null Beeld
Beeld

EssayEmine Ugur

In zijn thuisland doet Ramazan gratis klusjes voor de hele buurt, hier is hij een ‘gelukzoeker’

Het Turkse huis van haar ouders staat in een arme wijk in Gaziantep. Zo’n wijk, schrijft Emine Uğur, waar de buurjongen brood haalt voor haar oude moeder zonder er een cent voor te willen. Maar als zo’n zelfde jongen zijn armoe ontvlucht, dan noemen wij hem een gelukzoeker.

Emine Ugur

Elk gezin heeft zijn verhaal, een geschiedschrijving van gebeurtenissen die dat gezin hebben gevormd tot wat het is. Een verhaal, soms gekleurd door degene die het vertelt, hier en daar aan slijtage onderhevig, dat ondanks alles door de jaren heen zijn essentie behoudt.

Het Sinaasappel-incident is een belangrijk hoofdstuk uit het verhaal van ons gezin.

Mijn ouders kwamen beiden uit relatief arme gezinnen en waren als gevolg daarvan zelf ook arm, zo mogelijk nog armer dan hun eigen ouders. Mijn moeder vertelde ons regelmatig hoe ze met de kleine erfenis van mijn vader een stukje grond hadden gekocht en daarop een huisje lieten bouwen van amper 25 vierkante meter.

Mijn vader werkte als automonteur bij het gemeentelijk vervoersbedrijf en na de zoveelste politieke onrust in Turkije raakte hij werkloos, waardoor er opeens niet genoeg geld meer was om het huis af te laten bouwen. Ze brachten de winter door met een groot tapijt vastgespijkerd in de deuropening om de kou een beetje buiten te houden.

Eten uit de vuilnisbak

Hun herinneringen lopen soms door elkaar, dus ik weet het niet zeker, maar dat zal dezelfde winter zijn ­geweest waarin er ook geen geld meer was om de hout­kachel te stoken en mijn moeder op de babykleren en ­katoenen luiers van mijn broer moest zitten om ze met haar lichaamswarmte droog te krijgen voor de volgende dag.

Hun armoede had, naar ik begreep, door de jaren heen wisselende gradaties, maar was altijd aanwezig. Toch was mijn vader in die tijd een van de weinigen van zijn generatie die niet als gastarbeider gingen werken. Het idee om zijn gezin alleen achter te laten, viel hem veel te zwaar.

Dit alles veranderde op de dag dat hij terugkwam van zijn werk en hij zijn zesjarige zoon een rotte sinaasappel uit een vuilnisbak zag pakken en opeten. Tot aan zijn overlijden moest hij nog huilen wanneer hij vertelde hoe vernederd en klein hij zich voelde toen hij aan mijn broer vroeg wat hem bezielde, en hij zijn eigen kind hoorde zeggen: “Wij hebben nooit sinaasappels thuis en ik wilde weten hoe ze smaken”.

In de daarop volgende dagen schreef mijn vader zich in om als gastarbeider naar het buitenland te gaan.

Emine Uğur is sociaal dienstverlener, bekend twitteraarster (@overlistener) en columnist van Tijdgeest.

Plattelands­leven in de grote stad

Het huis kreeg uiteindelijk een echte voordeur en in de decennia daarna nog een paar verdiepingen erbovenop. Maar mijn moeder heeft zich nooit echt kunnen vereenzelvigen met haar nieuwe status en hun gestegen welvaart. Mijn ouders bleven in hetzelfde huis, in een wijk die geldt als een soort achterstandswijk. Heel smalle straten met kleine, half voltooide betonnen huizen die volledig zonder planning en toezicht, geheel willekeurig waren gebouwd. Wijken die waren ontstaan toen dor­pelingen massaal vertrokken naar de grote stad – in dit geval Gaziantep, een stad vlak bij de Syrische grens – en die nu worden gesloopt omdat de woningen en straten niet voldoen aan welk reglement of veiligheidseis dan ook.

Dat die wijken midden in een grote stad lagen, was niet te merken, omdat de bewoners er hun plattelands­leven voortzetten. Het was voor mij tijdens vakanties heel normaal dat er midden op straat tapijten werden gewassen, dat onze overburen geiten en kippen hadden en dat wij aan het einde van de dag onze fruit- en etensresten aan de dieren voerden.

We hoefden hiervoor niet eens aan te bellen, want alle deuren stonden altijd wagenwijd open. Een teken van het vertrouwen in elkaar, maar zoveel openheid bracht uiteraard grote sociale controle met zich mee.

Roddelende buurvrouwen

Als tiener en twintiger had ik dan ook een enorme ­hekel aan deze buurt en de mensen die er woonden, juist vanwege hun benauwende bemoeienis. In de ochtend lukte het me nog wel om ongezien naar buiten te gaan, maar als ik ’s avonds terugkeerde, ontkwam ik niet aan de buurvrouwen die zich altijd en eeuwig voor een deur (meestal de onze) verzamelden en er de hele dag bleven zitten. Elkaar helpend met de voorbereiding van het middag- of avondeten, maar vooral ook roddelend.

Terwijl ik werd onderworpen aan allerlei vragen – “Oh wat ben je laat thuis zeg. Waar ben je allemaal geweest? Met wie was je? Was het leuk? Was je bij je tante? Is haar oudste dochter nog steeds niet getrouwd? Waarom niet?”– probeerde ik me langs al deze dames een weg naar binnen te banen.

Jarenlang smeekte ik mijn ouders om te verhuizen naar de nieuwe, moderne delen van de stad, maar vooral mijn moeder weigerde. Ze wilde niet wonen in een nieuwbouw-appartementencomplex vol mensen met wie ze geen geschiedenis deelde, waar je niet elk moment van de dag iemand hebt die je even kunt roepen voor hulp, waar het de buren niets kan schelen of je nichtje nog steeds niet is getrouwd.

null Beeld

De was ophangen bij oma Güllü

In latere jaren veranderde mijn gevoel over de wijk en haar mensen. Ik begon te zien wat mijn ouders 56 jaar aan deze plek verbond. Ik zie steeds beter de buren, hun kinderen en soms zelfs kleinkinderen die zonder tegenprestatie, zonder aarzeling en met grote toewijding voor mijn bejaarde moeder zorgen: “Ayse, ga als je van school komt even naar oma Güllü om haar keuken schoon te maken en neem je zusje mee zodat die haar was kan ophangen”. Klaar.

Ik zie kinderen op straat spelen met een bal die zo is toegetakeld dat hij al een tijdje geleden is opgehouden een bal te zijn en denk aan mijn eigen zoon die verbolgen reageert als we ergens komen waar – laat het niet waar zijn – geen wifi is.

Dilemma: snoep of trots?

Tijdens een recente vakantie had ik Hollandse lekkernijen meegenomen om uit te delen aan de kinderen. Verlegen waren ze netjes op een rij gaan zitten op de verhoogde stoep waar later op de dag hun moeders zich zouden verzamelen om roddels uit te wisselen. Een voor een namen ze het snoepgoed in ontvangst.

Behalve dat ene jongetje dat, zijn handen op zijn benen geparkeerd, starend naar de grond zijn hoofd bleef schudden. Ik probeerde aan te dringen, maar een van de andere kinderen greep in door te zeggen dat dit kindje niet zo van snoep hield. Ik was amper klaar met uitdelen of er stond alweer een buurvrouw voor mijn neus om me te bevragen over de lekkernijen die ik net had uitgedeeld.

Terwijl ik haar probeerde af te wimpelen, zag ik vanuit mijn ooghoeken hoe de kinderen ieder een deel van hun snoep afstonden aan het jongetje dat net nog pertinent weigerde iets van mij aan te nemen. Met een steek in mijn hart zag ik ook wat ik eerder niet had opgemerkt. Hij had zijn handen niet uit koppigheid stevig op zijn benen gehouden, maar om de gaten in de knieën van zijn versleten broek te bedekken. Dus stond zijn kinderziel voor een volwassen dilemma: zijn handen optillen en iets lekkers aannemen, of de gaten blijven verbergen en zijn trots ­behouden.

‘Abla, waar ga je naartoe?’

Elk paar jaar hadden mijn ouders een andere ‘rechterhand’, zoals mijn vader ze altijd noemde. Een kindje uit de straat dat allerlei boodschappen en kleine klusjes doet voor buurtbewoners die daar zelf te oud voor zijn. In diezelfde vakantie was dat Ramazan. Zijn service beperkte zich niet tot mijn ouders. O wee als ik even naar buiten stapte om iets te halen, dan was daar gelijk Ramazan: “Abla (zus), waar ga je naartoe? Melk halen? Welke wil je hebben? Ga maar zitten, ik kom het zo brengen.” Nog voordat ik iets kon zeggen was hij al weggerend.

Op een van die ochtenden maakte ik het ontbijt klaar. Mijn vader was buiten zijn benen gaan strekken. Ik riep Ramazan vanuit het raam, gooide geld naar beneden en vroeg hem om brood te halen. Nog geen vijf minuten later stond hij in onze keuken met in zijn ene hand vers brood uit de steenoven en in zijn andere hand het kleingeld dat hij terug had gekregen. Geld dat ik uiteraard niet van plan was terug te nemen.

Een broekzak vol eigenwaarde

Ramazan had daar andere ideeën over, want hij weigerde het te houden, tot op het bot beledigd dat ik het durfde voor te stellen. Ik was op mijn beurt niet van plan terug te deinzen voor een jongen van nog geen tien jaar en ging de strijd aan.

Ik dreigde over hem te klagen bij zijn ouders.
Ik dreigde over hem te klagen bij mijn eigen ouders.
Ik dreigde dat ik zijn abla niet meer zou zijn.
Ik dreigde dat ik zou huilen.

Ik dreigde en chanteerde tevergeefs; het had geen effect op hem. Totdat ik zei dat ik in het vervolg een van de andere kinderen zou vragen om brood of eieren te halen. Het idee deze in zijn ogen belangrijke verantwoordelijkheid te verliezen, raakte blijkbaar een gevoelige snaar. Met een verslagen blik pakte hij het geld aan en liep weg, en ik ging met een gevoel van zoete overwinning verder met het dekken van de tafel.

Mijn zelfvoldane gevoel hield niet lang stand, aangezien mijn vader even later naar binnen liep met muntjes in zijn hand en vroeg: “Emine, heb jij dit geld laten vallen?”

Ergens tussen de keuken en de voordeur had Ramazan blijkbaar besloten dat zijn respect voor die abla uit Nederland echt niet opwoog tegen hetgeen hij van zijn ouders had geleerd. Hij had de buit op de trap achtergelaten, zijn broekzak gevuld met eigenwaarde in plaats van dat stomme geld waar hij niet om had gevraagd, en deze abla achterlatend met een levensles die ze niet had zien aan­komen.

Meer dan een beschimmelde sinaasappel

Ik moet hier vaak aan denken wanneer ik iets lees over ‘gelukzoekers’ of vluchtelingen. Ik weet dat gelukkig nu nog het merendeel van onze samenleving bereid is om de grenzen open te houden voor hen die vluchten voor de ellende van oorlogen en dictaturen waar zij nooit voor hebben gekozen. Ook ben ik me ervan bewust dat de houdbaarheid en haalbaarheid van deze hulp alleen kan bestaan bij gratie van bedachtzaamheid; als we iedereen willen helpen, komen we in de situatie dat we niemand meer kunnen helpen.

Dit verhaal is dan ook niet bedoeld om een politiek getint betoog te houden over de ruggen van de mensen heen die er niet om hebben gevraagd, noch is het een pleidooi om alle grenzen wagenwijd open te gooien.

Het punt is: ik lees het woord gelukzoeker of vluchteling en zie een Ramazan voor me. Geen luie, op geldbeluste wolf, maar iemand die de benen uit zijn lijf rent om jou van brood te voorzien en nog liever geld op de trap achterlaat dan dat hij het aanneemt.

We hoeven of kunnen hem misschien geen plek te geven in Nederland, maar kunnen we op zijn minst begrijpen dat hij zijn toekomstige kinderen meer wil bieden dan een rotte, beschimmelde sinaasappel? Of ze niet wil laten opgroeien in een land waar elk moment een bom op hun hoofd kan vallen?

En kunnen we op zijn minst ophouden over hem te praten alsof hij daarmee behoort tot een insectenplaag, als iemand die erop uit is om op ons te parasiteren en daarom maar beter geweerd kan worden?

Reacties (max. 150 woorden) zijn welkom via tijdgeestreacties@trouw.nl. Graag naam en woonplaats vermelden.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden