ColumnBert Keizer

Kun je de Mariaverschijning zomaar de deur wijzen?

Op de allerlaatste dag van 2020 las ik in Trouw: ‘Klap voor Lourdes aan de Amstel: Maria was niet in Amsterdam’. Het gaat om Ida Peerdeman (1905-1996) aan wie Maria meerdere malen verscheen. De eerste keer in 1917 toen de Heilige Maagd ook Fatima aandeed. Mevrouw Peerdeman werd intensiever bezocht in de periode 1945-1959. Het gaat om 56 verschijningen. Er ontstond gewijde belangstelling voor het gebeuren. In 2002 verklaarde de toenmalige bisschop van Haarlem, monseigneur Punt, dat de verschijningen authentiek waren.

Vervolgens sloeg het noodlot toe in de gedaante van de huidige bisschop van Haarlem, monseigneur Hendriks. Deze verklaarde op 30 december 2020 dat de verschijningen niet van bovennatuurlijke aard waren.

Paul van Geest, hoogleraar kerkgeschiedenis, zegt dat er onder de Nederlandse bisschoppen al langer grote twijfel bestond, irritatie zelfs, over de ervaringen van mevrouw Peerdeman. Van Geest beschrijft de boodschap van bisschop Hendriks als ‘een glasheldere afkeuring’. Kardinaal Willebrands schreef al in 1955 over deze verschijningen: “Die boodschappen komen niet van de hemel. Op zulk een wijze heeft de H. Maagd zich nog nooit geopenbaard.” Wat bedoelde Willebrands met ‘op zulk een wijze’? Wilde hij in één klap ook Lourdes en Fatima ontruimen?

Ik zit met wat vragen. Hoe wist Punt dat de verschijningen authentiek waren? Wat doe je om dat te ­bevestigen? En vervolgens, hoe wist Hendriks dat ze niet authentiek waren, dat ze geen aardse manifestatie zijn van de moeder van God?

‘Weg met deze onzin’

Van Geest klinkt enigszins op­gelucht als hij zegt dat de afkeuring van Hendriks glashelder is. Ik hoor een lichtelijk geprikkelde ondertoon in de trant van: “Weg met deze onzin, dit is de 21ste eeuw, we doen daar niet meer aan”. Mijn zegen heeft hij, als u mij de uitdrukking toestaat, maar nu komen we enigszins in de problemen. Want als deze aardse manifestatie van Maria zo flink van tafel wordt geveegd, wat verdwijnt er dan nog meer van het toneel?

Ik ben geen belijdend gelovige, typisch zo’n ex-katholiek die in de jaren zestig gewoon meedreef op de golf die zo’n beetje alle kerken leeg achterliet. Maar religiositeit blijft mij boeien als een geestelijke bezigheid, een gemoedstoestand, die ik niet helemaal begrijp. Het verschil tussen een gelovige en een ongelovige is, denk ik, dat de gelovige meent dat er ook van buiten de mensheid met een welwillende belangstelling naar ons wordt gekeken. De ongelovige meent dat we het hier op aarde onder elkaar zullen moeten uitzoeken.

Mijn religieus getinte vraag is: waarom zou God zijn belangstelling niet in de gedaante van Zijn Moeder aan mevrouw Peerdeman duidelijk maken? Punt, Hendriks en Van Geest zijn ervan overtuigd dat God iets dergelijks al eens eerder deed, toen Hij de mensheid tegemoet trad in de gedaante van Zijn Zoon. Het gaat om een bestaande techniek, bij wijze van spreken. Toch worden de Mariaverschijningen (waarin even­eens een persoon uit de hemel naar de aarde komt) ijlings weggewuifd. Het is mede zo bizar, omdat men wel degelijk denkt dat er verkeer mogelijk is tussen hemel en aarde, in gebed bijvoorbeeld. Bij een heiligverklaring neemt men zelfs kennis van (of regelt men) een toestandsverandering in het hiernamaals.

Een ouderwets stuk vuurwerk

Of zouden Hendriks en Van Geest deze vorm van geloven te belachelijk voor woorden vinden? Dat het hele idee van een verschijnende Maria gewoon quatsch is? Wederom hebben ze mijn zegen, maar wie de ­Mariaverschijning de deur wijst op grond van een rationele overweging, steekt een lontje aan dat weldra tot in het hart van het religieuze wereldbeeld zal voortgloeien totdat de hele boel als een ouwerwets stuk vuurwerk uit mekaar klapt.

Dat is de ellende (of het aantrekkelijke) van een rationele analyse, die stopt niet bij de Mariaverschijning. En die gaat vervolgens niet met een eerbiedige buiging om de verrijzenis heen. Wie zegt dat het idee van Maria in Amsterdam te gek is voor woorden, formuleert een criterium van wat hij of zij intellectueel nog verteerbaar vindt, dat veel meer uit godsdienst verwijdert dan hem of haar lief is.

Wittgensteins oplossing voor deze ongerijmdheden is dat religie niet over feiten gaat. Dan belandt de ­Bijbel eindelijk op een veilige plek: in de literatuurgeschiedenis. Geen zorgen, daar zal heftig tegen geprotesteerd worden. Het banenverlies alleen al.

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum EuthanasieVoor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden