InterviewHistoricus Mathieu Segers

Historicus ­­Mathieu Segers: Het is nu aan mijn generatie om te laten zien dat we iets voorstellen

Beeld Richard Stark

Navelstaarderig? Historicus ­­Mathieu Segers verzet zich tegen die karikatuur. De kinderen van de jaren negentig, die op het punt staan de macht over te nemen, zijn vooral veranderingsgezind.

De jaren negentig hebben een imagoprobleem. Net als de ­jaren zestig zijn ze in de ogen van velen het tijdperk van ­naïeve zorgeloosheid en hedonisme, de kiem voor alles wat daarna fout ging met de wereld. De westerse mens nam verantwoordelijkheidsvakantie en was vooral druk met zichzelf. Het vredesdividend van het einde van de Koude Oorlog werd niet geïnd en de publieke zaak ging in de uitverkoop; de markt nam de teugels over.

Mathieu Segers, hoogleraar Europese geschiedenis en integratie aan de Universiteit Maastricht, vindt dat beeld een karikatuur. In een essay in De Groene Amsterdammer met de titel ‘De betere wereld van toen’ pleitten Segers en journalist Rutger van der Hoeven in 2018 voor een herwaardering van het decennium.

Tweeënhalf jaar later klinkt zijn pleidooi nog even hartstochtelijk: “Ja, alles was – zeker in ons deel van de wereld – gedrenkt in een weldadig comfort, maar het was ook de tijd van openheid en optimisme, waar we nog ­altijd veel van kunnen leren.”

Mathieu Segers (1976) studeerde ­politicologie, maar promoveerde als historicus. Segers is hoogleraar Europese geschiedenis aan de Universiteit Maastricht. Hij schrijft ­columns, maakt podcasts en is auteur van verschillende boeken. Hij werkt nu aan een boek over de geschiedenis van de oprichting van de EEG.

Segers is een kind van de jaren negentig. Wie het ruim neemt, laat de jaren negentig beginnen in de ­laatste maanden van 1989, toen kort daarvoor nog voor onmogelijk gehouden ontwikkelingen over elkaar heen buitelden, en laat ze eindigen met de even onverwachte dreunen van 11 september 2001. Aan beide momenten heeft Segers levendige herinneringen. In het najaar van 1989 was hij dertien. “Mijn ouders hadden vrienden in de DDR. We waren weleens bij ze op bezoek geweest. Dat maakte dat we erg meeleefden. Bovendien was ik vanaf de laatste jaren van de lagere school al erg geïnteresseerd in politiek. Ik besefte dus wel degelijk dat er iets serieus aan de hand was. Vanaf het moment dat zich steeds meer Oost-Duitsers zich verzamelden in de Hongaarse ambassade in Oostenrijk zijn we het als gezin intensief gaan volgen. Bij de val van de Berlijnse Muur realiseerde ik me – hoe jong ik ook was – dat dit een kantelpunt in de ­geschiedenis was.”

Hoe was dat op 11 september 2001?

“Toen was dat ook overduidelijk. Het bijzondere was dat ik een dag lang nog van niks wist. Met mijn vriendin (nu mijn vrouw) vierde ik vakantie aan de Amalfi-kust. We waren met van alles bezig, behalve met nieuws. Offline bestond nog. Op 12 september wachtten we op het vliegveld van Napels op onze vlucht terug. Op die luchthaven is voldoende te beleven, dus het duurde even voordat tot ons doordrong wat er gebeurde op die beelden van de Twin Towers die op de tv-schermen steeds maar werden herhaald.”

Wat veranderde er door die aanslagen?

“Het was de terugkeer van angst en geweld. Wat volgde was oorlogsretoriek, deels begrijpelijk. Maar het ging verder: terrorisme begon de hele maatschappelijke sfeer te bepalen. ‘De ander’ werd – letterlijk – veel bedreigender. Mensen vertaalden 9/11 naar de Nederlandse setting.

“Ik ben zelf niet anders naar moslims gaan kijken of ze minder gaan vertrouwen. Die houding kwam, denk ik, voort uit mijn ervaringen uit de jaren negentig.”

Die waren positiever?

“Wij, leeftijdsgenoten uit alle lagen van de bevolking, ervoeren het multiculturele als iets verrijkends en waardevols. Nederlandse jongeren waren geïnteresseerd in de leefwereld van jongeren met een migratie-achtergrond. De Marokkaanse medespelers in mijn voetbalteam waren geïnteresseerd in de dingen die wij hen ­konden vertellen. Er was open communicatie, natuurlijk met allerlei vooroordelen, misverstanden en gebrek aan kennis en in die zin tot op zekere hoogte naïef, maar vooral oprecht. Cultureel was het ook cross over wat de klok sloeg.”

Publicist Paul Scheffer maakte in 2000 in zijn ­essay ‘Het multiculturele drama’ een veel ­negatievere balans op.

“Scheffer zag over het hoofd dat er ondertussen een generatie opgroeide voor wie al het onderscheid tussen de verschillende werelden niet zo scherp gold. Het moedwillig frustreren van de verwezenlijking van die multiculturele samenleving verdween langzaam. De geest veranderde. Het jammere was dat wij van onze generatie nog niet belezen genoeg waren of het gezag hadden om Scheffer weerwoord te geven.”

Waar kwam die openheid van uw generatie ­vandaan?

“In deze hoek van de wereld zag alles er positief en uitdagend uit, een en al mogelijkheden. Het onderwijs op middelbare school en universiteit was gericht op breedtesport. Excelleren overheerste niet. Het idee was dat je ook leerde van het werken met minder begaafde medeleerlingen. Je kon je een foute keuze permitteren, van studie wisselen of je richting flink bijstellen. De hele sfeer ademde een grote tolerantie en ontspannenheid.”

De jaren negentig was ook de tijd van oorlogen en genocides in voormalig Joegoslavië en in Rwanda. Het leek alsof dat mensen maar beperkt bezighield.

“Dat klopt wel, denk ik. De Duitse filosoof en schrijver Hans Magnus Enzensberger noemde dat in zijn beschrijving van de jaren twintig van de vorige eeuw het schandaal van de gelijktijdelijkheid. Met de ervaringen van de Eerste Wereldoorlog die men niet wilde herhalen, gebeurden toen veel mooie dingen. Ondertussen voltrokken zich ook allerlei dingen die het daglicht niet konden verdragen: sociale ongelijkheid, armoede, de aanloop naar de beurskrach van 1929. Allemaal tegelijkertijd in een soort gekmakende cocktail.

“In de jaren negentig was iets soortgelijks gaande. De tijd stond bol van de ambities om vrede, stabiliteit en samenwerking te verspreiden. Mensenrechten werden op mondiale schaal uitgedragen, er ontstonden nieuwe democratieën. Kansen lagen voor het oprapen.

“Dat leidde tot een soort doofheid voor negatieve signalen en maakte ook dat wat vanuit voormalig Joe­goslavië en Rwanda tot ons kwam – in al hun onvoorstelbare middeleeuwsheid – te vaak flankbeelden werden.”

Ondertussen was Nederland ook niet vrij van kwesties als drugsproblematiek, vandalisme, criminaliteit.

“Die leken oplosbaar. Dat was deels een oprecht geloof, maar ook een teveel aan opportunisme, leegheid. Grote woorden over moraal, terwijl de daden er niet bij klopten. Al een soort fin-de-siècle-sfeer, als je het in de grotere patronen ziet.”

Naïef ook.

“Dat verwijt is niet onterecht, als je kijkt naar hoe groot de mogelijkheden in de jaren negentig waren en wat daarmee is gedaan. Zaken zijn op een nogal onbekommerde manier overhoopgehaald: privatisering en liberalisering zonder te kijken naar de maatschappelijke effecten die ze hadden in de sociaal-economische sfeer. Overheid, bedrijfsleven en individuen die in groten ­getale begonnen te beleggen, gooiden de trossen los. Waardoor alles waar ze voor stonden in de oude wereld nu een geloofwaardigheidsprobleem heeft. Sociale ­vangnetten verdwenen. Het samen werd vermarkt. Alles werd privérisico en -winst.”

Zelfs het morele werd economisch vertaald.

“Ja. Aan de andere kant wil ik ervoor waken om te zeggen dat er op moreel gebied niks gebeurde. Dat klopt niet, zeker niet als je er internationaal naar kijkt. Neem het Verdrag van Maastricht. Ik woonde een paar straten van het hotel waar veel van de Europese leiders destijds logeerden, heb als puberjongen nog geprobeerd om een glimp van ze op te vangen. Zonder succes. Tegelijkertijd was het opwindend om het gevoel te hebben dat in mijn stad geschiedenis werd geschreven.

“Dat gevoel was terecht. Federica Mogherini, de voormalige buitenlandchef van de Europese Unie, begon in haar toespraak bij de viering van 25 jaar Verdrag van Maastricht met de constatering dat het destijds het ­begin van iets heel bijzonders was: de eerste keer dat een continent in gezamenlijkheid als ambitie uitsprak om vrede te brengen in de wereld. Nooit eerder vertoond. Dat anker bestaat nog steeds. We hebben er alleen erg weinig mee gedaan, in de zin van het bouwen van ­instituties die daarbij horen om de daad bij het woord te voegen.

“De jaren negentig hadden wel degelijk een ziel, maar het is nooit gelukt om die in de maatschap­pelijke arrangementen terecht te laten komen. Het bleef vooral bij beleidsmatige, kosten-batenachtige constructies. Vragen als ‘wie zijn we?’ en ‘waar gaan we naartoe?’ werden niet beantwoord.”

Waarom niet?

“Normaal volgt na een oorlog een vredesverdrag, waarin ook morele zaken aan de orde komen. Na de ­Koude Oorlog was dat niet het geval. De urgentie om het over je normen en waarden te hebben is veel groter als je elkaar echt bij de strot hebt gehad.

“Nu kwamen er behalve het Verdrag van Maastricht geen nieuwe arrangementen. Het bipolaire schema, Oost tegen West, was opeens weg. Francis Fukuyama had het over het einde van de geschiedenis. Het westerse model werd dominant. One size fits all. Dat leidt tot lui denken, waarbij je jezelf niet kritisch bevraagt en ­alternatieven buiten beeld blijven.”

En de staat werd bij voorbaat een beetje ­verdacht.

“Rond de millenniumwisseling werkte ik als ­rijkstrainee op de ministeries van sociale zaken en ­werkgelegenheid en financiën. Daar werkte nog een klassiek soort ambtenaren, mensen voor wie ik ontzag opbouwde. En dat had ik op die leeftijd niet snel. Die ambtenaren kenden hun dossiers, konden die in historisch perspectief plaatsen, vertegenwoordigden een ­institutioneel geheugen en konden daardoor zaken ­relativeren, maar ook zaken in gang zetten.

“Gelijktijdig wonnen ook de consultancy­firma’s ­terrein. Je zag de kwaliteit van het werk verslechteren. Chaos nam toe. Ambte­naren met een opportunistische agenda, of een agenda die die aansloot op die van de minister van dat moment grepen hun kans.”

Kantelt het negatieve beeld van de jaren ­negentig?

“Ik heb de hoop dat de geest van de jaren negentig alsnog zijn effect op politiek en ­samenleving zal krijgen. Het zijn de jongere generaties die het actiefst ageren tegen de klimaatverandering, ­tegen brexit, tegen ver­kwanseling, tegen de teloorgang van democratie en rechtstaat. De generatie van de jaren negentig is de ­oudste van die veranderingsgezinde groep en staat op het punt de machtsposities over te nemen. Kijk hoe ­Zuzana Caputova, nu president van Slowakije en een ­generatiegenoot van mij, zich inspant in de ­nabijheid van landen waar naar autocratie neigende ­leiders van een andere generatie, zoals Kaczynski in Polen en Orban in Hongarije, het voor het zeggen hebben.

“Caputova wordt gedreven door haar jeugd in de ­jaren negentig. Toen de wereld openging, ook voor ­Oost-Europa. Toen er een voorbeeld was, waar je inspiratie uit kon putten en naartoe kon werken. Toen Vaclav Havel president was en begon te doen wat de West-Euro­peanen nalieten.”

Maar krijgen dat soort krachten het wel voor het zeggen?

“Ik denk dat die kans best reëel is. Ik ben wel ­bezorgd over wat er allemaal al kapot is gegaan. Het ­verloren vertrouwen in instituties, gezagsdragers, ­media, mensen met een andere achtergrond. Het is aan mijn ­generatie om dat te helpen herstellen en om te ­laten zien of we iets voorstellen of niet.”

Lees ook:

Als we onze vrijheid willen hebben moeten we grenzen stellen

In dit interview gaat hoogleraar Paul Scheffer in op ons morele ongemak om over grenzen te spreken.

Mei 1968: socioloog Jean-Pierre Le Goff kijkt terug op de kinderen van Marx en Coca-Cola

Mei ’68 was een catharsis die plotseling ruim baan gaf aan alle spanningen en hartstochten. Jean-Pierre Le Goff  heeft er inmiddels gemengde gevoelens over.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden