Waardering voor werk

Klappen voor de zorg, meer loon: er zijn betere manieren om werknemers gelukkiger te maken

Toen het aantal coronapatiënten dit voorjaar opliep, klapten burgers hun handen stuk voor de zorg en klonk de roep om hogere lonen in die sector. Er zijn effectievere manieren om het arbeidsgeluk te verbeteren, schrijft hoogleraar Paul de Beer op basis van onderzoek.

Verpleegkundigen, leraren, schoonmakers, politieagenten, journalisten, vuilnisophalers, boeren, begrafenisondernemers. Deze gevarieerde groep beroepsbeoefenaren had dit voorjaar plotseling het voorrecht om als cruciaal of vitaal te worden aangemerkt. Een opvallende lijst, want hun werk staat over het algemeen niet hoog aangeschreven, in termen van beloning of maatschappelijk prestige. Maar dankzij de coronacrisis werd ineens breed erkend dat zij een grote, ja zelfs onmisbare (cruciale) maatschappelijke betekenis hebben. Omdat onze samenleving zonder hun inzet tijdens de lockdown niet draaiende te houden was, mochten zij bij uitzondering hun kinderen wel naar school sturen.

Zo’n lijst met vitale beroepen is nieuw, en het is opmerkelijk dat er direct vrij brede overeenstemming was over welke beroepen erop thuishoorden. Sommigen vonden dat dit maatschappelijke belang voortaan ook meer in de salarissen tot uiting moest komen. Vooral voor hogere lonen in de zorg was brede steun. De Kamerleden van de coalitiepartijen zagen zich zelfs genoodzaakt om op 12 augustus spoorslags het Tweede Kamergebouw te verlaten om te voorkomen dat zij bij een stemming hierover een nederlaag zouden lijden. Uiteindelijk wilde het kabinet niet verder gaan dan een eenmalige bonus van duizend euro voor het zorgpersoneel dat zich had ingezet tijdens de Covid-pandemie.

De coronacrisis roept hiermee interessante vragen op over de waarde van (verschillende soorten) werk, een onderwerp dat zich de afgelopen jaren sowieso in een opmerkelijke maatschappelijke belangstelling mag ­verheugen. Bijna drie decennia lang – sinds de jaren negentig – lag de nadruk in het Nederlandse overheids­beleid sterk op verhoging van de arbeidsparticipatie. Meer mensen aan het werk gold als panacee voor vele kwalen. Het was nodig om de steeds zwaardere ‘last’ (voor de overheidsfinanciën, wel te verstaan) van de ­vergrijzing op te vangen. Het was de koninklijke weg om armoede te bestrijden. Het zou bijdragen aan de integratie van migranten, en ervoor zorgen dat meer vrouwen economisch zelfstandig zouden worden. Kortom, een hogere arbeidsparticipatie was misschien wel de belangrijkste voorwaarde voor een duurzame, welvarende en vitale samenleving.

Maar werk hebben is niet genoeg om uit de armoede te ontsnappen, bleek uit de groeiende groep werkende armen: vooral zzp’ers, maar ook werknemers met een deeltijdbaan of oproepbaan die daar niet van kunnen rondkomen. Dat werk geen garantie biedt voor volwaardige maatschappelijke integratie bleek uit de groeiende maar bijna onzichtbare groep van Oost-Europese arbeidsmigranten die tegen een laag loon en onder slechte arbeidsomstandigheden onze champignons plukken, kippen slachten en pakjes sorteren. En dat meer werkende vrouwen niet per se meer economische zelfstandigheid betekent, bleek uit het feit dat driekwart van hen in deeltijd werkt, en dat zij vaak per uur minder betaald krijgen dan hun mannelijke collega’s die hetzelfde doen.

Meer taken, minder autonomie

Het gaat niet alleen om meer mensen aan het werk, is al met al steeds duidelijker geworden. Het gaat ook om ‘Het betere werk’: de titel van een spraakmakend rapport dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) begin dit jaar uitbracht. Ruim een op de drie mensen heeft onzeker werk, schrijft de WRR hierin; bijna de helft ervaart te weinig autonomie. En juist in de publieke sector – de zorg, het onderwijs, de politie – staat de kwaliteit van het werk het meest onder druk: meer taken, minder autonomie.

Bij politici, maar ook bij vakbonden en werkgevers is de benadering van de kwaliteit van werk eenzijdiger: bij hen gaat het al snel over geld. Zij gaan blijkbaar uit van de standaard economische benadering, waarin de waarde van een product – inclusief arbeid – wordt afgemeten aan de prijs. Daar zit een eenvoudige logica achter. Als consumenten bereid zijn een bepaalde prijs te betalen voor een pak havermout of een smartphone, dan drukt dat de waarde uit die zij aan dat product toekennen. Op de arbeidsmarkt zou hetzelfde gelden: als een accountant vier maal zoveel verdient als een vuilnisophaler, vinden we het werk van de accountant blijkbaar vier maal zo waardevol als het ophalen van vuilnis. Als de coronacrisis ons geleerd heeft dat het werk van zorgpersoneel zeer waardevol is, moeten we hen ‘dus’ ook meer gaan betalen.

Als vuilnisophalers staken, merken we dat bijna onmiddellijk

Maar hoe logisch dat ook klinkt, het is veel te simpel om de waarde van werk puur af te meten aan de hoogte van de salarissen. In zo’n rechttoe rechtaan economisch model zijn ‘gratis’ dingen – zoals schone lucht of vrijwilligerswerk – waardeloos. Daarom wordt economen soms verweten dat zij weliswaar van alles de prijs, maar van niets de waarde kennen. Waarde kan, zoals de coronacrisis nog eens duidelijk maakte, ook betrekking hebben op de maatschappelijke betekenis van verschillende soorten werk. Welke beroepen zijn cruciaal om de maatschappij draaiende te houden? Zoals Rutger Bregman treffend heeft opgemerkt: als vuilnisophalers staken, merken we dat bijna onmiddellijk. Maar als bankiers het werk neerleggen, zoals ooit in Ierland gebeurde, kan het weken duren voordat iemand daar iets van merkt.

Minder aandacht is er in het maatschappelijke en politieke debat voor de waarde die mensen zelf aan hun werk toekennen. De veronderstelling is simpelweg dat iedereen een hoog loon en waardering door de samenleving belangrijk vindt – vandaar de politieke roep om hogere lonen in de zorg, en het handen klappen. Maar klopt die veronderstelling?

In onze studie ‘Waarde van werk’ (zie kader onderaan) hebben we dat onderzocht. Daarvoor hebben we een groep van 2500 werkenden gevraagd welke aspecten van werk zij belangrijk vinden, en in welke mate hun werk daaraan voldoet. Inhoudelijk leuk werk en prettige collega’s scoren hoog, blijkt hieruit. Twee op de drie werkenden noemen dat ‘zeer belangrijk’. Bijna de helft geeft die hoge kwalificatie aan ruimte om initiatief te tonen, en werk te doen waar ze zelf trots op zijn. Aanmerkelijk minder hoog scoren een goed loon en de zekerheid niet ontslagen te worden. Vrijwel iedereen vindt dat ‘tamelijk belangrijk’, maar niet meer dan een op de drie vulde hierbij ‘zeer belangrijk’ in.

Dat zegt iets over onze welvaart. Bijna een halve eeuw geleden lanceerde de Amerikaanse socioloog Robert Inglehart de theorie dat moderne samenlevingen een ontwikkeling doormaken van een ‘materialistische’ naar een ‘postmaterialistische’ fase: naarmate mensen welvarender en zekerder worden, vinden ze meer materiële welvaart, een goed loon en een vaste baan niet meer zo belangrijk en geven zij prioriteit aan waarden als vrijheid, persoonlijke ontwikkeling en zingeving. Werk moet vooral zinvol zijn. Denk aan de bekende piramide van Maslow: eerst de basale fysieke behoeften, dan de hogere behoeften als erkenning en zelfontplooiing. Het interessante is dat mensen in sectoren als de zorg en het onderwijs die ‘postmaterialistische’ waarden nog hoger in het vaandel hebben dan mensen die in het bedrijfs­leven werken, blijkt uit ons onderzoek.

Wat de samenleving precies van hun werk vindt, blijkt – zowel in de publieke als in de marktsector – voor veel mensen niet het verschil te maken. Slechts een op de acht werkenden vindt publieke waardering ‘zeer belangrijk’. Dit suggereert dat het de meeste werkenden in de cruciale beroepen niet veel zal hebben uitgemaakt dat we tijdens de coronacrisis voor hen hebben geapplaudisseerd. Al moet ik hierbij wel een slag om de arm houden, want we stelden deze vragen in het voorjaar van 2019, voor de coronacrisis.

Trots op het werk

Over het algemeen zijn mensen in de publieke sector best te spreken over hun werk. Negen op de tien vinden dat zij met prettige mensen werken en ruimte voor initiatief hebben, acht op de tien dat hun werk inhoudelijk leuk en nuttig voor de samenleving is. Driekwart is trots op zijn werk. Daarmee steken zij gunstig af bij de werkenden in het bedrijfsleven. Medewerkers in de zorg zijn relatief nog iets vaker trots op hun werk dan mensen in andere sectoren, maar vinden het wel iets minder vaak leuk. En opmerkelijk genoeg zijn er in de zorg ook meer medewerkers die hun werk juist minder nuttig voor de samenleving vinden.

Op drie punten zijn de werkenden in de zorg en ook in het onderwijs echter minder tevreden dan hun col­lega’s in de marktsector. Slechts 60 procent noemt zijn salaris goed (tegenover 64 procent in de marktsector en 84 procent in andere delen van de publieke sector). Twee op de drie kunnen hun eigen werktijden bepalen, ­tegenover drie op de vier in de marktsector. En een op de drie moet vaak onder grote druk of stress werken en komt vaak uitgeput thuis van het werk, terwijl dit voor ongeveer een kwart van de werkenden in de marktsector geldt.

Dus ja, de werknemers in de zorg en het onderwijs zouden een hoger salaris zeker waarderen. Maar ons onderzoek laat toch vooral zien dat zij andere, immateriële aspecten van het werk aanzienlijk belangrijker vinden. Bovendien weten we uit ander onderzoek dat de tevredenheid met een salarisverhoging al snel wegebt als mensen aan het hogere inkomen gewend zijn geraakt. Daarna zijn ze weer even tevreden of ontevreden als daarvoor.

Er zijn effectievere manieren om onze waardering voor de cruciale beroepen tot uitdrukking te brengen. Kijk daarbij vooral naar de aspecten van het werk waarop de werkenden in de zorg en het onderwijs minder goed scoren: zeggenschap over de werktijden en de werkdruk. Waarschijnlijk hangen deze met elkaar samen. Deze cijfers bevestigen de kritische geluiden die we al langer uit deze sector horen over de organisatie van het werk: de steeds hogere eisen die aan de medewerkers gesteld worden, en de vele procedures en protocollen waaraan zij moeten voldoen. Die leiden ertoe dat zorgpersoneel en leerkrachten vaak onder hoge druk moeten werken en meer tijd kwijt zijn aan administratieve taken dan aan de zorg en lesgeven zelf.

Een hoger salaris voor mensen in de zorg en andere cruciale beroepen: het is de simpelste manier om onze waardering voor hen uit te drukken. En zoals gezegd, gezien de relatief grote ontevredenheid van het zorgpersoneel over hun beloning valt daar zeker iets voor te zeggen. Maar we moeten vooral eindelijk serieus aandacht besteden aan de grieven die zij al lang hebben over de wijze waarop het werk in de zorg, maar ook in het onderwijs, georganiseerd is. Zodat hun cruciale werk niet alleen meer maatschappelijke en financiële waardering krijgt, maar vooral ook voor de werkenden zelf minder belastend en waardevoller wordt.

Bio

Paul de Beer (1957) is hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Dit essay is mede gebaseerd op het meerjarige onderzoek naar ‘De waarde van werk’ van onderzoeksinstituut AIAS-HSI, met steun van de Goldschmeding Foundation. Het onderoek wordt op 11 november via een online-conferentie gepresenteerd.

Voldoening kan zitten in zorgen dat mensen hun laatste levensfase waardig en met plezier doorkomen, zich veilig voelen op straat, of hun werkdag beginnen aan een schoon bureau. Catrien Spijkerman maakte drie portretten vanaf de werkvloer.

Menno Matla in gesprek met een verpleeghuisbewoner. 'Soms is er een ­glimlach, een aanraking of een knipoog – kleine dingen waaruit ik toch kan opmaken dat ik het goed doe.'Beeld Martijn Gijsbertsen

Menno Matla (39) is verzorgende in een verpleeghuis in Schiedam:

“Mijn werk draait om al die ­dagelijkse handelingen die we zelf zo vanzelfsprekend uitvoeren dat we er nooit bij stilstaan: aankleden, wassen, scheren, naar de wc gaan. De ouderen die ik verzorg hebben dementie in een vergevorderd stadium: zij kunnen al die handelingen niet meer zelf. Ik begeleid ze daarbij, maar ik waak ervoor ze alles uit handen te nemen. Ik vind het belangrijk dat ze een gevoel van eigenwaarde kunnen behouden.

Van de ouderen zelf krijg ik meestal geen directe waardering, daar moet ik eerlijk in zijn. De meesten kunnen zich niet meer goed uiten, een compliment zal ik niet snel krijgen. ­Zodra ik hun appartement ­verlaat, zijn ze veelal vergeten wie ik ben. Maar soms is er een ­glimlach, een aanraking of een knipoog – kleine dingen waaruit ik toch kan opmaken dat ik het goed doe.

Toen ik hier voor het eerst kwam, schrok ik. Ik denk dat veel mensen zullen zeggen: zo wil ik niet eindigen. Maar deze ziekte is een heel geleidelijk en langzaam proces waar mensen steeds verder inzakken. De ouderen met dementie hebben dit zelf ook niet gewild. Als ik hier zelf zou wonen, zou ik het in ­ieder geval heel fijn vinden als een verzorgende me helpt de laatste fase van mijn leven zo waardig mogelijk en met plezier door te komen.

Ik ben vrij nuchter. Humor en relativeren helpt in dit werk. Hoe ernstig de ziekte ook is, je moet ook lol met elkaar kunnen hebben. Het is geen pity party. Ook de ouderen hebben nog steeds humor. De één kan nog lekker zwartgallige opmerkingen maken, de ander ligt helemaal dubbel als-ie een boer laat.

Voor het geld hoef je dit werk niet te doen. Ik sta in het midden van mijn carrière en verdien minder dan in vorige banen. Toch weerhoudt het me er niet van. Ik krijg geen beter gevoel als mensen zeggen: de zorg moet meer betaald krijgen. Hiervoor heb ik lang bij de klantenservice van een zorgverzekeraar gewerkt. Aan het eind van de dag vroeg ik me vaak vertwijfeld af wat ik nou helemaal gedaan had op zo’n dag. Dat gevoel heb ik met dit werk nooit meer.”

Angela van Veen: ‘Ze schelden op mijn uniform, niet op mij’.Beeld Martijn Gijsbertsen

Angela van Veen (31) is toezichthouder bij de gemeente Nijmegen:

“Sommige mensen beschouwen ons als ‘afgekeurde politie­agenten’, of denken dat wij lager dan de politie staan en er alleen zijn om parkeerboetes uit te schrijven. Dat klopt allemaal niet: wij staan naast de politie. We hebben andere taken. De ­politie is er om de openbare orde te handhaven, wij zijn er voor de leefbaarheid. Wij zorgen ervoor dat iedereen fijn en veilig kan ­leven in de openbare ruimte. Dat is heel breed: we houden ons ­bezig met afval, hangjongeren, maar ook met een gat in de stoep of fietswrakken.

Wij staan in de frontlinie: we zijn altijd op straat en weten het daarom vaak als eerste als er iets is gebeurd. We kunnen niet altijd wat doen, maar weten wel bij wie we dan moeten zijn: we schakelen bijvoorbeeld de GGD in, of verslavingszorg, of de ­politie. Vorige week was er een moeder gevallen met haar fiets, met twee kleine kindjes voor- en achterop. Wij kwamen haar ­toevallig tegen, ze was helemaal in shock. We belden de ambu­lance, en hebben aangeboden haar fiets naar huis te brengen. Ze was ontzettend dankbaar. Dat vind ik het mooiste van dit werk: ik kan echt iets voor mensen betekenen.

De gemeente heeft een app waar mensen overlast kunnen melden. Aan het begin van mijn dienst kijk ik eerst altijd even wat er gemeld is. Soms zijn er quick wins: als er herhaaldelijk meldingen komen dat ergens vuilniszakken worden gedumpt, dan doe ik even mijn doktershandschoentjes aan en doorzoek ik de vuilniszak. Bijna altijd kom ik wel iets met adresgegevens ­tegen. Dan ga ik erheen en spreek de mensen aan op hun gedrag. Negen van de tien keer stopt het daarna.

Als je mensen uitlegt waarom ze fout zijn en voor wie dat een probleem is, leidt dat meestal tot begrip. Een enkeling begint te schelden. Gelukkig besef ik ­altijd: ze schelden op mijn uniform, niet op mij. Zodra ik het uniform uittrek in de kleed­kamer, laat ik die beledigingen achter me.”

Abdelaziz Fathi: ‘In dit ­gebouw voelt het als een familie. Iedereen kent mij bij naam en ik krijg complimentjes’.Beeld Martijn Gijsbertsen

Abdelaziz Fathi (52) is schoonmaker in het bedrijfspand van de DPG-krantenredacties in Amsterdam:

“Vorige week was een vrouw ­helemaal in de stress: ze had een presentatie geschreven op een vel papier aan de wand, maar die stift had doorgedrukt op de ­witte muur. Ze had zelf nog iets geprobeerd met een doekje, maar ze maakte de vlekken ­alleen maar erger. Ze riep mij, ik had de juiste schoonmaak­spullen. Rustig heb ik alles ­netjes schoongemaakt. Ze kon het bijna niet geloven: ‘Helemaal weg? Wow!’

Ik vind het fijn als mensen met plezier naar hun werk gaan. Ze willen niet de koffievlek van de vorige dag op hun bureau terugvinden, of volle prullenbakken. Ben je weleens naar zo’n wc ­geweest in een wegrestaurant in Frankrijk? Dat is vreselijk, op die plek wil je niet zijn. Maar een frisse wc, waar het lekker ruikt, daar is het fijn. Mensen waarderen dat. Vooral nu, vanwege ­corona. Ze vertrouwen op ons dat het schoon is.

In Marokko heb ik Engels ­gestudeerd aan de universiteit, ik werkte bij de Amerikaanse ambassade. Maar ik had iedere dag stress. In Nederland ben ik als schoonmaker gaan werken omdat je daarvoor geen diploma nodig had en ik beheerste de ­Nederlandse taal nog niet. Dat is nu negentien jaar geleden. Spijt heb ik niet, ik wil een rustig ­leven. Ik hou ervan bezig te zijn, en bij schoonmaken zie je direct resultaat. Ik schaam me niet, ­tegen mijn kinderen zeg ik: ‘Ik maak schoon, ik doe iets voor de gemeenschap’. Heb je het gezien in de eerste weken van corona? Ineens stonden wij ook in het rijtje van vitale beroepen. Wij zijn superbelangrijk.

Eerder maakte ik winkelcentra schoon. Daar zie je alleen maar mensen heen en weer lopen, maar je kent niemand. In dit ­gebouw voelt het als een familie. Iedereen kent mij bij naam en ik krijg complimentjes. Ze missen me als ik er niet ben.”

Lees ook:

Bijklussen in de thuiszorg: van ‘Ik ben zo blij dat jij er bent’ tot ‘Je bent langzaam’

Schrijfster Liesbeth Mende ging wat bijverdienen in de thuiszorg. Ze koestert haar herinneringen aan sommige cliënten, maar ‘mevrouw Willems’ was een schrikbeeld.

Traumaverwerking in zorg moet verzuim voorkomen

Medewerkers in de zorg stappen niet snel naar een leidinggevende om te zeggen dat zij mentale problemen hebben. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden