Beeld Trouw

Column Rodaan Al Galidi

Jij bent toch die illegaal die in de tuin van mijn oma heeft gewerkt?

Als je schrijvers en dichters vraagt wat ze willen, lucht of roem ademen, zeggen ze meteen: roem, alsjeblieft. En het bewijs van roem is herkend worden. Dat is dan ook wat schrijvers, dichters en ook zangers en muzikanten graag willen. Wat me opvalt is dat de meesten als ze herkend worden, er uiteindelijk geïrriteerd van raken. Ze willen wel herkend worden, maar op een onherkenbare manier. Ze willen bekend zijn, en tegelijkertijd met rust gelaten worden. Ze willen de honing, maar geen bijen zien.

Tijdens de eerste jaren dat ik in Nederland woonde, kon ik niet wit werken. Daarom werkte ik zwart en deed elk klusje dat ik kon krijgen, hoeveel geld ik kreeg maakte niet uit. De soorten werk die ik heb gedaan, zijn niet op een hand te tellen. Toen ik romans en dichtbundels begon te publiceren, werd ik soms herkend, op een manier die ik nooit had kunnen bedenken.

Kippenhok

Eens zat ik in de trein, er stonden toen al zes boeken op mijn naam, toen een man mij riep. Iedereen in de coupé kon het horen. “Ik ken je!” riep hij. Meteen kreeg ik kriebels. Ik werd herkend. “Weet je nog? Je hebt die twee grote schuren en die kleine bij ons uitgemest.” Hij kwam glimlachend naar me toe, nam naast me plaats en fluisterde, zodat alleen ik het kon horen: “Ik las dat je tegenwoordig ook boeken publiceert, hè?”

Een paar maanden later zat ik met een aantal schrijvers aan een tafel te signeren toen een oude vrouw riep: “Ik ken hem!” Ze wees naar mij. “Hij heeft het kippenhok achter in mijn tuin in elkaar gezet. Ik heb een grote tuin, meer dan achthonderdvijftig vierkante meter. Daarna maaide hij af en toe het gras.” Ze liep naar me toe en legde haar hand liefdevol op de mijne. “Je bent nu een dichter, hè”, zei ze zacht.

Eens gaf ik in Groningen aan de universiteit een lezing over schrijven in een vreemde taal, toen een jongen van achter uit de zaal riep: “Jij bent toch die illegaal die in de tuin van mijn oma heeft gewerkt?”

Zo word ik herkend, en jammer genoeg verpestte ik mijn eerste juiste herkenning zelf.

Ik werd in de stad aangehouden door een man. “Ik ken jou. Mag ik je een hand geven?” zei hij. Ik dacht hard na en zei: “Cornelis. Ik heb aardappels gesorteerd op jouw boerderij met vijf andere uitgeprocedeerde asielzoekers.”

“Wat een toeval”, zei hij. “Dat herinner ik me niet meer, maar ik heb net je boek uitgelezen. Prachtig, man.”

Had ik mijn mond maar even dichtgehouden.

De Iraaks-Nederlandse schrijver en dichter Rodaan Al Galidi is columnist van ons magazine Zomertijd. Lees zijn columns hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden