ColumnBert Keizer

Het huile­rige van de jonge arts verdwijnt vanzelf

Rond 1965 verslikten de Amerikanen zich op rampzalige wijze in Vietnam. Ze zouden daar het communisme gaan tegenhouden. Het middel bleek ongeveer duizend keer erger dan de kwaal. Wat ze aanrichtten was een onbeschrijflijke hoeveelheid ellende.

Robert McNamara (1916-2009) was toen lange tijd minister van defensie. In 1995 publiceerde hij zijn memoires met de alleszeggende titel ‘In retrospect’. Terugblikkend schreef de 79-jarige man over de Vietnamoorlog: ‘It was wrong, terribly wrong’. Makkelijk, denk ik dan. Beter nooit dan laat.

Je vindt dergelijke wijsheid achteraf ook vaak in oudere artsen. Want jonkies houden ervan om er flink tegenaan te gaan. Enkele jaren geleden was ik met een vriendin meegegaan naar de oncoloog. Ze leed aan een uitgezaaide kanker. Ze had vooralsnog weinig last, maar de situatie was hopeloos. De jonge oncoloog schrok. Van de jeugd van de patiënt en de ernst van het ziektebeeld, en stelde meteen een uitgebreide reeks behandelingen voor met zware chemo en bestralings­sessies en een mogelijk operatief ingrijpen. Het werd een strafexpeditie van grote omvang die vele maanden in beslag zou nemen. Ze moest een en ander nog wel even voorleggen aan haar baas, een oudere collega, een statige dame van even in de zestig. Die keek mijn vriendin eens rustig aan en vroeg haar: “Hebt u klachten?” “Eigenlijk niet”, was het antwoord. Waarop de arts zei: “Dan gaan we u ook geen klachten bezorgen. Als u dat aankunt, ga rustig naar huis, laten we zien hoe het zich ontwikkelt en kom meteen langs als er iets niet goed gaat.” Het verschil tussen oude en jonge artsen. Of tussen oude en jonge mensen, moet je misschien zeggen.

Anders in de wereld staan

In Trouw van 15 december trad een oudere arts naar voren, collega Wobbes. Hij hield een voordracht voor artsen in opleiding en vertelde daar het volgende: “Je kunt een diabetespatiënt beschrijven als iemand met een slechtwerkende alvleesklier, je kunt ook zeggen dat het ­lichaam, het hele zijn is aangetast en dat de patiënt daardoor heel anders in de wereld staat. Dat dubbele perspectief was nieuw voor die studenten. Ze wisten niet eens dat ze dat niet wisten en vroegen: waarom ­horen we daar zo weinig over?”

Dit lijkt mij karikaturaal. Daar moet toch wel een uitermate contactgestoord troepje mensachtige ijskasten in de zaal hebben gezeten. Nee, dat afweren van wat ziekte betekent in het persoonlijk leven van een patiënt komt pas tot volle bloei tijdens de opleiding tot specialist. Co-assistenten zijn vaak nog huilerig en maar al te zeer doordrongen van de ellende die een ziek mens moet zien te doorstaan. Dat huile­rige verdwijnt hoor, en er komt iets voor in de plaats dat niet per se ­onverschilligheid is.

Elke arts die het dokteren volhoudt, komt tot een oplossing die hem of haar in staat stelt zich zinvol op te stellen rond lijdende mensen. Wobbes haalt er een filosoof bij, Helmuth Plessner, om te voorkomen dat dokters te afstandelijk naar zieken kijken. Het lijkt mij overbodig. Je hoeft bepaald geen geestelijk trapezewerk te verrichten om te beseffen dat een mens meer is dan een biochemisch reactievat.

Geen auto, maar een mens

Eén kus, één blik, één streling, en je weet beter. En voor de dokter is één traan genoeg om te zien dat hij geen auto voor zich heeft, maar een mens. Overigens zijn er vele redenen waarom artsen zich vaak te afstandelijk opstellen. Een belangrijke reden is de kennis-is-machtfactor. Die geldt namelijk ook voor medische kennis. Maar het vraagstuk van de te weinig empathische arts is veel te ­ingewikkeld om in één column af te handelen. Ik schrijf vaak over voorbeelden van dergelijke artsenij, maar daarmee leg je de wortels nog niet bloot. Ik meen echter zeker te weten dat een filosoof hier niet tegen helpt. En wat dat terugblikken betreft: het is mij weleens opgevallen dat medische hoogleraren in hun afscheidscollege dingen zeggen over de zorg voor zieke mensen waarvoor je ze gekust zou hebben bij hun aantreden.

Ook Wobbes doet een terugblik en gelukkig bevestigt hij mijn hypothese. Zou hij nu een andere dokter zijn? “Voor de meeste patiënten niet. Maar sommigen … als je wat ouder wordt, word je beschouwender, bescheidener ook. Er kan veel, maar soms leidt het tot niets.”

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum Euthanasie. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden