Marcel Möring

Tien GebodenMarcel Möring

Marcel Möring: ‘Ik ben een 0-of-100-man, er is weinig grijs in mij’

Marcel MöringBeeld Mark Kohn

Marcel Möring (Enschede, 1957) debuteerde in 1990 met de roman ‘Mendels Erfenis’. ‘Het grote verlangen’ (1992) werd bekroond met de AKO-literatuurprijs. Na een forse trilogie – ‘Dis’, ‘Louteringsberg’ en ‘Eden’ – verscheen dit jaar een compacte, persoonlijke roman: ‘Amen’.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Op mijn negende had ik het Oude Testament al stukgelezen. ’s Avonds, in bed, sprak ik met God. Rond mijn zeventiende was ik, door alle onzin die erbij kwam kijken, het geloof voorgoed kwijtgeraakt, maar ik kan de mystieke connectie, die aanwezigheid, nog altijd missen. Vooral als ik psalm 23, ‘De Heer is mijn herder’, lees, denk ik: ja, dát was de kern van mijn religieuze ervaring.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken­­ noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden­­ op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Iedereen heeft tegenwoordig een beeldje van Boeddha op de plee staan. We doen aan mindfulness, een soort boeddhisme light, dat helemaal niets van je vraagt, samengevat in de Ikea-slogan: aandacht maakt alles mooier. Ja, boeddhisme gaat over aandacht, maar óók over wat je jezelf ontzegt. Dan geven we niet meer thuis want we leven in een welvaartsmaatschappij, we zijn consumenten en we willen alleen maar consumeren wat we lekker vinden. De calvinist in mij zegt: ho, ho, dat gaat zomaar niet! We hebben het rechte én het kromme pad. Langs de doornen, mensen. Ik heb ooit een vriendschap opgezegd met iemand die na een borreltje bekende dat hij het liefst zo snel mogelijk een dikke auto en een huis met een zwembad zou bezitten. Dat was zijn doel. En zoveel mogelijk plezier maken. Ik heb de deur opengezet en gezegd: ‘Eruit jij!’ Met zulke mensen kan ik niet omgaan. Ik voel een plicht om dingen te maken die de moeite waard zijn. Ik voel een plicht om zoveel mogelijk van het leven, de wereld en mezelf te begrijpen. Anders is alles voor niets geweest.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“God trekt zich er waarschijnlijk niks van aan, maar ik wil gewoon geen andere mensen kwetsen en ik vind ook niet dat alles maar gezegd mag worden. Daar heb ik ooit een hevig conflict over gehad met Theo van Gogh. Het stond in de Grondwet, vond Theo, maar het omgekeerde is waar; de Grondwet stelt juist grenzen aan wat je wel of niet mag zeggen. Nu hebben we weer zo’n paljas: Thierry Baudet. De dandy uithangen, pronken met kennis die je maar half bezit en voortdurend roepen hoe intelligent je bent. Tja. En zo’n man steunt dan weer de nieuwe omroep ‘Ongehoord Nederland’, geleid door de usual suspects: Joost Niemöller, Arnold Karskens en nog een paar van die verbitterde, witte, oude mannen. Ze hadden binnen de kortste keren duizenden leden, dat is waar, maar waarom kijk je daar van op? Hitler en Trump zijn ook democratisch gekozen. Toen ik de eerste keer over die beweging hoorde, dacht ik: ongehoord? Het zijn de luidruchtigste mensen van Nederland! Ik hoor niks anders. Er zijn maar weinig mensen die nog durven te twijfelen, die hun mening ter discussie willen stellen of bereid zijn ergens iets langer over na te denken. Ik ben opgegroeid in de tijd dat de zondagavond van de VPRO zo’n beetje het hoogtepunt op televisie was, de Republiek der Letteren van Vrij Nederland nog als gezaghebbend gold en elke krant een topbijlage had! Weg, allemaal weg. Alles is mainstream geworden, er zou geen verschil meer zijn tussen hoge en lage cultuur, nou, dat is er wél! Hoge cultuur is meer waard. Klaar. Punt uit.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende­­ dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Toen ik een jaar of acht was, glipte ik op een herfstvakantiedag, samen met een paar schoolvriendjes, stiekem een kelder binnen. Er lag alleen maar rotzooi, maar één van die jongens zei: ‘Dit is het goud van de Joden!’. Rond etenstijd ging ik naar huis. Mijn moeder vroeg waar ik zo lang was geweest. Ik antwoordde: ‘We hebben het goud van de Joden gevonden!’, waarop ze mij met zo’n afkeurende blik aankeek en zei: ‘Je bent zélf Joods!’. Ik zag er onmiddellijk de onontkoombaarheid van in; ik kon vanaf dat moment niet meer niet-Joods zijn. Ik vond dat ik me in het Jodendom moest verdiepen en binnen een mum van tijd aten we geen varkensvlees meer en werd mijn moeder – doordat ik zo vasthoudend was – min of meer gedwongen terug te keren naar haar Joodse jeugd die voor haar alleen maar negatieve associaties had.

“Ik ben een 0-of-100-man, er is weinig grijs in mij. Ik leerde de rabbijn voor Noord-Nederland kennen, hij nodigde me uit om bij de Chabad-Lubavitch, een sympathieke chassidische gemeenschap in Amersfoort, sjabbes te komen vieren en al snel vond ik tekst alleen niet meer genoeg en ging ik het leven leiden van een religieuze jood. Dat ik toen al niet meer in God geloofde deed daar niets aan af; je hoeft geen perfect geloof te hebben om een goede jood te kunnen zijn. Toch begon die sabbatse wetgeving me na een jaar of vijf flink op te breken. Zo’n koosjere keuken was mooi, maar toch ook een hoop gedoe. Belangrijker nog: ik wilde gewoon op seideravond en op sabbat kunnen schrijven. Ik had sowieso een groot probleem met autoriteiten. Als het Opperwezen het tijd vond om te rusten, moest het Opperwezen dat zelf maar weten – ik kon niet langer aan al die wetten gehoorzamen. Ik was vijfentwintig. Ik wilde schrijver worden. Ik had werk te doen.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Na die ene mededeling van mijn moeder – ‘Je bent zélf Joods!’ ­– kwam de volgende ontboezeming: de mensen die ik opa en oma noemde waren mijn grootouders helemaal niet. Zij waren de onderduikouders van mijn moeder. Ik vroeg haar waarom ze me dit nu pas vertelde, maar daar werd overheen geluld. Ze wilde sowieso niets kwijt over het verleden. In de loop der jaren kwam ik erachter dat mijn oma was vermoord in Sobibor, dat de oudere man die op de motor bij ons was langsgekomen – en van wie ik een speelgoed vuilniswagen had gekregen – haar echte vader was en dat ze ook nog een paar halfbroers bleek te hebben.

“Mijn moeder was psychisch zeer gekweld­­. Ze zat in de jaren zestig al aan de antidepressiva en kalmeringspillen. Kinderen pikken het humeur en de stemmingen van hun ouders feilloos op. Ik probeerde haar met grapjes blij te maken, eindeloos, tegen beter weten in. Mijn moeder was geen warme vrouw. Ze was hard. Voor zichzelf en iedereen om haar heen. Ze sloeg me met een pollepel – maar goed, ik heb een hoge pijngrens; ik kon wel wat verdragen ­– en verklaarde veel van wat ik deed tot onzin. Ik zocht bevestiging, waardering, maar we vonden elkaar alleen in het lijden: ik had al jong last van mijn oren, werd een paar keer geopereerd... al begreep ik toen al dat het vooral ondraaglijk voor háár was; zij betrok al het externe leed op zichzelf. Dus deed ik, in dat ziekenhuisbed, met mijn hoofd in het verband, alsof het allemaal niet veel voorstelde – wat misschien ook wel zo was trouwens ­– en probeerde ik ook op die momenten haar verdriet nog weg te nemen. Het is nooit gelukt. Mijn moeder was de eerste vrouw die ik niet gelukkig kon maken.

“Ze is nu 85 en zo dement als een deur. Ik bezoek haar regelmatig in het verzorgingshuis. Ze is altijd blij om me te zien, maar dat geldt voor alle mannen die daar rondlopen. Soms verdwijnt ze ineens. Dan is ze in haar rolstoeltje achter een mannelijke bezoeker aan gegaan. Ik ben geneigd te denken dat het me niet veel zal doen als mijn moeder overlijdt, maar we hebben zo’n symbiotische, ongezonde band gehad, dat het me nog wel eens lelijk kan gaan opbreken. Ze was kwetsbaar én hard, een zwart gat van aandacht waar alles in wordt opgezogen, iemand van wie ik, ondanks haar tekortkomingen, toch bleef houden. Niet om wie ze was, maar om wat ze had meegemaakt.

“Mijn vader gaat iedere dag bij mijn moeder langs. We ontmoetten elkaar daar, in het tehuis. Toen mijn moeder ons, mijn twee zusjes en mij, over haar verleden had verteld, werd hij ineens de enige niet-Jood in huis. Ik weet niet of hij zich buitengesloten heeft gevoeld; hij was sowieso iemand die zich als vader niet erg liet gelden. Hij was vooral met zijn carrière bezig – om zich zo min mogelijk met het gezin te hoeven bemoeien.

“Ik koester geen wrok, of zo, maar we verhouden ons uiterst moeizaam tot elkaar. Laatst leek hij een gesprek aan te willen gaan: ‘Zeg, Marcel...’ ‘Ja?’ ‘Hoe is het eigenlijk met je auto?’ Ja, ik weet heus wel dat hij eigenlijk naar mij vraagt, maar ik vertik het om hem te helpen. Ik heb lang genoeg mijn best gedaan – brieven gestuurd, regelmatig gebeld, bezoekjes afgelegd – maar er kwam nooit iets van zijn kant. Ook niet van mijn moeder trouwens, toen ze nog bij zinnen was. Dus koos ik , wat de relaties met mijn ouders betreft, ten slotte voor een Marcus Aurelius-insteek en besloot me niet meer druk te maken om dingen die ik toch niet kon beïnvloeden. Ik ben blij dat ik in staat ben om – mede dankzij vijf jaar psychoanalyse – een laconieke positie ten opzichte van mijn gezinsgeschiedenis in te nemen­­. Het is pijnlijk, maar dat is niet erg. De hele wereld heeft pijn. Het enige wat telt is dat je een manier vindt om daarmee om te gaan.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Als je het leven niet kan geven, mag je het ook niet nemen. Natuurlijk zijn er omstandigheden denkbaar waarin je je moet verdedigen, maar het uitgangspunt is: niet doden. Nooit. Dus ook geen doodstraf.

“Of je jezelf van het leven mag beroven? Ja, dat mag. Ik heb het zelf, toen ik net op de middelbare school zat en mijn eerste, diepe depressie kreeg, ook overwogen. Een echte depressie, dat is geen somberheid of zo, nee, dan denk je dat er nooit een einde komt aan die nare gevoelens en dat idee is ondraaglijk want je kúnt op die manier niet verder leven. Ik ben erg tegen onomkeerbare besluiten. Dat, plus de tricyclische antidepressiva die me werden voorgeschreven, is mijn redding geweest. Na vier of vijf weken slikken werd ik op een ochtend wakker en het was net alsof buiten het licht was aangedaan. Ik rende in mijn onderbroek naar de telefoon om de huisarts te bellen met wie ik in die tijd wekelijks contact had: ‘Ik ben genezen!’ Dokter Wiegman, een echte Noorderling, zei: ‘Da’s mooi jong. Nu moet je nog drie maanden doorslik’n.’ De depressies bleven tot mijn twintigste terugkomen. Na mijn laatste depressie heb ik de bijsluiters eens goed gelezen en dacht: zo kan het niet doorgaan. Ik heb alles door de wc gespoeld en heb mezelf daarna een heel rigide leven aangemeten, met veel structuur en regelmaat­. De laatste tijd komen die depressies weer wat vaker voor – dat heeft ongetwijfeld met de afgelopen, moeilijke jaren te maken – maar vooralsnog blijft alles keurig binnen de bandbreedte.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Hanneke en ik zijn vierentwintig jaar bij elkaar geweest. We zijn op mijn initiatief uit elkaar gegaan. We kregen twee kinderen samen, we hadden een goedlopend bedrijf... maar voor mij is het in de liefde óók een kwestie van 0 of 100 en we haalden al een tijdje die 100 niet meer. Na een paar jaar ontmoette ik Barbara. Met haar ben ik getrouwd omdat ik haar wilde laten zien hoe serieus ik onze relatie nam... Negen jaar later besloot ze me te verlaten. De casussen zijn verschillend, maar wat er aan ten grondslag ligt is hetzelfde: mijn onvermogen om de ander gelukkig te maken. Wat ik zelf wil? Iemand die me aardig vindt, zonder dat het hoeft. In feite wil ik iets waar nooit in voorzien kan worden, want áls iemand zegt me aardig te vinden, geloof ik het niet. Juist omdat onze levens inwisselbaar zijn. Natuurlijk zijn we verdrietig als mensen verdwijnen, maar uiteindelijk kunnen we allemaal gemist worden.”

VIII Gij zult niet stelen

“Op mijn twaalfde heb ik een Matchbox-autootje gestolen. Het was een Jaguar, als ik het me goed herinner. Ik móest weten wat die daad teweeg zou brengen. Nou, weinig dus. Niet dat ik had verwacht dat er pek op me zou neerdalen, of dat ik in een wolk van zwavel zou verdwijnen, maar ik had toch op een dieper gevoel van zonde­besef gerekend. Oké, dit was spannend – ik was bang om ontdekt te worden – maar helemaal niet mysterieus of zo; niet stelen was dus gewoon een convenant, een sociale afspraak. Ik heb het autootje wel meteen weggegooid omdat ik vond dat ik niet het recht had om er plezier van te hebben. De oefening alleen was voldoende. Een vinkje op de lijst van dingen ik nooit meer zou hoeven doen.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Een schrijver liegt van begin tot eind. Dat is de essentie van literatuur: dat het niet de waarheid is. Maar het moet wel een waarachtige tekst zijn. Een lezer moet zichzelf in een verhaal herkennen. Voor mij is alles materiaal. Dus: als mijn vrouw zegt dat ze niet meer gelukkig met me is, grijp ik mijn pen om er een aantekening over te maken. Uiteindelijk is Joyce, de vrouw die Sam Hagenau in ‘Amen’ verlaat, niet meer mijn ex. Joyce bestaat uit vier, vijf mensen en een heleboel verzinsels, maar wat wáár is, is alles wat daar onder ligt. Je moet als schrijver bereid zijn om de kern van een verhaal – dat uiteindelijk over andere mensen in andere situaties zal gaan – in jezelf op te zoeken. Ga uit je hoofd, naar je buik, ga op de snijtafel liggen en durf jezelf niets ontziend te fileren en te analyseren. Dát is de literaire methode. De enige manier. Als je die pijn uit de weg gaat, kun je nog zulke heftige boeken schrijven, maar echt wordt het nooit.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Ach man, wat moet ik met al die rommel? Het enige wat ik nog begeer is tijd.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden