Tien GebodenMarion Bloem

Marion Bloem: ‘Het liefst zou ik seks met mijn man willen’

Beeld Mark Kohn

Marion Bloem (Arnhem, 1952) is schrijfster en film- en documentairemaker. Ze debuteerde in 1976 met ‘De overgang’ en brak in 1983 door met ‘Geen gewoon Indisch meisje’. Onlangs verscheen bij de Arbeiderspers haar boek ‘Indo – een persoonlijke geschiedenis over identiteit’.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

“Eigenlijk gebruik ik het woord God liever helemaal niet meer. Al sinds mijn twaalfde, toen ik na verhalen over de ooievaar en Sinterklaas te horen kreeg dat Maria nog maagd was toen ze Jezus kreeg, ben ik gaan geloven in iets wat ik eerst de kracht van liefde en later energie ben gaan noemen. Dat gevoel is alleen maar sterker geworden. Ik geloof dat alles en iedereen deel uitmaakt van die enorme energie. We vormen één geheel. Daarom moeten we goed zijn voor onze aarde en goed zijn voor elkaar.”

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

“Uit naam van God is vaak macht misbruikt en geweld gepleegd. Ik begrijp dat sommige mensen steun hebben aan een bepaald geloof, maar het is helaas zo dat veel religies discrimineren – en de vrouw is daarvan doorgaans de dupe. Mijn oma heeft me geleerd: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat vind ik een mooie leefregel. Dat geldt ook voor de discussie over de vrijheid van meningsuiting. Het zijn vaak de mensen die de verschrikkelijkste dingen – over het ‘gevaar van de islam’, of ‘de homeopathische verdunning van het Nederlandse volk’ – roepen die zich hierop beroepen. Ik denk dan: als we zo prat gaan op onze beschaving, laten we ons dan ook beschaafd gedragen.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

“Inmiddels kan ik met verbazing kijken naar alles wat ik, niet eens zo lang geleden, allemaal tegelijkertijd heb gedaan. Dat lukt me nu niet meer, maar ik ben nog altijd héél geconcentreerd met mijn werk bezig. Ik ben een kluizenaar. Ik weet dat het niet goed is om me af te zonderen, dus als een boek eenmaal af is, dwing ik mezelf een week lang met mijn vriendinnen af te spreken om met hen al die misgelopen zondagsrust weer in te halen. Overigens is het me, in die drukte, steeds gelukt om tijd voor mezelf te nemen. Anders dan mijn vader, die, om de trauma’s uit het verleden een beetje de baas te blijven, leerde mediteren volgens de boekjes, maak ik iedere dag lange wandelingen. Als je even niks denkt en open staat voor de energie die anderen God noemen, komen de mooiste gedachten naar je toe.’

IV Eer uw vader en uw moeder

“Mijn vader was met twee ooms, een neef, vrienden en vele andere krijgs­gevangenen en dwangarbeiders op weg naar Sumatra om daar aan een spoorweg te werken, toen hun schip op 18 september 1944 werd getorpedeerd. Mijn vader overleefde de ramp, terwijl hij niet eens kon zwemmen, maar zijn ooms en zijn neef verdronken. Een vriend die voor mijn vader een sloep probeerde te bemachtigen, werd voor zijn ogen met een bijl doodgeslagen.

“Hij vertelde over de oorlog, maar niet vaak. Je moest het verleden laten rusten, vond hij. Toen ik in 1983 de documentaire (‘Het land van mijn ouders’, AV) ging maken, kreeg ik, zonder er om gevraagd te hebben, de kans om meer over die jaren te weten te komen. Ik had eigenlijk een ándere documentaire voor ogen, maar de producent wist me ervan te overtuigen dat ik een grotere kans had om subsidie te krijgen als ik een persoonlijke insteek zou gebruiken. Dus ging ik mijn ouders interviewen.

“Mijn vader, die altijd zo terughoudend was geweest, opende zich als een bloemknop; hij begon steeds meer te vertellen, kwam zelfs na de opnames naar me toe als hij het idee had nog iets te zijn vergeten. In die tijd ben ik gaan begrijpen waar zijn slapeloosheid vandaan kwam, hoe hij zich bijna schuldig had gevoeld door te overleven. Ik was blij verrast over zijn groeiende openheid. Vroeger durfde ik niet door te vragen, als ik het met hem oneens was ergens over, schreef ik het op. Soms schreef hij een briefje terug. Soms gaf hij me een stuk witte chocola en wist ik dat hij me wel begrepen had.

“Mijn moeder duldde beslist geen tegenspraak. Ze was heel streng. Als we te laat thuiskwamen, sloeg ze ons met een pollepel. Zo had ze dat in het Jappenkamp geleerd: wie zich niet aan de regels hield, werd geslagen. Joyce, mijn anderhalf jaar oudere zus, was opstandig. Ik koos ervoor mijn mond te houden omdat ik wist dat er alleen maar méér slaag zou volgen en het allemaal nog langer zou duren. Ik wilde vrede in huis. Het klinkt misschien tegenstrijdig, maar mijn moeder was in die jaren ook heel liefdevol. Ze hield heel veel van ons, dat wist ik wel. Toen ik een jaar of vijftien was, zei ik tegen haar dat ze ons niet meer mocht slaan. Dat het verkeerd was om je kinderen te slaan. Ze moest dat letterlijk afleren, en dat is haar uiteindelijk ook gelukt. Mijn moeder had er ook geen moeite mee om ons te vertellen wat haar was overkomen. Ze werkte aan mijn documentaire mee omdat ze wist hoe belangrijk het voor mij was. Ze had er een hekel aan als Indische mensen in ‘die goede, oude tijd’ bleven hangen. ‘Ik leer van mijn kinderen’. Dat heb ik haar heel vaak horen zeggen.

“Inmiddels ben ik háár moeder. Ze heeft Alzheimer. Soms denk ik dat we haar in het jaar voor mijn vaders dood, in 2009, een beetje zijn vergeten. Alle aandacht ging naar mijn zieke vader. Toen ze na zijn dood steeds meer klachten kreeg, dachten we eerst nog dat het met de rouw te maken had. Tot ze werd getest... ze woont nog steeds thuis. Ik ben verantwoordelijk voor haar zorg en bezoek haar zo vaak mogelijk. Er hangen ook camera’s in haar huis zodat we haar op afstand nog een beetje in de gaten kunnen houden...

“Sorry, ik kan hier niet over praten, het grijpt me zó aan... ik heb weleens gedacht: hoe fijn het zou zijn om een paar weken vrij te hebben – om me daarna meteen heel erg schuldig te voelen. Ik mag haar niet in de steek laten. Als ik zelf zo oud word, moet iemand me ombrengen – help me, alsjeblieft – maar mijn moeder is 90 en klaagt niet; ze is blij dat ze leeft.”

V Gij zult niet doden

“Voor ‘Het land van mijn ouders’ had ik notities gemaakt, feiten gebruikt, maar de emotie niet toegelaten. Tijdens de montage zag ik de editor iedere keer naar het beeld buigen om nauwkeurig te kunnen registeren wat mijn vader nou precies zei. Als hij dat deed liep ik weg, zonder precies te begrijpen waarom. Tot ik de documentaire, die oorspronkelijk zes uur zou duren, in mijn eentje moest gaan terugbrengen naar een film van zesentachtig minuten... ik zat urenlang achter die grote montagetafel en als dat moment met mijn vader kwam, had ik de neiging om even door te spoelen. Ineens wist ik dat ik een fout maakte: ik móest luisteren, bracht mijn oor naar de geluidsbox, precies zoals ik het de editor had zien doen. En toen hoorde ik het pas... mijn vader vertelde dat hij als Knil-soldaat waarschijnlijk iemand had gedood. Ik had naar hem geluisterd, maar het was gewoon niet tot me doorgedrongen.

“Ik ben naar hem toegegaan en heb hem ter verantwoording geroepen: ‘Hebt u echt een mens gedood?’ ‘Ja, maar wat denk jij? Het was hij of ik.’ Dat vond ik geen argument. ‘Dan bent u dus een moordenaar’, zei ik. Ik móest het zeggen. Het was een cerebrale kennisname, op een emotionele manier zou ik het jaren later pas begrijpen, bijvoorbeeld op die ene dag, de zestigste verjaardag van mijn moeder, in de achtertuin, toen mijn vaders ex-collega en zijn Indonesische vriend, een ex-vrijheidsstrijder, erachter kwamen dat ze tijdens de oorlog op elkaar hadden geschoten. Het was alsof ze ontdekten op dezelfde lagere school te hebben gezeten, alsof ze vriendjes waren geweest. Ze omhelsden elkaar. Ze boden elkaar excuses aan. Een onvergetelijk, mooi moment.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

“Mijn moeder had meegekregen hoe in de koloniale tijd de mooiste Indo-Europese meisjes, met medewerking van de nonnen, maar dat lees je niet in de geschiedenisboeken, uit weeshuizen werden weggehaald om in bordelen te gaan werken. Ze was zó bang dat haar dochters iets zou overkomen dat kuisheid haast een obsessie werd. Onze rokken waren langer dan die van onze vriendinnetjes, we droegen kniekousen, ook als het lekker weer was, en leuke jurkjes wist ze altijd te verpesten door die met een of andere broche tot aan de nek toe gesloten te houden. Ik had als kind geen idee waar dit allemaal mee te maken had. Toen ik hoorde hoe zondig het was om geil te zijn, dacht ik dat ze geel bedoelden. Ik kon maar beter geen gele kleren dragen! Straks zeggen ze nog dat ik geel ben!

“Pas rond mijn achttiende, toen ik Ivan ontmoette, leerde ik die gevoelens te benoemen. Hij vroeg of ik ook plezier beleefde aan de seks. Voor mij was seks de warmte, de intimiteit waar ik van genoot. Van het gedoe eromheen begreep ik nog niet veel. Ik had misschien weleens prikkelingen gevoeld, maar dat noemde ik dan verliefdheid. Het duurde best lang voordat ik in de gaten kreeg dat lust en liefde twee verschillende dingen waren.”

VII Gij zult niet stelen

“Het gebeurde tijdens oud en nieuw, van 2015 naar 2016: we kwamen terug uit het buitenland en ontdekten dat ons huis was leeggeroofd. Het was één grote ravage, alles lag overhoop. Het gouden kettinkje dat ik van mijn oma had gekregen, de ring met de steen speciaal door mijn vader voor me uitgezocht, maar vooral: alle computers, de videocamera en daarmee alle filmpjes van de kleinkinderen, interviews met mijn vader die ik ooit nog eens wilde gebruiken... alles was weg. Ik wist dat er iets ergs stond te gebeuren – ik ga je niet vertellen hoe ik dat kon weten omdat veel lezers me dan voor gek zullen verklaren – maar dit, deze inbraak, bleek niet het drama te zijn dat op mijn pad moest komen. Vijf maanden later vertelde mijn zus dat ze van de dokter te horen had gekregen dat de kanker door haar hele lijf was uitgezaaid en dat ze nog hooguit een jaar te leven had. Dat was de echte diefstal: mijn lieve zus, degene die mij het allerbest heeft gekend, werd veel te vroeg van ons weggenomen.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“De weg naar waarachtigheid, naar zuiverheid, is: steeds weer de moed opbrengen om de blinde vlek voor jezelf in beeld te krijgen.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

“Lust en liefde intrigeerden me zo dat ik me er steeds meer in ging verdiepen. Tijdens mijn studie klinische psychologie, koos ik voor seksuologie. We moesten ons dagen achter elkaar blootstellen aan pornofilms. Het was de bedoeling dat we van alle mogelijke seksuele fantasieën kennisnamen want als we ooit sekstherapie zouden geven, moesten we weten waar onze eigen grenzen ­lagen. Ik volgde in die tijd ook zelf, verplicht, allerlei therapieën en tijdens één zo’n sessie kon ik vertellen wat Ivan had voorgesteld: dat we elkaar vrij zouden laten, maar met het vertrouwen ­samen te blijven. De therapeute vroeg: maar wat betekent dat voor jóu? Daar had ik helemaal geen antwoord op. Je kan het alleen maar ontdekken door het te beleven, maar dat hield wel in dat we samen voor een moeilijke, zware weg kozen. We zijn nu 49 jaar samen. Ik zie ons huwelijk als een reis door de woestijn. Soms sliepen we onder de sterrenhemel, soms in een tentje. We zaten wel eens zonder water, of eindeloos opgesloten in een bloedhete auto, maar we vonden ook regelmatig een oase. Bij alles wat we tegenkwamen, alles wat we samen meemaakten, moesten we uitvinden: hoe verder? Wat zijn de regels? Houden we ze zo, of moeten ze worden bijgesteld? Het is lastig geweest, soms, maar ik had er geen dag van willen missen.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Wat mijn werk betreft heb ik moeten leren om ambitieus te zijn. Als je graag schrijft, moet je ook publiceren want anders leest niemand het en kun je er niet van leven. De waardering die ik kreeg was overrompelend, maar ik kon niet goed tegen het appèl dat al snel op me werd gedaan. Na het succes van mijn ‘Geen gewoon Indisch meisje’, uit 1983, kwam de vraag of ik niet een deel 2 kon schrijven, of anders misschien een boek over dit of over dat... honderden brieven kreeg ik, iedereen kreeg antwoord. De laatste jaren is het stiller geworden. Soms wordt een nieuw boek door critici zelfs volkomen genegeerd, waardoor ik mensen die mij volgen er zélf op moet attenderen dat er weer iets is verschenen. Als ik merk dat andere schrijvers aandacht krijgen voor een onderwerp dat ik al veel eerder uitgebreid heb behandeld, dan steekt jaloezie de kop op. Ik wil dat gevoel niet hebben. Het is lelijk.

“In de liefde heeft jaloezie voor mij nooit een rol gespeeld. Ook Ivan kan daar goed mee omgaan. Als je kijkt naar de afspraak die we hebben gemaakt dan zou ik, nu hij door de behandeling geen behoefte heeft aan seks (Ivan Wolffers, haar echtgenoot, lijdt sinds 2002 aan prostaatkanker, AV) ook met andere mannen naar bed kunnen gaan. Ik heb weleens met de gedachte gespeeld om tegen betaling plezierige seks te hebben. Mannen betalen voor zoiets nog geen honderd euro of zo, dat is een kwestie van: een beetje rukken en klaar. Voor een vrouw ligt dat anders. Ten eerste zijn heren véél duurder, maar het belangrijkste is: ik wil om iemand geven, anders hoeft het voor mij niet... wat ik het liefst zou willen: seks met mijn man. En dat kan helaas niet. Ik begeer dus niet iets wat een ander toebehoort, ik begeer het onmogelijke.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden