Tien GebodenMarcel van Roosmalen

Marcel van Roosmalen wil gezien worden

Marcel van Roosmalen.Beeld Mark Kohn

Marcel van Roosmalen (Arnhem, 1968) is journalist, schrijver, NRC-columnist en ‘Druktemaker’ op Radio 1. Vorig jaar verscheen zijn tweede boek, over Theo Janssen, en een verzameling columns over zijn moeder. Op 13 mei wordt bij Atlas Contact een reportage- en fotoboek verwacht, ‘Nederland onder het systeemplafond’, dat hij maakte met Jan Dirk van der Burg.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

“Ik had een oude vader, uit 1925. Geboren in Middelbeers. Als je naar foto’s van vroeger kijkt, zie je een scharminkel met veel te grote voeten. Hij kwam uit een groot gezin van – ja, ik zeg altijd zeventien kinderen, maar het kunnen er ook achttien of negentien geweest zijn. Na de oorlog heeft hij zich, om zich aan zijn dominante moeder te ontworstelen, bij het leger aangemeld om in voormalig Nederlands-Indië te vechten. Nou ja, vechten: hij was een soort hospik en werd, als magerste van allemaal, voortdurend op z’n kop gezeten. Eenmaal terug in Holland ging hij als bakkersknecht werken en moest hij zijn loon afstaan aan z’n moeder die inmiddels weduwe was geworden. Ze hadden het niet breed. Op een zeker moment verloor hij een voortand, maar er was geen geld om daar iets aan te laten doen, dus liep hij zes of zeven jaar rond met een gat in z’n gebit. Ik denk dat hij daardoor ook lang vrijgezel is gebleven. Op zijn negenendertigste is hij, in de bus van Oirschot naar Middelbeers, mijn moeder tegengekomen. Ze kregen verkering en trouwden kort daarna. Mijn vader greep die gelegenheid aan om overal te solliciteren, zo ver mogelijk bij z’n moeder vandaan, en vond een baan in Arnhem.

“Mijn ouders voelden zich in Presikhaaf – de wijk waar ik geboren ben – zo’n beetje als Eva en ik ons nu hier, in Wormer, voelen, misplaatst, maar dan ook nog eens bedreigd; die Arnhemmers zijn helemaal niet gastvrij en als ze ergens op kunnen neerkijken – Brabanders, bijvoorbeeld – zullen ze dat niet laten. Mijn vader ontpopte zich tot een keihard werkende ambtenaar, maar ontwikkelde tegelijkertijd een soort godsdienstmanie. Hij werd katholieker dan katholiek.

“Toen we van Arnhem naar Velp verhuisden, werden we na een tijdje van de Roncallischool overgeplaatst naar de Sint Fredericusschool omdat daar nog door nonnen les werd gegeven... We werden gevormd, moesten iedere zondag mee naar de kerk en toen ik daar geen zin meer in had, vond ik elke avond weer een of ander gestencild gebed onder mijn hoofdkussen. Ik verscheurde die dingen waar hij bij stond. Mijn vader had geen gezag, geen enkel overwicht. Daarom klampte hij zich zo vast aan dat geloof, denk ik. Ik had er niets mee. Oersaai. Nul interesse. Al moet ik eerlijk zeggen dat ik, als ik nu een katholieke begrafenisdienst bijwoon, soms ineens door een gevoel van nostalgie kan worden overvallen. O ja, zó smaakt een hostie. Daar heb ik er duizenden van weggeslikt in mijn leven. En die muziek, aan ’t eind: eigenlijk best mooi. Maar goed, wat was de vraag? Of ik God aanbid en liefheb ­boven alles? Nee. Ik heb nooit naar een alternatief voor het geloof van mijn vader gezocht. Het enige wat ik zeker wist, was: dit niet.”

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

“Grappen over religie vind ik te makkelijk, al moet ik ook zeggen dat ik moeite heb met mensen die hun geloof verschrikkelijk serieus nemen en zich om het minste of geringste gekwetst voelen. Je moet alles kunnen zeggen, maar tegelijkertijd is het verschrikkelijk dat we de hele dag door met de meest idiote gedachtespinsels worden geconfronteerd. Ik stel voor dat iedere Nederlandse burger voortaan maximaal tien ­dagen per jaar op Twitter, Instagram of Facebook iets geks mag roepen. Daarna is ’t klaar. En ik ben ook voor het instellen van een soort IQ-zendtijd op televisie, bedoeld voor mensen die écht iets belangrijks te melden hebben. Wie dat bepaalt? Nou, ik natuurlijk.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

“Dat ik veroordeeld ben om thuis te blijven is nog tot daaraan toe, maar ik ben wel iemand die zich meteen zorgen maakt: gaat het net iets beter met de economie, stort de hele zaak in! Iedereen gaat failliet! Straks ben ik mijn onafhankelijkheid kwijt en moet ik mijn hand op gaan houden! Dat is mijn grootste angst. En ik word ook zo somber van die anderhalvemetersamenleving; ik wil iemand aanraken, ik wil in een vol voetbalstadion zitten. Laatst zag ik beelden van het Lowlands-festival. Ik ben er één keer geweest en ik vond het echt verschrikkelijk, maar inmiddels zou ik zelfs dáár wel weer naartoe willen, gewoon, om weer tussen de mensen te zijn.”

IV Eer uw vader en uw moeder

“Wat ik je eerder vertelde, over mijn vader: dat is zo’n beetje het enige wat ik over die man weet. Na zijn dood, toen ik besloot om een boek over hem te schrijven – ga ik niet meer doen, veel te pathetisch, wie zit daar nou nog op te wachten? – interviewde ik zijn enige nog levende zus. Ze vertelde me dat het haar ook een raadsel was waarom haar broer zó gelovig was geworden. Het is geen Jan Siebelink-verhaal, niet nóg een godsdienstwaanzinnige uit Velp, maar hij werd absoluut steeds strenger in de leer, terwijl wij ons juist allemaal afkeerden van dat hele gedoe. Tragisch genoeg was er, toen hij op sterven lag, geen priester meer te krijgen die hem kon bedienen... ook zo’n verhaal: hij was verschrikkelijk bang voor het laatste oordeel – riep dingen als ‘Ik ben ook geen heilige geweest!’ – en lag, omdat hij geen morfine wilde, dagenlang te schreeuwen van de pijn. Eerst hadden we nog een verzorgster naast zijn bed geparkeerd, maar die vertrok na drie dagen omdat de tuinstoel waarop ze zat volgens haar niet aan de arbowetgeving voldeed. We hadden geen van allen zin om de hele dag bij die man te zitten. Het was niet om aan te horen, dat gekerm. Mijn moeder zei: ‘Wil, zal ik anders die koebel uit Zwitserland van zolder halen? Kan je die laten horen als je denkt dat je doodgaat.’ Nou, we waren de deur nog niet uit of het begon al: tingelelingeling! Tingelingeling! 

“Op een zeker moment hebben we hem stiekem morfine gegeven. Daar kalmeerde hij een beetje van. Toen vroeg hij dus om die priester. Niet te vinden! Bleek er wel een soort sinterklaasservice voor priesters te bestaan. Dat zijn geen echte priesters, maar ze kennen wel alle rituelen. Die man kwam, in vol ornaat, duwde mijn vader een groot kruis in zijn handen en verzocht ons de gebeden mee op te dreunen. Op zeker moment tilde mijn vader dat kruis een eindje omhoog en riep: ‘Blijf geloven!’ ‘Dat doen we’, zeiden we.

“Ik heb hem daarna nog één keer gezien. Het laatste wat hij tegen me zei was ‘Scheer je weg!’ Maar dat was vanwege de pijn, zei mijn moeder. Papa ­bedoelde het niet zo.

“Mijn vader was een lieve man en ik heb geen nare jeugd gehad of zo, maar... Het was wel raar, allemaal. Mijn moeder was mijn vader ook veruit de baas. Zij bepaalde alles. Zelfs wat hij at. Als wij iets niet lustten, schoof ze het ongevraagd op zijn bord. En hij vrat het allemaal op. We voerden geen gesprekken, we waren niet echt in elkaar geïnteresseerd. Mijn vader nam wel meteen een abonnement toen ik bij HP/De Tijd ging werken. Als hij begon te lezen, legde hij een lineaal over het gedeelte waar stond wie het stuk geschreven had. Toch wist hij mijn artikelen er altijd uit te pikken. En het viel hem iedere keer weer tegen: ‘Ja hoor, dat dacht ik al! Kan het nou nooit een keer normaal?’ Mijn moeder krabbelde jarenlang commentaar in de kantlijn van mijn columns: ‘Wat een onzin.’

“Na mijn vaders dood, in 2012, is mijn moeder een stuk milder geworden, maar het contact tussen ons is, tot ze begon te dementeren, altijd een beetje ongemakkelijk gebleven.”

Beeld Mark Kohn

Gij zult niet doden

“Na een tijdje in een verschrikkelijk zorgcentrum in Mook te hebben vastgezeten, is mijn 88-jarige, demente moeder nu opgeborgen in een verzorgingshuis in Groesbeek. Laatst stonden we daar met z’n allen op het gazon naar de ramen te kijken waarachter die onwetende, oude mensen ons door verzorgers met maskers – duim omhoog – werden getoond. Even zwaaien jongens. Wij mogen niet naar binnen. Zij mogen niet naar buiten. Zogenaamd omdat de kwetsbare bewoners door ons besmet zouden kunnen worden terwijl het natuurlijk precies andersom is: het virus is al binnen. Ze maken elkaar ziek. Dáárom worden die hekken dichtgehouden.

“Het is een soort Theresienstadt, zo’n verpleeghuis. In Theresienstadt werd ook gedaan alsof alles dik in orde was, het Rode Kruis gaf na een rondleiding zelfs een dikke acht, maar het waren gewoon showroomjoden die men te zien kreeg; alsof ze het reuze naar hun zin hadden en niet de gevangenen ­waren die net zo lang werden vastgehouden tot ze van ellende zouden bezwijken. De vergelijking ligt voor de hand: in onze verpleeghuizen worden onmondige ouderen geëlimineerd.

“Mijn moeder zal niet lang meer leven. Bij één van haar medebewoners is al corona geconstateerd. Als ze gaat sterven, mogen twee naasten langskomen om haar hand vast te houden. Mijn zus is de contactpersoon en mijn broer móet daar gewoon bij zijn. Voor mij is dus geen afscheid mogelijk. Ik hoef er ook niet per se bij te zijn want: wat is er nog van die vrouw over? De laatste keer dat ik haar sprak, zei ze ‘conducteur’ tegen me, ik bedoel, ik verwacht niet dat er nog veel ontboezemingen komen, maar daar gaat het me niet om; ik vind het onbestaanbaar dat onze minister van volksgezondheid, welzijn en sport, met z’n glimschoentjes, gewoon maar even kan besluiten om de autonomie van onze ouderen af te pakken, dat ze zelf niet mogen bepalen hoe of waar hun leven eindigt. Het is niet zo dat ik hier een spandoek klaar heb liggen met de tekst ‘HUGO DE JONGE IS EEN MOORDENAAR!’ – dat is ook meteen zo Arnold Karskens-achtig – maar als mijn moeder aan eenzaamheid sterft, denk ik wel: dood door schuld.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

“Er werd niet verteld wat onkuisheid was, maar mijn vader had er wel bepaalde ideeën over. Zo moest een vriendinnetje dat ik op mijn achttiende of negentiende een keer mee naar huis had genomen per se op een aparte kamer slapen en weigerde mijn vader bij mijn samenwonende zus op bezoek te komen: eerst trouwen!

“Ik werd recalcitrant van dat bekrompen gedoe, maar ik had niet meteen de mogelijkheid om daar iets mee te doen. Ik was geen Don Juan op de middelbare school. Ze stonden niet in rijen te wachten: waar is Marcel? Later heb ik een onstuimig liefdesleven gehad, ja, maar dat hoeft voor mij niet in de krant. Hoe kan je trouwens, met een stalen gezicht, dit soort dingen vragen? Dát is pas onkuis! Ik ben al jaren gelukkig met Eva. Een droomvrouw. Ik kan me er nog altijd over verbazen dat ik iets met haar heb gekregen. We zouden op 22 augustus gaan trouwen, maar dat gaat om allerlei redenen niet door. Corona, natuurlijk. En het geld is op. Het vertrouwen in de toekomst moet eerst maar eens herwonnen worden.”

VII Gij zult niet stelen

“Nadat ik voor een tweede of een derde keer van school was gestuurd, kwam ik terecht op een particulier internaat van meneer Van Dorst, wethouder te Beek-Ubbergen. Daar leerde ik een jongen uit Den Haag kennen met wie ik samen een tijdje spijkerbroeken ben gaan stelen. Toen ik van het internaat ging, ben ik er weer mee gestopt... Ja, saai verhaal, je hebt gelijk. Ik ben eigenlijk gewoon een brave burger.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“Mijn vader was iemand die het liefst z’n mond hield, zo van: doe maar gewoon dan doe je gek genoeg. Het was zijn grootste wens om vergeten te worden. Dat heeft mijn moeder na zijn dood nog jarenlang gezegd: ‘Ja hoor, dat was zijn grootste wens!’ Nou, ’t is gelukt, blij voor papa, maar ik wil het tegenovergestelde. Ik wil juist van me laten horen. Ik meen wat ik zeg, ik ben bloedserieus. Ik erger me kapot aan dat geapplaudisseer voor de zorgverleners, aan dat gedraai van Thierry Baudet en Geert Wilders die eerst iedereen willen opsluiten en nu weer roepen dat we bevrijd moeten worden of aan Peer Ulijn, die op het journaal roept dat volgend jaar al het verzorgend personeel van Nederland een lintje moet krijgen... maar die boosheid is óók een soort act. Ik lees mijn radiocolumns (Radio 1, ‘Druktemakers’, AV) zo somber mogelijk voor, maar ik zit heus niet de hele dag zo te praten, wat sommige luisteraars schijnen te denken. Als ik ergens boeken signeer – signeerde, ooit – schrik ik weleens van de mensen die op me afkomen. Het zijn nooit de types van wie je denkt: daar ga ik het gezellig mee hebben.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

“Hier? In Wormer?!”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Ik lach om de man die als een soort eeuwige, middelbare scholier van vakantie naar vakantie leeft, die met vrouw en kinderen in een keurig rijtjeshuis woont, af en toe iets te veel drinkt op een feestje maar dan de volgende dag lekker een snipperdagje opneemt, zich verheugt op een midweekje Center Parcs met vrienden – straks, als het weer mag natuurlijk – want ja, het is niet makkelijk allemaal, maar we maken er het beste van, Wilhelmus van Nassouwe, o, het is alweer dinsdag, morgen zagen we de week doormidden... ik lach hem uit, maar eigenlijk ben ik gewoon jaloers. Die man had ik willen zijn. Tevreden met bijna niets. Maar nee, ik wil iets betekenen, gezien worden, mezelf waarmaken. Ik wil altijd meer. Ik heb mezelf in een positie gewrongen waarin ik geld moet verdienen en vind dat het maar op één manier kan, waardoor ik vaak afwezig ben omdat ik weer zonodig iets moet voorstellen ergens... zeg, wat is dit eigenlijk voor een interview? Ik heb het zwaar onderschat. Je zit nou al de hele middag met je scherpste spatel over de bodem van mijn anti-aanbaklaag te schrapen: waarom heb ik hier in godsnaam ja tegen gezegd? En dan die psychiater-achtige blik de hele tijd – ik ben blij dat ik m’n zonnebril heb opgehouden.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden