Engstlensee, Zwitserland.

EssayDe bergen in

Hoe Yolanda Entius in de bergen het geluk zocht (en vond)

Engstlensee, Zwitserland.Beeld Lars van den Brink

Opgroeien in een land zonder bergen maakt dat ze tot de verbeelding spreken. Schrijver en enthousiast bergwandelaar Yolanda Entius wordt er stil van. Heel erg stil.

Yolanda Entius

Winter: de anders zo stille monniken rennen in grauw habijt over de witte hellingen van de Chartreuse. Maagdelijke sneeuw vlokt met elke voetstap op. Ze hebben de gelofte van zwijgen afgelegd, maar eens per jaar wordt er een uitzondering gemaakt. Ze praten, grappen, hollen, dollen, lachen. ­Iemand gooit een sneeuwbal; er gaat er eentje onderuit. De sneeuw dempt hun gegiechel tot een zacht kabaal dat tussen de bergtoppen echoot. Ze zijn hier thuis, deze monniken, als een kudde koeien in de wei – op de eerste lentedag dan, als ze eindelijk van stal mogen.

Een scène uit Die große Stille (Into Great Silence) een documentaire van Philip Gröning uit 2005, die het leven van de kartuizer monniken van binnenuit vastlegt. Door dat vrolijke gepraat in de sneeuw wordt de afwezigheid daarvan in de scènes daarvoor alleen maar onderstreept. Tot dan hebben we ze alleen horen zingen, in koor. De film is enorm zintuiglijk. We zien het smelten van een ijspegel, de zon die vanachter de kim omhoog klimt en de rotsen roze kleurt, een kluit berijpte aarde in de moestuin. We horen het geschuifel van voeten op een gang, het knippen van een schaar in stof, het gebeier van klokken in het dal. In iedere klank klinkt de stilte.

Alles lijkt te getuigen van ontzag voor het hogere, in zowel religieuze als fysieke zin: de bergen. Niet voor niets misschien dat het Massif de la Chartreuse werd uitverkoren als locatie voor deze kloosterorde.

Ongenaakbare rotswanden

Meer dan eens heb ik daar, met mijn tent op de rug, gewandeld. Dat ik me thuis voel in de bergen, kan ik niet zeggen – niet zoals die kudde monniken in de sneeuw, daarvoor ben ik te veel verbonden aan het platte land waar ik ben opgegroeid – en religieus ben ik ook al niet, maar ik word er wel stil van, heel erg stil. Ze boezemen angst in, ontzag, maken me nederig. Ik kan in de berg niet anders dan mijn meerdere erkennen en daar heb ik, zolang het over bergen gaat, geen problemen mee.

En hoewel de Chartreuse niet eens zo heel hoog is – je vindt er geen eeuwige sneeuw, wat jarenlang een voorwaarde was om aan de kwalificatie ‘berg’ te voldoen – herinner ik me een hooggelegen, breed, plat dal met aan weerszijden ongenaakbare rotswanden. Eeuwen of millennia terug waren daar enorme stukken uit losgebroken en naar beneden gerold. Als glimmende, grillig gevormde huizen zonder raam noch deur lagen ze nu in het dal waar ze bescherming boden tegen wind en regen. ’s Nachts, in de tent, moest je er niet aan denken wat er zou gebeuren als opnieuw een stuk rots zou loskomen en in zijn weg naar beneden jou en je tentje aan zou doen. Tegelijk: ‘Of een boom nu naar links valt of naar rechts, waar hij moet vallen komt hij terecht’. Dat had Prediker goed gezien. En met die gedachte viel ik in een diepe slaap.

Yolanda Entius is schrijver en bespreekt boeken in deze krant. Haar jongste roman Niet ik verscheen vorig jaar. In juni verschijnt bij Van Oorschot (in de wandelreeks ‘Terloops’) Ogentroost, waarin Entius op de grens tussen Frankrijk en Italië in de bergen loopt.

Uit hout gesneden hondjes

Mijn eerste herinnering aan de bergen is een fotoherinnering. Mijn zusjes en ik staan met mijn moeder voor de auto (een rode of een blauwe NSU, de foto zelf ben ik kwijt) op de Grote Sint-Bernhardpas. De lucht is blauw, de bergtoppen zijn wit, in de stalletjes worden snuisterijen te koop aangeboden (uit hout gesneden hondjes, met een tonnetje drank om hun hals, gesméékt heb ik om zo’n hondje), moeder en de meisjes lachen.

We zijn onderweg naar Italië en langs metershoge sneeuwwanden naar de pas gekropen. De motor van die NSU is licht, onze caravan is zwaar, de haarspeldbochten zijn scherp en mijn vader is driftig zoals alleen mijn ­vader kan zijn. Meer dan eens is ons NSU’tje stomend tot stilstand gekomen. Het is een wonder dat we niet ­terug het Zwitserse dal in zijn gerold en dat mijn ­vader niet ontploft is. Nog niet althans: ieder moment kunnen we de inhoud van zijn schedel van de voorruit vegen.

In plaats van angst te hebben voor mijn vader – mijn gebruikelijke reactie – voel ik me lacherig. De manier waarop hij niet wil buigen voor de zwaartekracht, heeft iets onweerstaanbaar komisch. Slapstick is het: dat ­gevloek en getier en dat rammen op zijn stuur. En hoewel ik er niet hardóp om zal hebben gelachen en er trouwens ook niet voor in durf te staan dat ik die komische noot daar niet later aan heb toegevoegd, voor mijn tweede herinnering en mijn beleving ervan steek ik zo niet mijn hand, dan wel mijn pink in het vuur.

Weer zijn we in de bergen, weer met de auto, maar zonder caravan nu, die staat in het dal op een camping. Ik sta aan de voet van een alp. Mijn vader, moeder en zusjes zitten in de NSU, die even verderop staat. Dat ik daar alleen sta, is best wel gek, maar het is niet anders. Misschien omdat het ieder moment kan gaan regenen, misschien dat de anderen bang zijn nat te worden.

Torri del Vajolet. Dolomieten, Italië. Beeld Lars van den Brink
Torri del Vajolet. Dolomieten, Italië.Beeld Lars van den Brink

Ik niet. Ik ben niet bang. Nergens voor. Niet om nat te worden – ik heb een spiksplinternieuwe plastic regenjas, waar ik volkomen op vertrouw – niet voor die reusachtige berg, die staat te grommen en te donderen in een lood­grijze wolk vol onweer dat ieder moment los kan barsten. Ik kijk ernaar. Met mijn hoofd in mijn nek kijk ik naar die berg. En ik voel me zo klein, zo nietig dat mijn angst – want ik ben wel degelijk bang – verdwijnt. Hij vloeit uit me weg als het leven uit het lichaam van een dode. Maar ik ben niet dood, ik leef, ik heb het alleen opgegeven me er druk om te maken.

Ja, ik was jong, heel jong, en ik zal, zo ik al woorden gebruikte, andere hebben gebezigd, maar dit voelde ik: het heeft geen zin je te verzetten tegen de berg en ik hoef me geen zorgen om mij te maken, want het gaat niet om mij of om mijn wil en niet om de berg. De berg is, ik ben, en dat zijn kan ook wel zonder mij. Ik gaf mij, kortom, over. Het gevoel verdween zoals het was gekomen. En niets kon mijn geluk verstoren. Ook niet toen de regen als ijs uit de hemel viel, want mijn jasje hield het. En ik had iets meegemaakt, dat wist ik.

In Tijdgeest leest u deze week nog meer verhalen over bergen:

• Van de Albanese Alpen tot het Noorse Jotunheimen: neem eens een kijkje in deze berggebieden
• Waarom de berg in de Nederlandse polder er nooit kwam
• Recensie van de film The Alpinist

Lac de Vaches, Frankrijk. Beeld Lars van den Brink
Lac de Vaches, Frankrijk.Beeld Lars van den Brink

Het was een geluksgevoel waar ik sindsdien, in zekere zin, naar op zoek ben en dat ik, op enig moment altijd terugvind in de bergen. Voeg daarbij het plezier dat ik ervoer toen ik voor het eerst te voet omhoog ging en u begrijpt waarom ik elk jaar de bergen als sirenen hoor kwijlen. Je hoog in de bergen overgeleverd weten aan de natuur is extatisch, er op eigen kracht geraken, is subliem.

Man o vrouw, wat was ik trots toen ik, ik zal zo’n jaar of acht geweest zijn, na al die uren klimmen tussen de rotsen mijn schoen in een eeuwig krakend sneeuwveld plantte. A giant leap, mag ik wel zeggen, in de ontwikkeling van mijn karakter, en in mijn carrière als bergwandelaar. Bij een echte berg hoorde sindsdien ‘eeuwige sneeuw’: alles wat zich onder die grens bevond, was kinderspel. De magie ervan was zo groot dat ik op vakantie, nog voor we de grens met Duitsland bereikt hadden, aan een wolkenmassa boven een kerktoren voldoende had om eeuwig sneeuw te zien. Later, toen ik volwassen was, kon ik – hoewel ik nog altijd graag met een plastic zak onder mijn kont me van een sneeuwveld naar beneden laat glijden – het ook wel zonder stellen. En dat is, nu de aarde in rap tempo opwarmt, maar goed ook.

Nog groter geluk

Eenmaal volwassen kreeg ik er lol in om mijn hele hebben en houwen in een rugzak de berg op te slepen, wat de tocht omhoog nog zwaarder maakt en mijn geluk nog groter. ‘De moeilijkheid geeft aan de dingen hun waarde’, Montaigne zei het al en hij was niet de eerste en zeker niet de laatste. Daarbij komt dat je plezier, op een plek waar geen asfalt of een kabelbaan is, niet vergald wordt door hordes mensen die niet bereid zijn af te zien.

Dat een berg geen eigen wil heeft en al helemaal geen ego, helpt bij het afleggen van het mijne. En dat ik kan ontsnappen om er dan, vanuit mijn vlakke land (‘waar hemelhoge kerken de enige bergen zijn’ – Jacques Brel) weer naar te verlangen, maakt mijn hang naar de bergen ook wel sentimenteel en romantisch. Zou zo maar kunnen dat mijn verlangen naar de berg omgekeerd evenredig is aan mijn kennis erover.

Een vrouw als Nan Shepherd (1893-1981), schrijver van De levende berg, waarin ze haar tochten door de Schotse Cairngorms beschreef, is opgegroeid met de berg. Zij kent hem, zij kent hem echt, op een manier waarop ik alleen maar jaloers kan zijn. Evenzogoed kan ik me voorstellen dat je je, als je in een dal tussen de drieduizenders woont en gedoemd bent er te blijven, ­gevangen voelt. Maar of dat betekent dat de almbewoner op min of meer gelijke wijze naar de vlakke Hollandse polder verlangt, waag ik te betwijfelen.

Hoe ziet u de bergen? Reacties (max. 150 woorden) zijn welkom via tijdgeestreacties@trouw.nl. Vermeld naam en woonplaats.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden