Beeld Trouw

ColumnBert Keizer

Kunst biedt troost: het is 's avonds soms het enige dat je overeind houdt

Afgelopen zondag fietste ik in anti-coronastemming door Amsterdam. Even geen talkshows met post-coronavisioenen, helden die hun stinkende best doen, RIVM-getallen, KLM-miljarden, recessie-voorspellingen, kwetsbare basisschoolleerkrachten, mondkapjes, vleermuizen, longembolieën, vaccins, wegkwijnende verpleeg­huisbewoners, maar ook geen ‘Decamerone’, niet nog een keer ‘De Pest’ en alsjeblieft geen beschouwingen over hoe verwend we zijn en dat we niet goed tegen de dood kunnen en de vraag hoeveel oudjes we willen offeren om hoeveel faillissementen te voorkomen.

De stad viel me tegen. Geen legen­darisch lege pleinen, wel erg weinig auto’s. Maar aardig wat volk op de been. Op de Wallen zaten de ‘gewone’ mensen, die daar kennelijk ook wonen, bijna allemaal buiten met spijs en drank en veel vrienden op bezoek. Zelfs rond de Oude Kerk nu eens geen urinestank en verdroogde braakselresten. In de kerk van het Begijnhof was ik voor het eerst de enige bezoeker.

Ik kon niet naar mijn favoriete boekhandel. Hij was wel open, maar een ­lange rij en met een mandje naar binnen, dus ik dacht: laat maar.

Ik denk alleen aan de oorlog 

Op de Dam waren ze al bezig met de voorbereidingen voor de Dodenherdenking. Voor het eerst sinds vele jaren kon ik er niet heen. Het ging in de leegte gebeuren. Ik weet dat er ter herdenking allerlei ellende is toegevoegd aan de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, met bijbehorende kransen tijdens de plechtigheid op de Dam. Maar ik denk alleen aan de oorlog en dan vooral aan de Jodenvervolging.

Elk jaar weer word ik jankerig in de stilte op de Dam waar steevast een duif doorheenfladdert terwijl je daar met een paar duizend mensen staat te staan. Het is een rite geworden die heel geleidelijk op drift is geraakt. Ik bedoel te zeggen dat het als gebeurtenis steeds ijler vastzit aan de feiten waar het over gaat. Ik zeg dat in weerwil van de snoeiharde woorden van Arnon Grunberg, die ons nog eens wees op de onvoorstelbare horror waar de herdenking omheen is gebouwd. 

Ik weet niet hoe erg dat is, maar wij reizen verder in de tijd, verder weg van de Holocaust. Dat blijkt ook uit de aanwezigen. Ik ben van 1947, maar de mensen die jaarlijks om mij heen staan zijn voor het overgrote deel veel jonger dan ik. Nou vind ik van mezelf al dat ik niet zo hard zou moeten herdenken want ik heb er niets van meegemaakt. En dat geldt nog sterker voor de meeste andere aanwezigen, om maar te zwijgen over de voorganger tijdens de dienst: onze koning die van 1967 is.

En toch komen er elk jaar weer duizenden mensen op af. Ik weet niet goed wat er in al die hoofden omgaat maar ik vind het troostend dat we daar in stilte staan. Gedurende een paar uur, want je moet erheen, en dan weer terug door de gezellig drukke stad, ben je bezig met je even op te stellen naast de onhoudbare gang van de geschiedenis. Je verandert niets. Er wordt niks geregeld. Geen bakens verlegd. Geen revolutie ontketend. Maar je fietst gelouterd naar huis.

Er wordt onder corona (daar is-ie weer) veel gezucht en gesteund door de culturele sector, en ik zucht mee. Wat daarbij opvalt is dat we niet goed weten te formuleren waarom zingen, dansen, schilderen, schrijven, dichten, muziek maken enz. enz. zo belangrijk zijn.

Treiterige dwanggedachte

Ramsey Nasr suggereerde in ‘Buitenhof’ dat het Outbreak Management Team misschien geholpen zou kunnen worden door een schrijver met verbeeldingskracht. Het was een even sympathieke als onpraktische suggestie, ingegeven door de treiterige dwanggedachte dat kunst toch ergens goed voor moet zijn.

Waarom vraagt niemand zich bij de Dodenherdenking af wat daar het nut van kan zijn? Zeg me niet dat het ter voorkoming van toekomstige wandaden is. Ik geloof daar niks van. Het is een viering die troost biedt. En ik zou het bieden van troost in de vorm van een lach, een schilderij, een roman, een sonnet of een gitaarsolo willen aanwijzen als een van de drie belangrijkste bestaansredenen voor kunst. Die andere twee weet ik niet. Kunst is op troostende wijze naast het leven van alledag staan. Overdag op je werk heb je er niet veel aan, maar ’s avonds is het soms het enige dat je overeind houdt.

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum Euthanasie. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden