null

EssayZwemmen

Hoe ik mijn zwemvrees overwon en zelfs begon te houden van de pleisters op de bodem van het bad

Beeld Patrick Post

Als kind zat Lisa Huissoon kotsend van angst in de auto op weg naar het zwembad. Nu zwemt ze ’s avonds in de stromende rivier.

In de tijd dat ik leerde zwemmen, heb ik vaak overgegeven. Vooral in de auto, op weg naar het zwembad. Ik was zo bang voor water dat ik me zelfs druk maakte om het speeksel in mijn eigen mond. Maar het ergst vond ik Marina, de badjuffrouw, omdat ze juist de bange kinderen onder water duwde. Een groot deel van de lessen bracht ik door op de wc, waar ik met mijn natte zwembroek op de bril zat. Als ik terugkwam, en er aan me werd gevraagd waarom ik zo lang weg was, loog ik dat ik diarree of blaasontsteking had. Het had niet echt zin om me tegen haar te verzetten. Uiteindelijk vouwde ze toch weer haar grote hand om mijn nek en hield ze me onder water. Op een gegeven moment had ik zo vaak overgegeven dat ik eindelijk van zwemles mocht.

Mijn moeder schreef me in voor zwemlessen in een ander bad, in een dorp verderop, waar de lessen heel speels waren ingericht en je zelf mocht bepalen of je wel of niet met je hoofd onder water wilde. Bij het afzwemmen was ik twee keer zo oud en anderhalf keer zo groot als de andere kinderen die met kleding en schoenen aan op de badrand stonden te wachten. Ik schaamde me ervoor dat ik met kop en schouders boven ze uitstak. De schaamte kwam me bekend voor, ik kende het van andere keren dat ik iets niet durfde, zoals koprollen of een radslag maken. Ouders en grootouders zaten op krukjes en bankjes langs het zwembad. Ik zag de kinderen die voor mij in de rij stonden een voor een het water in duiken, om door het gat in het rode zeil te zwemmen.

Ik dook door het gat en wilde indruk maken om mijn lengte te compenseren. Ik kwam niet zoals de andere kinderen gelijk weer naar boven, maar zwom onder water door totdat ik de overkant van het bad met mijn vingers kon aantikken. Iedereen die toekeek begon te juichen en te applaudisseren. Als ik hieraan terugdenk, verzin ik er gekleurde slierten bij die uit een confettikanon schoten. Ik voelde me onoverwinnelijk en was daarna nooit meer bang voor water. Op mijn badkleding werd een patch gestreken waarop stond dat ik een zwemdiploma had. Ik droeg die badkleding in de zomervakanties, tot ik er te groot voor was.

Ogen open

Doordat de angst voor water weg was, had ik het gevoel dat ik ook beter kon omgaan met andere dingen die ik eng vond. Ik hing aan een rekstok en liet mezelf voorovervallen, ik stak op school vaker mijn hand op als ik het antwoord op een vraag wist, ik hield mijn ogen open toen de tandarts mijn kiezen loswrikte en uit mijn mond trok.

Toen ik zeventien was en net een paar weken geen slotjesbeugel meer had, werd ik verliefd op iemand die niet kon zwemmen. Ze serveerde koffie in de ontbijtzaal van het hotel waar ik met mijn familie op vakantie was en binnen een paar seconden gebeurde het. Het was niet eens door hoe ze me aankeek, maar gewoon, dát ze me aankeek.

Ze kwam me ophalen op haar mountainbike als ze de laatste borden in het restaurant had afgewassen en mijn familie al lag te slapen. We brachten de nachten door aan een strand ver bij het hotel vandaan, want bij het hotel waren privéstranden waar personeel niet gezien mocht worden. Ik keek naar haar als ze in een hangmat een sigaret lag te roken en voelde mijn ademhaling versnellen. Ze had een tatoeage van een vlinder op haar schouderblad, piercings in haar oren en een sidecut. Het maakte haar niet uit hoe ze op foto’s stond. Als ze vroeg wat ik van de muziek vond die ze had opgezet, zei ik dat het mooi was. Soms vroeg ze of ik een liedje wilde opzetten, en dan lachte ze om mijn keuzes, behalve om Damien Rice. Het voelde alsof ik in haar bijzijn heel makkelijk iets verkeerd kon doen, dus luisterde ik vooral naar haar verhalen en probeerde ik zo min mogelijk ruimte in te nemen.

Mysterieus

I never learned how to swim”, zei ze, toen we tot onze knieën de zee in waren gelopen. Ik zei niets en hoopte dat ze dat mysterieus zou vinden, of dat ze dacht dat ik van de inzichtelijke stille soort was, terwijl ik vooral zweeg omdat ik niet wist wat te zeggen.

Een paar dagen nadat ik thuisgekomen was van de vakantie aan het strand, probeerde ik het meisje overal terug te vinden; in voorbijgangers, in wolken, in muziek. Ze sms’te dat er lage golven waren en iemand haar had leren drijven. Ik had er gelijk spijt van dat ik dat niet zelf had voorgesteld. Dat ik al die tijd geprobeerd had de momenten zo onaangeraakt mogelijk te laten en dacht dat ik met elke beweging iets tussen ons kon verpesten. “Ik zag iemand met jouw ogen vandaag”, zei ik terug.

Niet lang daarna kreeg ik een relatie met iemand die niet goed tegen licht kon. We kenden elkaar van internet en kwamen elkaar tegen op een festival. We brachten onze dagen meestal binnen door met de gordijnen dicht. We lazen vooral de poëzie die we zelf hadden geschreven. We brandden de wierook die we in een grootverpakking hadden gekocht en luisterden naar zijn platen. Ik lag vaak op het bed in zijn zolderkamer, op een deken die al heel lang niet gewassen was en keek naar buiten, uit het dakraam. Als we naar buiten gingen, liepen we zoveel mogelijk in de schaduw en haalden we halve liters bier die we opdronken op een bankje in het park. Hij zat niet graag op het gras. Hij vond het vervelend als ik mijn theezakje op en neer bewoog, omdat dat ongeduldig overkwam, en hij had er een hekel aan als ik met mijn haar speelde tijdens een film. Ik sprak namen van bands niet goed uit.

Onoverwinnelijk

De eerste weken nadat het uit was, maakte ik met iedereen een praatje. Ik maakte vrienden als ik op de bus zat te wachten of door de stad wandelde. De mensen die ik al kende leken zachter dan voorheen. De dagen waren open en licht en ik had zin om te zwemmen, om me onoverwinnelijk en vrij te voelen. Bij het zwembad kocht ik een strippenkaart waarmee ik vijftig keer toegang kreeg. Ik kocht allemaal spullen die ik in het zwembad nodig had. Drie badpakken, een duikbril, een badmuts, een neusklem die ik uiteindelijk nooit gebruikte, een zwemplank en flippers voor het trainen van mijn beenspieren, een sneldrogende microvezel handdoek, een soepele drinkfles, slippers en een badjas. Ik droeg zelfs een sporthorloge.

Ik hield van bijna alles wat met mijn zwembadbezoeken te maken had. Ik hield van de gesprekken in de kleedkamer (“ik ga normaal gesproken op woensdagochtend om zeven uur, dan is het lekker rustig”, “die jongen van de borstcrawlcursus doet het zó leuk”), van de vijftig cent die standaard in het voorvakje van mijn tas zat voor een kluisje, van alle keren dat If You Could See Me Now van The Script werd afgespeeld. Van het samen douchen en elkaars shampoo lenen en de gezichten van eerdere keren herkennen, van het natte badpak boven een putje uitwringen (“vroeger hadden ze daar een heel handig apparaat voor”), de afdruk van de te strak gedragen duikbril die nog lang op mijn gezicht bleef staan, de automaat met wegwerpbare overtrekschoenen, de haardroger, de geurcombinatie cafetaria en chloor. Van mijn afspeellijst voor onderweg en de John Frostbrug. Ik hield zelfs van de pleisters op de bodem van het bad.

Ik voelde me goed als ik heen en weer zwom in een rechte lijn, omdat ik mijn eigen tempo kon bepalen. Het enige waar ik mee bezig was, was hoe lang ik nog onder water kon blijven totdat ik weer adem moest halen. Iemand leerde me dat inademen energie geeft en uitademen ontspant, en dat als ik me daar bewust van ben mijn ademhaling als een anker kan zijn, iets om op terug te vallen en om me aan vast te houden.

Op een gegeven moment waren de rechte banen van het zwembad niet meer genoeg, had ik de behoefte om me grenzelozer te voelen en werd ik verliefd op iemand die niet van zwemmen houdt.

Opblaasflamingo

In de zomer fietsen we met onze vrienden naar het strandje aan de Rijn. We gaan vaak ’s avonds, als er niemand meer is, en we onderweg alleen maar mensen tegenkomen die terug naar de stad gaan. We lopen over de loopbrug die instabiel aanvoelt maar waar ik al vaak mensen op scooters overheen heb zien rijden. We lopen langs de koeien en de paarden, die meestal staan te grazen en soms water uit de rivier slurpen. We leggen onze spullen neer en trekken onze kleren uit tussen de uitgedroogde koeienstront, het afval dat is blijven liggen – lege blikken bier en frisdrank en Cornetto-dozen, een opblaasflamingo waar geen lucht in zit. Alles om ons heen is stil, alleen wij maken geluid.

Mijn geliefde gaat meestal alleen tot haar knieën het water in. Soms zwemt ze even, maar dan krijgt ze het al gauw koud. Ik vind het fijn dat ze steeds haar voeten tegen mijn benen legt als we in bed liggen en dat ik haar blij kan maken door water te koken voor een kruik. In haar handdoek gewikkeld staat ze langs de kant. Ze kijkt over het water en houdt ons in de gaten. “Kom terug”, schreeuwt ze zodra we voorbij de kribben zwemmen, “jullie zijn niet sterker dan de stroming.”

Ze zegt dat ik goed om me heen moet kijken voordat ik een weg oversteek, dat ik de deur naar het balkon op de knip moet zetten als ik alleen thuis ben en dat ik voorbijgangers niet te lang moet nakijken. Ze smeert mijn blauwe plekken in met Calendula-zalf. Ze zegt: “Je hoeft maar heel even uit balans te raken om van de kade af te vallen, mensen doen daar veel te nonchalant over.” Het voelt veilig bij haar en haar zorgen, omdat ik iets in haar manier van denken herken, maar ook omdat ik niet zo op mezelf hoef te letten als zij dat al doet.

Een van onze vrienden danst en zingt tijdens het zwemmen. Het klinkt zo warm dat ik bij haar stem in slaap zou kunnen vallen. De ander drijft op haar rug en kijkt naar de sterren en vertelt over planeten, hemellichamen en nevelstructuren. Ze voelt zich verbonden met die oneindigheid en veranderlijkheid. “Het is allemaal zo groot en gigantisch en wij bestaan ondertussen ook, in datzelfde universum”, zegt ze. Voor mij lijken sterren en planeten vooral heel ver weg, maar het maakt me rustig dat ook zoiets een houvast kan zijn. Ik zwem onder water en denk aan hoeveel ruimte ik inneem. Het voelt als precies genoeg. We drogen ons af en delen een fles wijn.

Als we terugfietsen naar de stad moeten we aan de overkant van de brug allemaal een andere kant op.

Lisa Huissoon

Lisa Huissoon (1995) studeerde in 2019 af in Creative Writing aan hogeschool voor de kunsten ArtEZ­­. Ze won de Nieuwe Types Afstudeerprijs, die jaarlijks wordt uitgereikt voor het beste literaire eindwerk van een Nederlandse of Vlaamse schrijfopleiding. Vorig jaar debuteerde ze met de roman Alle mensen die ik ken.

Lees ook:

In het Boerhaavebad leren ze lekker rommelig zwemmen

Klappertanden en eindeloos­­ watertrappelen? Niks ervan. In een Haarlems­­ zwembad draait alles om zelfvertrouwen en ­plezier in het water.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden