Marte Röling.

Tien Geboden Marte Röling

Leven na de dood lijkt kunstenares Marte Röling heerlijk, maar ook onwaarschijnlijk

Marte Röling. Beeld Mark Kohn

Marte Röling (Laren, 1939) is kunstenares. Ze is bekend om haar grote schilderijen en sculpturen, maar ontwierp ook postzegels, platenhoezen en kostuums. In 2010 werd ze benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, in 2014 ontving ze de Eremedaille voor Kunst en Wetenschap. Ze woont en werkt in Uithuizen, Groningen.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Het lijkt me heerlijk om straks nog een toetje te krijgen; om op een of andere manier door te mogen leven, in de hemel of zo, waar dan zo’n beetje alle leuke mensen zitten die ik in mijn leven ben tegengekomen... maar nee, ik geloof niet dat het zal gebeuren. En een terugkeer op aarde lijkt me ook onwaarschijnlijk. Alles vergaat, zelfs gebergten slijten en verdwijnen; waarom zou de mensheid – toch al zo’n plaag – het nóg een keer mogen overdoen?”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Geen idee dat dit volgens de Bijbel óók niet mocht – daar hebben we ons mooi niet aan gehouden. Ik denk dat er, door diezelfde regel in de Koran, een vat aan talent verloren is gegaan. De islamitische kalligrafie is prachtig, de bouwkunst is fantastisch, maar stel je eens voor dat ze óók nog poppetjes hadden mogen tekenen... Ik heb altijd getekend – ik tekende al voor ik kon praten, zeiden ze – en mijn ouders lieten mij m’n gang gaan. 

Mijn moeder ging ervan uit dat Niels, mijn broer, zou gaan studeren en dat ik zou trouwen, al zou ik er dan wel, zoals Virginia Woolf schreef, ‘A room of one’s own’ op nahouden. ‘Je krijgt eerst een miskraam en dan twee kinderen’, zei ze, alsof ze aannam dat ik precies hetzelfde als zij zou gaan meemaken en wilde voorkomen dat ik er later van zou schrikken. Ze nam me ook altijd mee naar kinderwagens: ‘Kijk eens wat een lieve baby!’ Vond ik ook wel, en ik speelde met poppen, maar al snel bedacht ik dat er wel genoeg kinderen op de wereld waren en dat het niet zo’n goed idee was om er zelf ook nog één te bakken. Bovendien was ik er heilig van overtuigd dat ik net zo veel van andermans kinderen zou kunnen houden. Ik nam me voor dat ik er wel eentje zou kopen als ik het ooit echt benauwd zou krijgen, maar het is er nooit van gekomen. Voor mij was de beeldende kunst niet eens een keuze; er is gewoon nooit een andere optie geweest. 

Het gaat te ver om te zeggen dat kunst voor mij ook de plaats van religie inneemt. Een boom planten komt dichter in de buurt van een soort mystieke handeling. Ik kan moeilijk pitten weggooien, juist vanwege die potentie. Zie je die gigantische notenboom? Die heb ik uit een noot gekweekt, een joekel van meer dan vijftien meter hoog. Daar ben ik vreselijk trots op.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Mijn vader kon geweldig vloeken. Als hij in het schuurtje werkte en er iets op zijn teen was gevallen, hoorden we een soort shakespeareaans gedonder onze kant op rollen. Ik weet jammer genoeg niet meer wat hij nou precies... of ja, nu schiet me er toch één te binnen: ‘verdomde moordenaarskonten!’ Waanzinnige onzin, natuurlijk, maar het klonk wel prachtig.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Soms ben ik zo lekker aan het werk dat ik denk al úren bezig te zijn, maar als ik dan op mijn horloge kijk, blijkt er pas een kwartier te zijn verstreken. Prachtig, zoals de tijd zich uit kan rekken. Ik heb altijd hard gewerkt en met ontzettend veel plezier. Kennelijk heb ik ook een zekere geldingsdrang: hoe meer er is, hoe minder er verloren kan gaan. Ik zou het fijn vinden als er iets van me overblijft, maar ik moet ook vaak denken aan een anekdote die mijn vader me ooit vertelde over een beroemde Griekse schilder. Van al het prachtige werk dat deze, door velen bewonderde, kunstenaar heeft gemaakt, is helemaal niets bewaard gebleven; het enige wat over is zijn de leuke verhalen die hij vertelde.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Achteraf kan ik niet anders zeggen dan dat ik een idyllische jeugd heb gehad. Lieve vader, lieve moeder, schattig broertje, gezellig huis in het Gooi. Ik ben mijn ouders dankbaar. Ze hebben goed voor me gezorgd, ik ben niets tekortgekomen. Pas toen mijn broer ging studeren, ontstond er tussen mijn moeder en mij enig gekibbel. Dat begon meestal op vrijdagmiddag, vlak voor hij naar huis kwam om bij ons het weekend door te brengen. Het was alsof we elkaars concurrenten werden – later heeft ze er trouwens voor gezorgd dat het contact tussen mijn broer en mij verstevigde: ze was al vijftien jaar weduwe, de buren die op haar letten en haar hielpen gingen verhuizen en mijn moeder maakte zich zorgen over haar toekomst. Daarop zei Henk (Jurriaans, 1940 - 2005, psycholoog en kunstenaar, AV) dat ze bij ons, in Groningen, kon komen wonen. Mijn broer kwam haar toen regelmatig hier opzoeken en dan nodigde ze mij ook uit om erbij te komen zitten. 

Het was ook wel wennen om mijn moeder weer zo dichtbij te hebben. Een keertje zei ze ineens, waar visite bij was, tegen me: ‘Hou jij nou eens even je mond!’ Ze was dol op reizen en omdat ik in die jaren regelmatig naar het buitenland moest, voelde ik me weleens bezwaard als ik in mijn auto stapte, klaar om weg te gaan. Soms kwam ik niet verder dan het hek. Dan reed ik terug en vroeg: ‘Heb je zin om mee te gaan?’ Twintig minuten later zat ze, bepakt en bezakt, naast me in de auto. We hebben veel gereisd samen. In Europa kon ik haar niet meer verrassen... ik herinner me dat we een keer ergens in Zwitserland reden en dat ze zei: ‘Als we hier straks de bocht omgaan, zie je een wit kerkje met een prachtige roze klimroos!’ Dan kon ik haar wel wat aandoen! 

Ze wist zo veel, mijn moeder, had de hele wereldbibliotheek gelezen, raadde mij voortdurend boeken aan, maar als ik een keer een boek voor haar had, zei ze: ‘Mwah, ja, ik weet het niet’. Ze was ook belezener dan mijn vader. Hij had in zijn jeugd Nietzsche gelezen en dat was, bij wijze van spreken, voldoende materiaal om mee voort te kunnen. Geweldige man, mijn vader. Aardig, grappig, erudiet. Hij overleed in 1981, op 76-jarige leeftijd. Jaren na zijn dood, droomde ik ineens dat ik hem tegenkwam. Ik vroeg: ‘Waar was je nou al die tijd? Waar ben je mee bezig? Wanneer kom je weer terug?’ Mijn vader glimlachte alleen maar een beetje en verdween. Toen ik wakker werd, was ik teleurgesteld; dat hij me niets had willen vertellen. 

Mijn moeder bleef twaalf jaar, tot haar 96ste, bij ons wonen. Ze stierf in 2006, in het ziekenhuis waar ze was opgenomen vanwege een ontsteking in haar darmen. Er werd tot een ingreep besloten en terwijl ze naar de operatiekamer werd gereden, zei ik tegen haar dat ik de volgende dag een schilderij van haar zou meenemen en een doek in mooie kleuren, om haar kamer een beetje mee op te fleuren. Ik bedankte haar ook. Niet uit voorgevoel, maar toch, ze was heel oud... Ze had daar zelf ook een mooie uitdrukking voor: ‘Ik loop pink aan pink met de dood’. Ze is tijdens de operatie overleden. Een arts zei later: ‘Ik weet niet of ik mijn moeder nog zoiets zou hebben laten ondergaan’, maar ik heb me geen moment bezwaard gevoeld. Ik heb er zelfs niet aan gedacht; ik wilde alleen maar dat ze beter werd. Ze heeft hier zelf niets van gemerkt. Een roesje, onder zeil en weg. Het gekke is dat ik heel lang heb gedacht dat ik niet heel erg verdrietig zou zijn, maar ik begon onmiddellijk, met haar dode hand nog in de mijne, aan iedereen te vertellen hoe bijzonder mijn moeder was geweest, alsof ik er rekening mee hield dat ze me misschien nog wel kon horen. Ik mis haar. Met al haar leukigheid, met al die stekeligheden, alles: ik mis haar nog steeds.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Mijn vader was altijd een grote, sterke kerel geweest, een He-man die graag met zijn spierballen rolde om indruk te maken – en met succes: vrouwen werden allemaal verliefd op hem. Toen werd hij ziek. Botkanker. Hij vermagerde zo erg dat ik hem zo uit z’n bed kon tillen. Mijn vader had besloten om er zelf een einde aan te maken als het nodig was. Op een dag vond hij dat het zover was. Ik mengde het gif dat hij in de loop der tijd had verzameld door de yog-hurt die mijn moeder voor hem gehaald had, nam er nog een likje van om te weten hoe het smaakte. Het was heel bitter, mijn vader at zijn kom beslist en dapper leeg. Daarna dronken we met z’n vieren nog een glas whiskey en rookten we een sigaret. Nee, ik heb mijn vader niet gedood. Ik heb hem geholpen zijn eigen beslissing te nemen en – om het nu maar even heel gristelijk te zeggen – ik was blij dat ik het mocht doen.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Ik zag Henk staan en dacht: dát bedoel ik nou. Die uitstraling, die houding, breed gebouwd – een verrukkelijke man vol fantastische verhalen. Als ik die ene avond met hem kon doorbrengen, dacht ik, dan zou ik al tevreden zijn. Ik hoefde hem niet te hebben, ik wilde gewoon genieten van wat er was. Dat zou ik uiteindelijk zesendertig jaar lang gaan doen. Ik ging weg bij Hans (Koetsier, 1930 - 1991, conceptueel kunstenaar, AV), wat vreselijk was want ik hield zielsveel van hem, en ging bij Henk wonen. Henk hield van vrouwen; hij had zelfs een formulier waarmee je je bij hem kon aanmelden. Pasfotootje, huwelijkse staat, verloving, kerkelijke inzegening, dat soort dingen en klaar.

We waren al een tijdje samen toen Alissa bij ons kwam wonen, daarna kreeg Henk een relatie met haar zus Adrienne en een paar jaar later zei hij, heel terloops, dat ook Wanda er voortaan bij zou horen. Ik heb het nooit moeilijk gevonden om Henk met anderen te delen – zo heb ik dat ook nooit gezien – omdat wat wij samen hadden toch uniek, van ons tweeën was. Ik gunde Henk alles. Het enige wat hij niet mocht doen was doodgaan, maar hij heeft helaas niet naar me geluisterd. Eerst wilde ik zelf óók sterven, niet van verdriet of zo, maar ik had gewoon het gevoel dat het feestje afgelopen was. Na verloop van tijd begon ik in te zien dat ik ook deel uitmaakte van een ander feest: Henk heeft drie schatten, drie verduveld aardige vrouwen gekozen. Ik mis hem nog elke dag, maar we hebben het hier heerlijk met z’n vieren.”

VIII Gij zult niet stelen

“Een collega belde me op en zei: “Ik ben toch zó goed bezig, dit wordt echt prachtig!” We gingen in die tijd heel intens met elkaar om en de spanning werd behoorlijk opgebouwd: “Volgens mij zijn dit de mooiste schilderijen die ik ooit heb gemaakt.” Op een dag was het zover: ik mocht komen kijken. Ik stapte haar atelier binnen en zag... mijn eigen werk. Althans: iets wat er sprekend op leek. Ik wist niet hoe ik moest reageren. Ik was driftig – verzin zelf wat! – maar het ontroerde me tegelijkertijd dat mijn werk voor haar, onbewust, zó inspirerend was geweest.

Ik geloof niet dat ik zelf tot zoiets in staat zou zijn. ‘Zelf, zelf!’ – dat schijn ik als kind al vaak geroepen te hebben. Mijn werk is ‘eigen’, dat hoor ik tenminste vaak zeggen. Vintage Röling, ja, leuk uitgedrukt. Of ik trots ben op mijn werk? Laat ik het zo zeggen: ik weet mezelf goed op waarde te schatten. Waarmee ik niet wil beweren dat ik nou zo’n fantastisch mens ben, maar ik doe het, met alle onzin die erbij kan komen kijken, helemaal zo slecht nog niet.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Een vriendin vertelde me ooit dat ze ons in Amsterdam had moeten verdedigen in ’t café. Er is waarschijnlijk behoorlijk over ons geroddeld, maar ik heb daar nooit iets van gemerkt. Toen we hier kwamen wonen, hingen er bloemen aan de deur om ons te verwelkomen. Ze zijn bijzonder aardig, die Groningers. Misschien hadden ze gerekend op een artistiek zooitje, maar mijn moeder woonde al een jaar in het voorhuis en ze hadden gezien hoe wij de boel opknapten, in de tuin werkten en verder ook geen rare dingen deden. We maken nu al jaren deel uit van de gemeenschap.

Ik ben overigens zelf ook niet iemand die anderen snel bekritiseert; voor mij is iedereen gelijk. Die ongelijkheid, dat was vroeger nog wel een dingetje: als ik mijn werk aan een of andere commissie moest laten zien en ik wist dat er, bijvoorbeeld, twee vrouwen in die jury zaten, dan hield ik meteen rekening met twee stemmen tegen. Later volgde een periode waarin vrouwen juist heel veel van elkaar moesten houden en ik sowieso twee stemmen vóór zou hebben, maar tegenwoordig maakt het gelukkig helemaal niets meer uit of je man of vrouw bent. Die rare, gekweekte rivaliteit, en het valse gedoe dat daar bij komt kijken, bestaat in ieder geval niet meer.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Jaloezie maakt mensen lelijk. Bewonderen is veel fijner. Ooit reed ik in mijn zwart gespoten Kever door de Zwitserse Alpen toen ik op een gegeven moment door een fantastische raceauto werd gepasseerd. Ik deed mijn best hem bij te houden, maar hij ging natuurlijk steeds harder rijden. Terwijl ik maar één ding wilde: zo lang mogelijk naar zoiets moois kunnen kijken.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden