Tien GebodenLevi Weemoedt

Lévi Weemoedt: Vriendschap en liefde, genieten van een ander, daar gaat het om

Beeld Mark Kohn

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden. Deze week: Lévi Weemoedt, pseudoniem van Izaäk van Wijk (Geldrop, 1948). Hij debuteerde in 1977 met de dichtbundel ‘Geduldig lijden’ en maakte in de jaren tachtig furore als dichter en schrijver. Daarna werd het stil. Met een bloemlezing van zijn verzen staat Weemoedt weer in de belangstelling. ‘Pessimisme kun je leren!’ is genomineerd voor de NS Publieksprijs en deze maand verscheen de nieuwe bundel ‘Gezondheid!’

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Het kán helemaal niet, maar ik meen me toch te herinneren dat ik als baby al, gewikkeld in een deken, naar mijn oom en tante werd gebracht omdat het thuis te onrustig voor mij was. Eer uw vader en uw moeder, al is de laatste nog zo’n loeder! O, ja, ja, je hebt gelijk: dat komt allemaal later nog aan bod – ik ben een chaoot, hou me maar een beetje in de touwen, heel goed – maar waar het hier nu even om gaat is dat ik het grootste deel van mijn jeugd bij mijn oom en tante, onze achterburen in feite, heb gewoond en dat deze twee lieve, rechtschapen mensen lid waren van de Gereformeerde Gemeente. Ik ben dus opgevoed met een streng geloof, maar ik kijk daar – in tegenstelling tot veel Nederlandse schrijvers met een soortgelijke achtergrond – zeker niet met onlustgevoelens op terug. Ik ging met plezier twee keer per zondag mee naar de kerk.

“Ik voelde me veilig en geborgen, al ben ik op een dag mijn geloof in God toch kwijtgeraakt. Ik had bedacht: als iedereen in mijn omgeving zou bidden dat mijn vader en moeder geen ruzie meer zouden maken, dat God dan... tot het ineens tot me door drong dat zoiets onmogelijk was; dat niemand ooit zoveel mensen tegelijkertijd aan zou kunnen horen. Ik kwam tot de vreselijke conclusie dat God niet kón bestaan en dat besef maakte mij grondeloos treurig. Ik had de bodem bereikt, de naakte waarheid gezien: niemand kon me helpen. Ik was totaal alleen.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Koning Alcohol is zeker één van de afgoden die ik heb gediend, maar ik was ook een workaholic dus ik ging, ongeacht de hoeveelheid drank die ik de avond ervoor tot me had genomen, de volgende ochtend altijd gewoon weer naar mijn werk. Tegenwoordig heb ik mezelf redelijk goed in de hand. Ik drink, zoals Reve ooit zei, nooit meer dan strikt noodzakelijk.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Het leven leert je vloeken, helaas, maar toen ik in de gaten kreeg dat ik bij het minste of geringste wat me overkwam alleen nog maar shit, kut en godgloeiende pispot kon zeggen, barstte ik in tranen uit omdat ik met die taal vooral mijn eigen verloedering in beeld bracht. Zo voel ik dat nog steeds: vloeken is een tekortkoming, een bittere afgang­­.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Mijn tante Neel kookte op zaterdagmiddag. Ook de was werd op zaterdag gedaan. Op zondag was het stil. Je moest een bladzijde niet te hard omslaan. Ik sloop op kousenvoeten door het huis, bekeek Bijbelse prentjes aan de muur. Vaak stond ik ook gewoon maar wat naar buiten te staren. Dan hoorde ik de wind, het gekras van takken tegen de ruit. Af en toe ving ik een glimp op van mijn vader of moeder, aan de overkant. Eenzame figuren waar het licht op valt, een beetje zoals in een schilderij van Hopper. Al het gevoel was weg, alle warmte was weg. Ik zag mijn ouders, maar ze waren toch vreemden voor me.”

Beeld Mark Kohn

V Eer uw vader en uw moeder

“Het begon vaak op zondagavond, nadat er een hoorspel van Paul van Vlaanderen op de radio was geweest. Dat geluid – een beetje fluisterend, spookachtig – was een soort vooraankondiging; na de uitzending zou het weer beginnen. Praten werd schreeuwen en al snel hoorde ik glas breken, de klappen die mijn moeder kreeg, haar afschuwelijke gejank... Het gekke is: mijn zus, die vier jaar ouder was, sliep er dwars doorheen. De ruzies gingen altijd over andere mannen.

“Mijn moeder was totaal niet geschikt voor het huwelijk. Ze was een kroegtijger, helemaal crazy, ze had meer stoornissen dan het diagnostisch en statistisch handboek voor psychische aandoeningen kan bevatten. Maar dat wist ik toen nog niet, als ventje van vijf, zes jaar oud. Ik voelde alleen die vreselijke dreiging. Gelukkig had mijn vader in de gaten hoe zeer ik er onder leed. Vandaar die verhuizing naar mijn oom en tante.

“Rond mijn middelbare schooltijd keerde ik terug naar huis. Toen werd ik pas echt geconfronteerd met mijn moeders gekte. Ze was de hele dag met een stofzuiger in de weer. Het huwelijk knechtte haar, ze was wat je vroeger een maintenee noemde, een maîtresse voor oudere heren. Mijn zusje bleek ook mijn halfzusje te zijn, geen kind van mijn vader, maar dat hoorde ik veel later pas. Ik schaamde me voor mijn moeder, durfde geen vriendjes of vriendinnetjes mee naar huis te nemen omdat zij daar stinkend – ze waste zichzelf nauwelijks – als een beest over de vloer kroop.

“Op mijn zestiende was ze ineens verdwenen. Ik was samen met mijn vader en een vriendje op vakantie geweest in Zwitserland. De gordijnen waren dicht, alles was stil. Geen gillende stofzuiger, geen stofdoek die driftig werd uitgewapperd... Ik denk dat mijn vader het misschien wel heeft geweten, maar we bespraken haar vertrek niet. Mijn zus was inmiddels de deur uit. Dus zaten wij voortaan samen, aan zo’n Oost-Europees formica tafeltje, onze yoghurt met vruchtjes – uit blik – te eten. Op mijn verjaardag lag er altijd een kaart van moeder op de mat. Meestal met een of ander vrolijk konijntje dat me nog vele gelukkige jaren wenste.

“Ik zou mijn moeder pas twintig jaar later terugzien. Ze was – toevallig? Ik weet het niet meer – bij mijn zus op bezoek. Ze had een wild leven achter de rug, was de hele wereld over gezworven, op enig moment zelfs nog op de hielen gezeten door haar contacten uit het criminele circuit, had meerdere mannen laten barsten, maar ze deed net alsof er niks gebeurd was en ik... ik zei niets. Wat moest ik zeggen?

“We bouwden een band op, dat wil zeggen: zij heeft, tot ze op haar 96ste zou bezwijken, alleen maar over zichzelf gepraat. Ik klaagde daar nooit over, nee; ik was gek op mijn moeder. Natuurlijk had ze me niet in de steek mogen laten en natuurlijk had mijn vader zijn driften moeten beheersen, maar weet je, ik moet toch vaak denken aan wat Cesar Pavese, de Italiaanse schrijver, ooit heeft gezegd: je bent pas echt volwassen als je niet meer over je jeugd, over alle verschrikkelijke dingen die er zijn gebeurd, loopt te ouwehoeren. Ik ben nu 71, veel te oud om mijn vader en moeder nog ergens de schuld van te geven.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Of je jezelf mag doden? Dat is een moeilijke vraag, jongen... Ik ben een leven­­ lang behept geweest met depressies, heb meerdere keren overwogen om zelfmoord te plegen, maar het pad daar naartoe werd afgesneden door Karin, mijn tweede vrouw, die in 2002 een einde aan haar leven heeft gemaakt. Het klinkt misschien gek, maar dat is zowel een zegen als een straf. Ik vind namelijk dat je het recht hebt om ermee te stoppen, maar ik zou onze kinderen – ze waren elf en 21 toen het gebeurde – zoiets niet nog eens aan kunnen doen... we hadden het net over God, toch?

“Wat zeg je tegen een jongetje van elf dat iedere dag naar de zolder loopt om als een diertje aan de kleren van zijn moeder te ruiken? Wat zeg je tegen zo’n kind als het vraagt waar mama is? Dat ze in de aarde werd begraven en dat haar lichaam daar ligt weg te rotten? Of vertel je hem dat ze ergens tussen de sterren, misschien zelfs bij de Here Jezus, ín de hemel is? Lafaard die ik was, koos ik voor het laatste. Ik, die de waarheid had gezien – namelijk dat je alleen komt en alleen gaat – heb de boel verloochend, domweg omdat het onmogelijk is te accepteren dat degenen die we zo beminnen niet langer bij ons zijn.

“Ik heb haar gevonden. Er waren erg veel medicijnen aan te pas gekomen. En er was een afscheidsbriefje. Er waren ergere, gruwelijker omstandigheden mogelijk... maar toch: ik heb zes jaar lang last gehad van een nachtmerrie waarin ik met haar in mijn armen rondliep, wanhopig op zoek naar een dokter. De mensen in de buurt keken me allemaal vijandig aan; niemand, behalve één Turkse man, wilde me helpen. Pas na een gesprek met een psychiater, een man die zij al eerder had geraadpleegd omdat Karin vanaf jonge leeftijd suïcidaal was geweest, ben ik daar min of meer vanaf gekomen. Ik heb altijd geweten dat het een keer zou gaan gebeuren, maar die man wist me ervan te overtuigen dat ik er echt niets aan had kunnen doen om haar zelfmoord te voorkomen.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Marja was mijn eerste vrouw. Blonde vrouw. Leuke vrouw. Krachtige vrouw. Ze dronk mij onder tafel, terwijl ik toch een zekere reputatie had. In 1974 gingen we uit elkaar. Dat was zo’n beetje de mode in die tijd; als je getrouwd bleef, hoorde je er niet meer bij. Met mijn tweede liefde, Karin, ging het ook fout. We trouwden in ’77, maar zij heeft in ’88 de scheiding aangevraagd. Een jaar later is ze voor een tweede keer met me getrouwd – ze had veel trekjes van mijn moeder; net zo crazy, minstens zo fascinerend – om vervolgens vier jaar later uit het leven te stappen.

“Ik had nooit gedacht dat ik ooit nog iemand zou vinden, maar sinds een paar jaar heb ik toch weer een vriendin. Ze heeft een dochter van veertien, dus ik heb eigenlijk weer een gezinnetje... Ik hoop natuurlijk dat wij samen oud worden. Ik ben geneigd te zeggen: aan mij zal het niet liggen. Ik ben niet alleen monogaam, maar ik ben ook monomaan. Dat gevoel is misschien zelfs sterker. Ik wil absoluut niet dat ze bij me weg gaat. Zoals mijn moeder, zeg je? Hm. Ja. Daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben.”

VIII Gij zult niet stelen

“Nee joh! Of ja, wacht even... ik heb ooit geprobeerd een waterpistooltje te pikken bij de V&D in Rotterdam! Ik woonde in Vlaardingen, maar ik liep vaak met een groep oudere jongens naar de grote stad, 25 kilometer heen, 25 kilometer terug, en op een dag heb ik, onder hun invloed, zo klein als ik was... je moet weten: ik was echt de kleinste van het stel. Ik herinner me nog goed dat we gingen belletje trekken bij Axel van den Berg. Axel was gehandicapt. Die had polio of zo. Hij lag in een bed voor het raam. Zijn vader had allemaal vliegtuigjes voor hem aan het plafond opgehangen die hij met één ruk aan een touwtje in beweging kon brengen. Maar goed, juist bij deze Axel gingen we belletje trekken. Heel zielig, eigenlijk. Z’n vader kwam onmiddellijk naar buiten gestormd en wij zetten het met z’n allen op een rennen. Ik stond op het punt om op te geven, zag de oude Van den Berg al naderen, maar wat gebeurde er? Die man rende me straal voorbij! Ik, die zo graag bij de grote jongens wilde horen, telde helemaal niet mee! Dat vond ik zo’n grove belediging dat ik – o ja, het waterpistooltje! Nou, ik had dat ding nog maar net in m’n handen toen ik al door de huisdetective in de kraag werd gevat. Meekomen jij. Mijn ouders kregen een brief, maar het werd verder allemaal heel coulant opgelost. Omdat ik zo klein was natuurlijk.

“Veel later heb ik nog eens boek gestolen van een collega-leraar. ‘Wuthering Heights’ van Emily Brontë. Waarom? Gewoon, omdat die man een vreselijke eikel was.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Het laatste versje in ‘Gezondheid’ heet ‘Slotgebed’ en dat gaat zo: ‘O, danken wij het Opperwezen dat wij nooit meer Trouw hoeven te lezen!’ Ik dacht: dat vertel ik je alvast maar even, omdat ik je natuurlijk niet met het valse idee mag opzadelen dat ik het geweldig interessant vind om met je over die tien geboden te lullen. Vroeger zeiden we al: wie leest er nou nog de Trouw? De oorlog is toch al lang voorbij? Haha! Nee joh, allemaal onzin natuurlijk. Dit is echt Weemoedt, die nu aan het woord is. Hij houdt ervan om een beetje te pesten. Lévi Weemoedt is een puber. Izaäk Jacobus van Wijk is een stuk serieuzer van aard.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Z’n vrouw mag-ie houden, maar die ezel moet hij héél snel geven, anders gebeuren er ongelukken. Ik ben dol op ezels! Verder begeer ik niet zoveel. Het is natuurlijk mooi dat Eus (Özcan Akyol, schrijver en programmamaker, AV) een fan van me bleek te zijn en dat zijn bloemlezing van mijn gedichten een bestseller is geworden, maar ik moet je eerlijk zeggen dat ik me nooit zo heb bezig gehouden met gezien en gehoord willen worden. Moet ik dan met een hoed op en een cape om de stad in, om de grote kunstenaar uit te gaan hangen? Schei toch uit.

“Weet je wat het ook is? Ik krijg, naarmate ik ouder word, steeds meer de behoefte om de boel een beetje te relativeren. Dit is goed: wij, hier, met twee koppen koffie en allebei een brok gevulde speculaas. Dit soort momenten verlengen je leven. Vriendschap en liefde. Er is geen remedie tegen de snelheid van de tijd, behalve die van de geestverwantschap, de congenialiteit; het genieten van de ander, van meningen die een beetje stroken met de jouwe, zodat je minder eenzaam bent en je je een beetje thuis voelt in deze boze, vreemde wereld.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden