Marie Verbraeken-Blommaart: ‘Nog steeds geef ik gastlessen op scholen, zodat deze geschiedenis levend blijft.’

Interview 75 jaar bevrijding

‘Illegaal een pakje bezorgen? Och, dat doet ons Marie wel’

Marie Verbraeken-Blommaart: ‘Nog steeds geef ik gastlessen op scholen, zodat deze geschiedenis levend blijft.’ Beeld Ringel Goslinga

Het is zaterdag precies 75 jaar geleden dat het Brabantse Vught werd bevrijd. Daar bevond zich tijdens de oorlog een berucht concentratiekamp. Marie Verbraeken-Blommaart (toen 24, nu 98 jaar oud) zat er wegens haar verzetswerk in 1944 gevangen. Wat ze daar meemaakte, krijgt ze ook na driekwart eeuw niet van haar netvlies, vertelt ze.

“Het eerste wat ik vertel als ik een gastles op een school geef over de oorlog is: ik gíng niet bij het verzet, ik rolde er in. Het was geen bewuste keuze, het liep gewoon zo. Maar mijn verzetswerk werd bekend bij de Duitsers en zo belandde ik uiteindelijk in 1944 wél in concentratiekamp Vught.

“Ik werkte bij de zogenoemde Bekleidungskammer, we borgen na binnenkomst de kleding van net gearriveerde vrouwen op in jute zakken en deelden kampjurken uit. Op een ochtend moesten wij een Jodentransport naar Duitsland klaarmaken. Joden zaten in het kamp helemaal apart, zij werden veel slechter behandeld dan politieke gevangenen zoals ik. Die Joodse vrouwen hadden hun eigen kleding nog aan. Nu moesten ze alle kleren uit. Ze waren dus helemaal naakt. 

 ‘Al die naakte lijven graaiden over me heen’

“Ik stond bij de jute zakken en moest iedereen een jurk geven. Het was koud. Die tientallen vrouwen hadden zo’n overlevingsdrift dat ze zich plotseling allemaal op die jute zakken stortten om de beste jurken eruit te halen. En ik zat op mijn knieën en al die naakte lijven graaiden over me heen. Ik kwam in de verdrukking en raakte totaal in paniek. Ook lang na de oorlog bleef dat beeld van die wanhopige vrouwen mij parten spelen. Uiteindelijk gingen ze die dag helemaal niet op transport, het was een pesterij.

“Ik was de oudste van een katholiek gezin met acht kinderen in Zeeland. Wij hadden een bakkerij en een kruidenierszaak in Lamswaarde, een klein dorp in Zeeuws-Vlaanderen. Het was bij ons de zoete inval. Vertegenwoordigers bleven thee drinken in de keuken, altijd gemoedelijk. Mijn moeder was een pittige tante. Op een dag vraagt zo’n vertegenwoordiger aan mijn moeder of ze ook een adres wist, want hij moest een onderduiker kwijt. Mijn moeder wist wel een boer ergens achteraf. En het bleef niet bij één.

‘Och, dat doet ons Marie wel’

“Die onderduikers moesten eten, maar kregen geen distributiebonnen, die regelde het verzet. Dus vroeg een zeker meneer Klaaijsen, Jacob, een vertegenwoordiger uit Goes, op een dag aan mijn moeder: kan iemand bij mij een pakje komen halen met distributiebonnen. Die Klaaijsen zat in het verzet. Toen zei mijn moeder: ‘Och, dat doet ons Marie wel.’

“Zo begon het, ik was 22 jaar, werkte al vanaf mijn twaalfde in de winkel en woonde bij mijn ouders. Dus ik ben heel wat keren op en neer met de fiets naar de pont gegaan, de Schelde over, en naar die man toe. Kreeg ik een pakje mee. Ik wist niet wat erin zat. Die pakjes werden ’s avonds bij ons aan de achterdeur weer opgehaald.

“In het begin van de oorlog was er bij ons in Zeeland nog weinig aan de hand. Er kwamen een paar Duitse soldaten in het dorp, ze vorderden de jongensschool, daar legerden ze zich in. En die soldaten... ach, die gingen ’s avonds een pintje pakken in het plaatselijke café. Maar tegen de tijd dat we die onderduikers gingen helpen, in 1943, was het grimmiger.

‘Op 12 oktober 1943 stond de SD ook bij ons voor de deur.’ Beeld Ringel Goslinga

‘Ojee, is dat waar? Ik maak dat ik wegkom’

“Op een dag kwam iemand van het dorp bij mij en zei: ‘Je moet meteen naar Goes om Klaaijsen te waarschuwen.’ Want er was iemand opgepakt met bezwaarlijk materiaal over hem. Dat was makkelijk gezegd, maar de Schelde werd die hele dag beschoten door de Engelsen. Het was mooi weer. De pont was onklaar. ’s Avonds pas kon ik over in een bootje. Aan de overkant hielden twee mannen me aan: ‘Waar ga jij zo laat nog naar toe?’ En toen heb ik maar gezegd: ‘Ik ben op weg naar huis.’ Net alsof ik daar woonde. Ze geloofden het en ik deed snel daarna het licht op mijn fiets uit en ben een zijweg ingeschoten naar het huis van een kennisje daar. De volgende dag reed ik naar Klaaijsen. Hij deed open en zei: ‘Ojee, is dat waar? Ik maak snel wat zaken in orde en dan maak ik dat ik weg kom.’ Later heb ik gehoord dat hij toch is gepakt. Ik was te laat. 

“Op 12 oktober 1943 stond de SD ook bij ons voor de deur. De man die de pakjes ophaalde, heeft mijn naam genoemd, dat heb ik pas onlangs gehoord. Ik dacht altijd dat een NSB’er uit ons dorp mij verraden had. Ze hebben die verzetsman die mijn naam noemde wel eerst de tanden uit de mond geslagen. Dat noem ik geen verraad, hoor, absoluut niet.

“Eerst ging ik naar het politiebureau in Terneuzen. Ik ontkende alles. Ik zei dat ik pakjes meebracht met koffie en thee erin. Daarna heb ik een paar dagen in Axel bij de marechaussee gezeten. Ik mocht mijn ouders niet zien, ze brachten wel een koffer met kleren. Die marechaussees waren aardige Hollandse jongens. Ik mocht ’s avonds bij hen in de kamer zitten. En ze hebben nog geregeld dat ik gemakkelijk kon ontsnappen. Lieten ze expres de buitendeur open, terwijl ze zelf weggingen. Maar ik ben niet gegaan, want ik was nog nooit in Axel geweest, ik kende er niemand. En ik dacht ook: wat heb ik nou helemaal gedaan. Zo erg kan het niet worden, ze zullen me wel weer vrijlaten.

In Kamp Haaren stonk het naar dierentuin

“Op 19 oktober 1943 ben ik in een overvalwagen naar Haaren in Brabant gebracht. Kamp Haaren was een seminarie omgebouwd tot gevangenis. Het eerste wat me daar opviel, was dat het daar naar dierentuin stonk. Dat was niet zo gek. Want toen ik op de cel kwam, stond daar een oude vuilnisbak. Daar moest je je behoefte op doen. De ramen waren van buiten dichtgemetseld. Alleen bovenin zat een klein rooster. De ruif noemden we dat.

“Al snel kwam ik in een cel voor vier mensen bij onder anderen Hetty Voûte, een dappere vrouw. Zij zat steeds op het bovenste bed te naaien. Ik vraag: ‘Wat doe je daar toch?’ Zegt ze: ‘Ik schrijf naar huis.’ Zij mocht haar was naar huis sturen en borduurde in de zoom boodschappen. Zoom open, boodschap erin, zoom dicht, zo ging dat. Ik vertelde mijn ouders waar ik zat via een handdoek.

“En ik ben bedreigd en urenlang verhoord. Die man zei: ‘Als jij niet zegt met wie je in het verzet zit, halen we vanavond je moeder hier.’ Ik dacht: ze bluffen. En ik dacht ook: mijn moeder kan dit ook wel aan. Ik hield mijn mond en ze is niet gehaald, gelukkig.

Marie Verbraeken-Blommaart kreeg in Kamp Vught nummer 0840. Beeld Ringel Goslinga

“Vijf maanden lang heb ik in die kleine bedompte cel met de andere vrouwen gezeten. We hebben veel gezongen. Allemaal vaderlandse liedjes zoals ‘In naam van Oranje doe open de poort’. En toen de wacht daar een keer tegen protesteerde, hieven we het Wilhelmus aan. Kregen we twee dagen alleen water en brood.

‘Ik kreeg kampkleren en nummer 0840'

“Op 15 maart 1944 ben ik naar concentratiekamp Vught gebracht. Waarom? Dat vertelden ze niet. Ik zie ons nog staan in een grote barak. Ik moest helemaal naakt en m’n koffer met kleren afgeven. Alles ging in een jute zak en werd opgeslagen. Allemaal mannen om ons heen. Ik was heel preuts. Dan werd je op een tafel gelegd en er werd urine en bloed afgenomen waar die mannen bij stonden. En die mannen maar grapjes maken. Ik word van binnen nog boos.

“Maar fijn was dat Hetty Voûte daar ook was. Zij was al eerder naar Vught gebracht. Ze werkte al in de Bekleidungskammer. Trek je niks van die rotzakken aan, fluisterde ze, en provoceer ze niet, het is hier heel streng. Ik kreeg kampkleren en nummer 0840. U kent de verhalen wel over het harde leven in de kampen, altijd honger. Maar de sfeer onder de vrouwen was goed. We schreven nu boodschappen op kleine briefjes en naaiden die in de zoom van jassen van mensen die naar huis mochten.

“Ik heb nare dingen gezien. Op een dag stuurde een Aufseherin, een Hollandse bewaakster, mij naar de doucheruimte voor een emmer heet water. Ik zie daar vier mannen staan, kaal geschoren in gekreukte pakken. Heel gek. Ze roken een sigaretje. Er staat een Duitse bewaker bij, die ziet dat ik schrik. Hij maakt een schietgebaar en zegt: ‘Sie werden erschossen.’ Ze zijn even later gefusilleerd. Ik ben ’s avonds ziek geworden. Overgeven, diarree, koorts. Veel later, na de oorlog, zei de psychiater tegen mij: ‘Je lichaam heeft meteen gereageerd.’ Het was traumatisch.

Op 26 oktober 1944 bereikten de eerste Britse troepen Vught. Een dag later was heel Vught bevrijd. Het concentratiekamp was op dat moment al leeg. Het was begin september door de Duitsers ontruimd. De geallieerden waren toen al vlakbij, maar desondanks werden 3400 gevangenen op transport gezet naar concentratiekampen in Duitsland. Velen zijn daar om het leven gekomen.

In totaal werden ongeveer 32.000 mensen tussen januari 1943 en september 1944 korte of langere tijd opgesloten in het kamp. Naast 12.000 Joden zaten in Vught onder meer politieke gevangenen, verzetsstrijders, Sinti en Roma, Jehovah’s getuigen. Zeker 749 gevangen stierven er, van wie 329 geëxecuteerd werden op de fusilladeplaats even buiten het kamp. 

‘Mijn ouders zeiden: Vergeet het nou maar, het is voorbij’

“Waarom ik op 19 mei 1944 naar huis mocht, ik weet het niet. We hebben nog snel zoveel mogelijk briefjes van andere gevangenen in al mijn zomen genaaid. Die heb ik verstuurd toen ik thuis kwam. Ik was er erg aan toe, hoor. Hongeroedeem, zweren op mijn rug, steenpuisten. En ontstoken klieren in mijn nek. En ik wilde vertellen. Maar mijn ouders zeiden: ‘Vergeet het nou maar, het is voorbij.’ Ze dachten mij te beschermen door er niet over te praten. Dus ik ging weer in de winkel in Zeeland werken.

Een paar weken later kreeg ik te horen dat ik moest onderduiken. Want er waren weer mensen van onze groep opgepakt. Ik ben in Boxtel ondergedoken bij vrienden van mijn vader. In september 1944 ging ik vanuit daar naar Amsterdam op familiebezoek, voor de afleiding. Door het oorlogsgeweld en doordat de treinen staakten kon ik opeens niet meer terug. De hele Hongerwinter zat ik vast in Amsterdam, terwijl mijn familie in Zeeland al bevrijd was. 

‘Tien jaar na de bevrijding stortte ik in’

“Dat is ook een slechte tijd geweest. Ik werkte die winter als dienstmeisje. Ik hoorde niets meer van thuis. Pas na de bevrijding in mei 1945 kwam er een Canadese soldaat op bezoek in Amsterdam met een boodschap uit Zeeland. Toen hoorde ik dat het thuis met iedereen goed was. Ik ben met hem mee teruggegaan.

“Tien jaar na de bevrijding stortte ik in. Ik was inmiddels getrouwd, mijn man was boekhouder in Hulst, we hadden drie kleine kinderen. Ik heb weken op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis gelegen. Ik moest praten over die oorlog, almaar herhalen... En huilen. 

“We kregen later nog twee kinderen en verhuisden naar Amsterdam-Noord, waar we een wolwinkel begonnen. Helaas is een van mijn kinderen overleden en een is vermist sinds 1993. Mijn man is overleden in 1999. Ik heb inmiddels vijftien klein- en achterkleinkinderen en ik woon nog zelfstandig, hier in Westzaan. Nog steeds geef ik gastlessen op scholen, zodat deze geschiedenis levend blijft.”

75 jaar bevrijding 

Dit is de derde aflevering van een serie interviews waarin Trouw mensen aan het woord laat die de bevrijding van de Duitse bezetters in 1944/1945 zelf meemaakten. Lees ze terug op trouw.nl/75jaarbevrijding.

‘Ik was 14 en verzamelde wapens’

‘Wij wisten in die tijd wel dat het einde van de Duitse bezetting naderde, maar wanneer precies de Amerikanen zouden komen, wisten we niet. En op 18 augustus in dat jaar is er iets gebeurd, dat… ja, dat emotioneert me nog erg…” Bér Schroen – nu 89, toen 14,5 – verwelkomde de eerste Amerikaanse pantserwagens.

In de kelder tijdens de Slag om Arnhem

75 jaar geleden begon de mislukte Slag om Arnhem: op 17 september 1944. Jan Loos (toen 14, nu 89) woonde in het midden van de heftige strijd in Oosterbeek, buiten Arnhem. In een kelder van de buurvrouw wist hij met zijn moeder en zusje ternauwernood te overleven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden