Schrijver Marijke Schermer

Tien gebodenMarijke Schermer

Marijke Schermer: ‘Liever niet-monogaam dan krampachtig vasthouden aan het ideale plaatje’

Schrijver Marijke SchermerBeeld Mark Kohn

Marijke Schermer (Amsterdam, 1975) is roman- en toneelschrijver. Op verzoek van literair productiehuis Tilt verbleef ze een aantal dagen in het Sint-Catharinadalklooster in Oosterhout en liep vier etappes van het Kloosterpad. Ze schreef er het boek Gods wegen over dat op 13 juni bij Van Oorschot verschijnt.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Ik was een jaar of zes toen ik tegen mijn ouders zei: ‘Ik moet jullie iets héél ergs vertellen.’ ‘Wat dan?’ ‘Ik geloof in God…’ ‘O’, zeiden ze, opgelucht, ‘maar dat geeft toch helemaal niks?’ Ik aarzelde omdat ik op een bijna religieuze manier het atheïsme ingegoten kreeg. Mijn vader komt uit een communistisch, anti-kerkelijk milieu en mijn moeder heeft tijdens haar katholieke opvoeding de nodige emotionele schade opgelopen. Ze werd op haar tiende naar een kostschool gestuurd, waar ze zich heel alleen en onveilig heeft gevoeld, maar is pas later in haar leven van het geloof gevallen. Wat er nog van over was, verdween toen mijn ouders hun eerste kind na een jaar verloren en haar vader – of moeder, dat weet ik niet meer – beweerde dat het kind niet in de hemel zou komen omdat het niet gedoopt was. Dat was de druppel. Als God al bestond, zat er in ieder geval niets liefdevols in hem.

“We woonden in een christelijk dorp in Groningen, met drie kerken voor duizend inwoners. Mijn ouders deden schamper over die gelovigen, maar ik was wel geïnteresseerd in de gelovigheid van de kinderen om mij heen. Ik ging een tijdje naar zondagsschool en probeerde weleens te bidden. Niet om ergens bij te horen, nee, ik was vooral nieuwsgierig naar het mysterie. Ik kwam er niet achter. Misschien is het een kwestie van geaardheid; ik heb gewoon geen religieuze neigingen. Gek genoeg heb ik wel altijd religieuze vriendjes (gehad). Ik verloor er één aan de hare krisjna, de vader van mijn kinderen, die als misdienaar nog door paus Johannes Paulus II werd aangeraakt tijdens diens bezoek aan Nederland. Hij heeft erg geleden onder het verlies van zijn katholieke geloof. En dan was er nog een liefje dat ergens in het buitenland in de entourage van een goeroe terechtkwam. De moeder van mijn huidige vriend was gereformeerd predikant.

“Ik stond erbij en ik keek er naar. Dat is steeds mijn rol in het leven geweest: die van toeschouwer. Ik kan alles over iemand te weten komen en zelf buiten beeld blijven. Zo ben ik geboren, maar ik denk dat het schrijverschap die secundaire manier van handelen ook enorm heeft gestimuleerd. Als schrijver ben ik vooral bezig om over van alles na te denken, om ervoor te zorgen dat wat ik vind zo zorgvuldig mogelijk wordt geformuleerd en dat geeft natuurlijk wel een soort rem op primaire reacties. De laatste jaren denk ik dat het misschien wel goed zou zijn om wat sneller uit de schaduw tevoorschijn te komen. Om niet alleen te kijken, maar ook wat vaker mee te doen.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Dat is nou precies wat ik de hele dag doe: ik probeer alles, niet alleen wat boven in de hemel of in de wateren onder de aarde is, maar álle dingen, zowel concreet als onzegbaar, te vangen in het net van de taal. Mijn overtreding schuilt misschien in het feit dat het beeld dat ik maak ergens vóór schuift en daarmee meer waarde lijkt te hebben dan wat er in werkelijkheid te zien is. Voor mij is nadenken over beschrijvingen van gebeurtenissen of het creëren van personages zoiets als het vangen van vlinders: je moet ze eerst ergens op vastprikken, daarna kan je pas goed zien hoe zo’n beestje eruit ziet. Helaas kan het daarna niet meer doen wat een vlinder zo mooi maakt, nee… dus hoe zou je dit willen noemen? Een combinatie van heerszucht en nieuwsgierigheid of zo?”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Mijn geliefde, die uit een gereformeerd nest komt, vertelde me het verhaal over de spiegel waarin je eerst jezelf, maar daarachter God kunt zien. Dat vind ik wel een mooi beeld, al werkt het niet zo voor mij: ik zie namelijk gewoon mezelf. Als de betekenis van het gebod zou zijn dat je geen hogere macht moet aanwenden om je gelijk te krijgen dan kan ik het helemaal onderschrijven. Je hebt zelf de taak, of de verantwoordelijkheid, om een moreel kompas te ontwikkelen en niet blind te varen op regels van bovenaf.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Voor het boekje Gods wegen ben ik een aantal dagen te gast geweest bij de nonnen en volgde daar het ritme van drie maaltijden en vier diensten per dag en nee: ik voel me niet tot het kloosterleven aangetrokken. Ik ervaar een vast ritme heel snel als sleur. Ik moet in beweging blijven. Laatst zei mijn negenjarige zoon tegen mij: ‘Jij werkt eigenlijk nooit, maar ook altijd hè?’ Ik neem m’n computer overal mee naartoe. Soms raak ik hem niet aan, maar als de mogelijkheid er is… Het zou goed zijn om af en toe aan de greep van mijn gedachtes te ontsnappen, maar ik voel me helemaal niet vrij als ik niet schrijf. Eerder ontheemd.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Ik voelde me thuis, ik voelde me veilig. Ik werd gezien. Er was sturing, maar er was ook ruimte om mezelf te ontwikkelen. En dan heb ik het over mijn vroege kinderjaren, want aan mijn puberteit heb ik minder prettige herinneringen. Ik maakte een potje van de middelbare school, sloop ’s nachts het huis uit om te gaan stappen, voerde strijd over van alles en nog wat. Mijn moeder ging gebukt onder mijn wens om niet te doen wat de bedoeling was. Ik voelde toen geen medelijden. Nu wel. Ik had misschien wel iets zachter voor haar kunnen zijn.

“Mijn moeder heeft, misschien ook door haar ervaringen op de kostschool, een vorm van liefde op ons kinderen – maar ook mijn vader – botgevierd die ook beklemde. Hij werd verliefd op een andere vrouw. Volgens mij heeft hij zich hardop afgevraagd of hij die verliefdheid kon beleven zonder zijn huwelijk op het spel te zetten. Mijn moeder is daarin meegegaan. Tien jaar lang was die andere vrouw, op afstand, in hun leven aanwezig. Mijn moeder leed daar erg onder. Ze was bang dat hij haar toch zou verlaten, hield hem in de gaten, dacht: als ik niet oplet, is-ie straks vertrokken… Maar als de theorie is dat mijn vader juist aan de verstikkende kant van haar liefde wilde ontsnappen, dan móest haar krampachtige houding wel tot een breuk leiden. En dat gebeurde ook.

“Ik heb het mijn vader niet kwalijk genomen. Ik begreep dat hij wilde onderzoeken wat er op zijn pad gekomen was. Tegelijkertijd zorgde die periode ook voor toenadering tussen mijn moeder en mij. Ik was twee jaar het huis uit, woonde in Arnhem, en zij kwam regelmatig bij me logeren. Dan gingen we naar het café om wijn te drinken en te praten. Ik herinner me ook dat ze ineens een sigaret opstak – dat had ze in geen veertig jaar gedaan. Ze nam me in vertrouwen en onze band is sindsdien een stuk hechter.

“Met mijn vader heb ik een vriendschappelijke relatie. We praten over de dingen die we lezen, over de dingen die in de wereld gebeuren. Mijn vader was in mijn pubertijd ook een stuk laconieker dan mijn moeder; hij had denk ik het idee dat de opvoeding er toen wel zo’n beetje op zat en dat ik zelf verantwoordelijk was voor mijn gedrag.

“Ik heb een anekdote die een goed beeld van mijn vader – en van onze verhouding – geeft. Zal ik je die vertellen? Toen ik net mijn rijbewijs had leende ik zijn auto en reed er meteen een deuk in. Er moest een nieuwe deur in, zeiden ze bij de garage, maar daar had ik geen geld voor, dus toen hebben ze ’m voor me uitgedeukt. Ik leverde de auto weer in bij mijn vader en wachtte in spanning af. Ik hoorde niets en dacht: hier kom ik mooi mee weg. Jaren later vertelde ik mijn vader, in een vlaag van openhartigheid, wat er was gebeurd. ‘Dat wist ik al’, zei hij. ‘O?’ ‘Ja, ik zag iets gebobbelds, dacht dat er iemand tegen de auto was aangereden en ging ermee naar de garage. Daar vertelden ze me dat de deur was uitgedeukt’. Ik vroeg waarom hij dit nooit tegen me had gezegd, waarop mijn vader me aankeek, een stilte liet vallen en zei: ‘Ik dacht dat het een geheim was’.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Dit is geen onderwerp voor mij, ja, in mijn eerste boek gaat er iemand dood, maar dat is door een ongeluk. Ik ben sowieso niet vaak agressief, of woedend… ik word eigenlijk alleen boos als ik het gevoel heb in de knel te zitten, zoals tijdens mijn puberteit, maar later ook in mijn eigen gezin, toen de kinderen nog klein waren. Ik voelde me vaak zo opgesloten. Elke dag, elke nacht hetzelfde, de landerigheid van de dagen. Ik herinner me dat ik een geheim leven in mijn hoofd had waardoor ik in bed kon liggen en tegelijkertijd, zoals vroeger, het huis was uitgeslopen.

“Daar gaat mijn roman Noodweer ook over: je schept een onoverbrugbare afstand tussen het alledaagse leven en het leven in je hoofd, je doet geen verslag meer van alles wat je bezighoudt en je hebt daardoor eigenlijk geen echte relatie meer. Een beetje laf, ja, zeker. Het is toch een vorm van doodmaken, of dood laten bloeden. Ik denk dat er moed voor nodig is om een echte moord te plegen.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Hoe vind ik de balans tussen afstand en nabijheid? Dat is best een moeilijke puzzel. Toen ik voor het eerst met iemand samenwoonde, was de vrijheid zo groot dat we soms nauwelijks wisten waar de ander was. Misschien ontbrak er ook een zekere gretigheid, een gretigheid die ik nu, in mijn huidige relatie, wel heb. Volgens het romantische idee verlang ik naar hem, wil ik weten wie hij is, maar ik denk dat het eerder zo is dat wij die gretigheid bij elkaar activeren; dat dit de motor van onze verhouding is. Voor ons allebei geldt dat het verlangen naar verbintenis en intimiteit niet ten koste hoeft te gaan van het verlangen naar vrijheid en autonomie. Dus niet: dit is het, hier ben ik veilig, maar: in beweging blijven, het mezelf niet al te makkelijk maken. Ik geloof niet in de houdbaarheid van een relatie die eruit bestaat dat je probeert de ander helemaal geen pijn te doen. Het is dus ook mogelijk om het bed met een ander te delen. Liever een niet-monogame relatie in alle openheid dan krampachtig vasthouden aan het ideale plaatje waarbinnen ieder toch zijn of haar eigen leven leidt.”

VIII Gij zult niet stelen

“Een half jaar na het verschijnen van mijn laatste roman, Liefde, als dat het is, kwam op de uitgeverij een brief binnen van een vrouw die beweerde dat ik haar leven had gestolen. Ik ken die vrouw niet, maar heb wel het verhaal over haar echtscheiding gehoord. Elementen daarvan komen op een of andere manier in het boek voor, niet omdat ze zo exclusief-, maar juist omdat ze exemplarisch zijn. Het eigenaardige is dat ze zich, toen ze zichzelf eenmaal herkende, ook stoorde aan de dingen die níet overeenkwamen. Ze dreigde met juridische stappen, stelde dat ik geld aan haar verdriet verdiende en eiste excuses. Ik heb geantwoord dat ik het wel zou horen als ze naar de rechtbank zou stappen en dat, als ze dat niet zou doen, de zaak hiermee voor mij was afgedaan. Ik heb het gegeven zelf weer tot fictie gemaakt door het verhaal Toe-eigening erover te schrijven.

“Het was ongemakkelijk – het is niet fijn om beschuldigd te worden – maar ook heel interessant omdat ik werd gedwongen na te denken over de morele kanten van het schrijverschap. Volgens mij moet je als schrijver een zekere meedogenloosheid hebben, ook jegens jezelf. Het verhaal staat altijd voorop. Dus ja, ik kan soms, onbedoeld, hard zijn, maar ik ben geen dief. Hooguit een strandjutter die de werkelijkheid afschuimt, op zoek naar bruikbaar materiaal.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Ik stuur liever geen ongeslepen verhaal de wereld in. Daar zal zeker een element van controlezucht in zitten, maar ik kan ook echt slecht denken on the spot. En ik wil natuurlijk niet liegen. Als mijn geliefde me iets vraagt en niet meteen een antwoord krijgt, zegt hij: ‘Ik lees het morgen wel hè, wat je ervan vindt’. Flauw, natuurlijk, maar het klopt wel: ik ben iemand van de nagekomen gedachtes. Een beetje smalltalk met de buurvrouw gaat prima – ik ben niet sociaal onhandig in dat opzicht – maar het lukt me nog niet zo goed om in intiemere relaties heel direct te zijn. Al gaat het wel steeds beter. Ik word wijzer, hoop ik… Laatst zat ik met vijf kinderen aan tafel, die twee van mezelf en de drie jongste dochters van mijn vriend, en ik vroeg: ‘Als je mag kiezen, wat ben je dan liever: gelukkiger of slimmer?’ Een van hen koos voor gelukkiger met als argument dat je er dan toch geen last van hebt als je minder slim bent en de dingen niet begrijpt. Ik geloof dat ik zelf word voortgedreven door het verlangen om meer te weten, meer te begrijpen waardoor ik me steeds beter tot de wereld kan verhouden. ‘Gelukkig zijn’ associeer ik met stilstand. Ik ben veel meer op zoek naar de beweging. Wat ook een vorm van geluk is. Misschien.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Om in stijl te antwoorden: ik voel me, zowel in materieel als in immaterieel opzicht, gezegend. Ik zou iemand anders kunnen worden als ik dat zou willen, dus hóef ik niets te begeren. Ik hoef het alleen maar te bereiken.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden