Reizen Mislukte vakantie

Ik hield mezelf nog voor dat totale afzondering om te schrijven deze keer wel een goed idee was

Beeld Merel Korduwener

Drie schrijvers halen voor Trouw herinneringen op aan wonderlijke reisavonturen die niet helemaal goed afliepen. 

Het klinkt als de ideale werkvakantie: twaalf dagen alleen in een huis in Zeeuws-Vlaanderen om aan je boek te schrijven. Maar zodra schrijver Elke Geurts over de drempel stapt van het huis van Diny slaan de twijfels toe.

Het Zeeuwse landschap ontvouwde zich voor ons. Polders. Leegte. Steeds meer leegte. “Je bent er bijna”, zei Jelle. “De sleutel ligt in de Keulse pot”, berichtte Mia van de organisatie me. “Alles wijst zich vanzelf. Ik heb net een lift naar de Randstad kunnen krijgen!”

Jelle bracht me naar het niets. Jelle wilde me graag wegbrengen, had hij gezegd. Of is het beter hem mijn vriend te noemen? Hoe je iemand noemt is belangrijk. Je kunt met Jelle nog alle kanten op. Onder ‘mijn vriend’ kom je moeilijker uit.

Schrijfresidentie

In elk geval: zijn aanbod sloeg ik niet af. Ik heb zelf geen rijbewijs. Met het openbaar vervoer zou het vier uur reizen zijn van mijn huis naar de schrijfresidentie die ergens diep in Zeeuws-Vlaanderen lag.

Ik zou me daar twaalf dagen lang volledig op mijn boek concentreren. Twaalf lange dagen. Geen enkele afleiding. Weg van alle verplichtingen. Andere werkzaamheden. Geen dochters om voor te zorgen. Niets en niemand om me heen. Wat een luxe.

“Veel inspiratie”, schreef Mia.

“Dat gaat zeker lukken, hoor.”

Rolstoel

Over het kaarsrechte fietspad reed alleen een elektrische rolstoel met een bejaarde man in een fluoriscerend hesje. Hij had wind tegen. Zo ver als het oog reikte, kwam er geen einde aan het pad. Heel even dacht ik aan alle andere keren in mijn leven dat ik in mijn eentje ergens gebivakkeerd had. Ik dacht aan het diepe zwart van de nacht. De geluiden die ik niet had kunnen plaatsen. De stilte die vaak nog erger was geweest. Het bonzen van mijn hart. De gedachte: “Nou ja, als ze me pakken, dan moet het maar zo zijn.” Waarom koos ik nou altijd weer voor zo’n uithoek?

Ik hield mezelf hier nog voor dat totale afzondering deze keer wel een goed idee was. Dat in je eentje een kast van een huis betrekken, helemáál niet afleidend werkt. Dat je je totaal niet gaat afvragen wie die Diny is, die hier kennelijk blijkt te wonen.

Vooral: waar Diny nu dan gebleven is? Je gaat je niet afvragen waarom Diny haar woning, haar elektrische fiets én haar auto af zou staan aan wildvreemde schrijvers? Ook niet waarom ze zes blenders heeft én een Kitchen-Aid. Een open haard die groot genoeg is om een mens in te stoppen.

Grafzerk

Je gaat niets denken bij de grafzerk in haar achtertuin waar ‘pa & ma’ opstaat.

Om over het kistje op de schouw waar een zakje met as in zit en lieve afscheidswoorden voor Berry, – haar man zaliger – nog maar te zwijgen.

Nee, je laat je, als je eindelijk alleen zit, in een woning die je ter beschikking is gesteld door een Zeeuwse literaire organisatie, niet van de wijs brengen. Je houdt je aandacht bij je eigen verhaal, niet bij dat van Diny. Je richt je ogen op je scherm. Eindelijk, je schrijft.

Je wandelt elke dag in de natuur. Nee, niet alleen naar het plantsoen voor bejaardentehuis ZorgSaam. Aan het einde van de straat. Om daar – tevergeefs – naar het pakje sigaretten te zoeken dat je daar op dag één zelf in de struiken hebt verstopt.

Toch niet alleen

Het was fijn dat Jelle me bracht, het was ook fijn dat we samen in de auto zaten en de tijd hadden om te kletsen. We hadden al een heel leven voordat we elkaar ontmoetten. We woonden beiden in een andere stad. We hadden allebei kinderen. Werk. Vrienden. Veel tijd samen was er niet.

Het allerfijnst vond ik toch dat ik niet alleen was. Dat ik straks niet in mijn uppie in dat huis aan hoefde te komen. Dat ik de eerste nacht daar niet alleen hoefde te slapen.

We reden de Westerscheldetunnel in. Ik legde mijn hoofd op zijn schouder en sloot mijn ogen.

“Dit is het natuurlijk het voordeel”, zei ik.

“Waarvan?”

“Van een relatie?”

“Goed dat je dat woord uit je mond krijgt!” zei Jelle. En: “Wat is dan precies het voordeel?”

“Dat ik mijn hoofd op jouw schouder mag leggen.”

Hij knikte. Het bleef stil in de auto. Ik lag daar tegen hem aan. Met mijn ogen dicht. Ik dacht eraan hoe lang het geleden was dat ik mijn hoofd op iemands schouder had mogen leggen. Hoe bijzonder het eigenlijk is als je zomaar je hoofd op iemands schouders kunt leggen.

Buxushaag

De schrijfresidentie werd omringd door een getrimde, manshoge buxushaag. Een huis betreden is als het lichaam van een vrouw betreden, had ik laatst gelezen.

Wij betraden Diny dus. Bij binnenkomst staarden de ogen van een man ons aan. De muren van de hal waren behangen met geschilderde portretten van steeds hetzelfde gezicht, van jongetje tot middelbare man.

Er hingen jassen en vesten aan de kapstok. Op het garderobetafeltje lag lipgloss, en een stapeltje post geadresseerd aan ene Diny.

Het is vreemd om een bewoond huis in te gaan waar je nooit geweest bent. Met je rolkoffer achter je aan. Alsof je per ongeluk in het verkeerde leven bent gestapt.

Zodra ik in haar woonkamer stond, voelde ik al hoe mijn neusslijmvlies zich verdikte. Het snotteren begon. Mijn luchtwegen raakten verstopt. Even later niesten we om de beurt.

Alle vloeren waren bekleed met een lichtbeige vloerbedekking, lekker aan je voeten, maar waarin de huidschilfers van jaren zich ongezien konden ophopen.

“Je kunt net zolang blijven als je wilt”, berichtte Mia me.

Eén slaapkamermuur was spiegelwand, vanaf een andere muur loerde een wat oudere Berry naar ons. Diny was goed in ogen. Voor het slapengaan, hing ik een handdoek over het schilderij.

“Hang jij nou écht iets over die ogen?” Jelle schoot in de lach. “Dat is toch meer iets voor vijfjarigen?”

“Voor de zekerheid”, zei ik.

Glurende vrouw

Toen ik die nacht uit bed kwam om naar het toilet te gaan, stond er aan mijn voeteneind ineens een vrouw te gluren. Ik gilde.

“Wat is er?” Jelle schoot overeind.

“Sorry, ik dacht dat dat Diny was.” Ik wees naar de spiegel.

“En dan ben ik Berry”, zei Jelle.

“Berry is dood.”

“Ik vind het stoer dat je dit gaat doen.” Hij pakte me vast.

“Je laat me hier morgenochtend toch niet alleen achter, hè?”

De buitenverlichting floepte vanzelf aan zodra ik een voet buiten de deur zette. Een groot licht naast de voordeur, een pad van kleine lichtjes dat naar de grijze Citroën van Jelle leidde.

De zon was nog niet op. Ik stond op blote voeten op het stoepje te zwaaien. In mijn joggingbroek. De capuchon van mijn grijze hoodie op mijn hoofd. De tranen liepen over mijn wangen. Onder mijn arm klemde ik een dubbelpak cd’s. Dan heb je hier muziek, had hij gezegd. Ik huilde als een klein kind toen Jelle mijn beeld uitreed.

“We zien wel hoe lang je het daar uithoudt!” schreef Mia. Ze plaatste er een smiley bij. 

Lees ook: 

Relatiecrisis? Misschien moeten we even op reis

Schrijver Maartje Wortel haat vakanties. Vroeger moest ze altijd mee van haar ouders. Als haar relatie wat minder voorspoedig verloopt, hoopt ze toch dat een reis uitkomst biedt

Mislukte vakantie? Gelukkig hebben we de voorpret nog

Schrijver Gerwin van der Werf haalt herinneringen op aan een wonderlijk reisavontuur dat niet helemaal goed afliep. Kent u die grap van die motorrijders die naar Parijs gingen? 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden