere dag. Maar dat bedoelde je zeker niet? Goed, dit zal ik erover zeggen: ik ben gescheiden van Willemien en leef nu al behoorlijk lange tijd met Karen. Dat is wat ik afgedrukt wil zien. Ik zou er natuurlijk veel meer over kunnen vertellen, maar dat wil ik niet. Snap je? Puur privé.

“Ik heb het niet goed gedaan, ik heb een fout gemaakt en daar ben ik helemaal niet trots op. Het is gebeurd. Het ligt achter me. Punt. Ik weet wat verleiding is en ben het flirten niet verleerd, maar je denkt toch niet dat ik nog eens elders voorgoed mijn kleren ga ophangen en dan de kermis weer laat draaien? Ik ben tweeënzeventig, kom op zeg! Be wise. Wacht maar tot je zo oud bent als ik. Dan snap je wat ik bedoel.”

VIII Gij zult niet stelen

“Ik heb op een eerlijke manier, door me de pestpokken te werken, mijn gespaarde centen verdiend. Die verworven ‘rijkdom’ is dus zeker geen diefstal van de armen, en nee, ik voel me niet bezwaard dat anderen het minder goed hebben. Ik heb de mazzel gehad dat ik hier in Nederland ben geboren en opgevoed, maar ik geloof wel dat wij, mensen, elkaar moeten helpen.

“Da’s best een probleem op het ogenblik. Er trekt een volk van het ene naar het andere deel van de aarde, ze lopen in lange slierten door de moddervelden van Macedonië en Kroatië, komen bij een hek, waar soldaten ze opwachten die roepen: ‘Draai je om, zoek het maar uit!’ Of ze varen in armetierige bootjes naar de Italiaanse kusten, huilend, uitgehongerd en krijgen dan te horen dat ze niet welkom zijn... Soms, heel soms, zie je ineens wat medemenselijkheid opduiken. Karen en ik waren in Montreal toen we in de lobby van ons vliegveld-hotel een groep Syriërs – tegen elkaar aan gedrukt, verkleumd, met jengelende kinderen – binnen zagen komen die door een stel zestigers in grote kazuifels met rode kruisen werden opgevangen... Ik heb met tranen in mijn ogen – en ik moet oppassen dat ik nu niet wéér ga zitten janken – naar die oudere Canadezen zitten kijken; hoe ze deze zielsarme mensen wilden helpen, echt, formidabel. Zo hoorde het.

“Weet je nog hoe het er hier aan toeging, toen die eerste stroom vluchtelingen onze kant op kwam en er hoorzittingen werden gehouden in gemeentes waar men van plan was om scholen of andere gebouwen te openen voor deze mensen? Heb je gehoord wat daar geschreeuwd werd? ‘Weg met die aanranders!’ ‘Moordenaars, oprotten!’ Dat zijn wij, Nederlanders. Het is toch om je dood te schamen? Verschrikkelijk. Echt verschrikkelijk.

“Karen en ik hebben het erover gehad om een vluchteling in ons huis op te nemen, maar het beleid was: ze moeten bij elkaar blijven. Dus werden ze, hier in Haarlem in de Koepel, een gevangenis nota bene, gezet. Symbolischer kan haast niet. Ik ga nu niet stoer lopen doen en zeggen dat ik vooroploop in de strijd voor meer gelijkwaardigheid of zo, maar ik doe er zeker alles aan om mensen die er ellendig aan toe zijn met geld en vriendelijkheid bij te staan. En ik ben niet de enige. Hoe slecht we er nu ook voor staan: we worden allemaal goed geboren. Kijk maar naar een willekeurige baby. Er is niets mooier, niets onschuldiger dan een baby. Het zijn de omstandigheden en het gebrek aan opvoeding die ons slecht, boos en kwaad en gevaarlijk maken.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Zal ik het dan maar toegeven? Ik heb jarenlang gelogen dat ik niets wist over het dopinggebruik van Lance Armstrong (Amerikaans wielrenner, won zeven keer de Tour de France, in 2012 voor het leven geschorst, AV). Ik heb al die naalden na iedere etappe, elke avond, in zijn kont gestoken! Is het zo goed? Wat een onzin zeg. Dat er nog steeds gekken zijn die roepen: ‘Smeets heeft het geweten!’ Nou, Smeets wist niks. We vermoedden met z’n allen genoeg, maar bij de NOS gold: je moet iets twee keer kunnen bewijzen voor je met zo’n verhaal op de proppen komt.

“Weet je wat het pijnlijkst is? Dat we het hele peloton, de complete Armstrong-generatie, jarenlang hebben geloofd. Het waren allemaal leugenaars, maar het duurde een paar decennia voordat we het in de gaten hadden.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Ik hoef niet te winnen. Ik hoef me nergens nog te bewijzen. Ik hoef niet meer met m’n kop op tv. Ik doe alleen nog de dingen die ik leuk vind. Het jachtige is ervanaf. Ik leef hier op mijn gemak, met Karen en... heb je die twee beestjes al gezien? Dat is Bibi en die bruine daar is haar zuster Balou.

“Nu schiet me nog iets geks te binnen. Wat zei ik je eerder? Dat er geen God, geen hel, geen hemel, niks bestond. Toch? Kleine toevoeging: ik was verleden jaar ziek, serieus ziek. Ik had een zware nierkoliek en ik lag met veel pijn in bed. Op zeker moment kwam Balou naar boven en ging bovenop mijn zij liggen, spinnend, precies op de plek waar het zo zeer deed. Na een half uur zakte de pijn. Balou sprong van het bed en drentelde weer naar beneden, alsof haar taak erop zat. Hoe is zoiets in godsnaam mogelijk? Leg dat eens uit! Ik zeg: het is gevoel dat wij nauwelijks nog hebben. Ik geloof in gevoel. En dat geloof groeit naarmate ik ouder word. ­Leven op gevoel. Dat is het. Niet verklaren. Geen betekenis zoeken. Het is niet nodig om overal woorden aan te geven.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden