null

20 jaar homohuwelijk

Het draait voor homo’s nog altijd om meer acceptatie

Beeld Martijn Gijsbertsen

Twintig jaar na de invoering lijkt het homohuwelijk wel zo’n beetje ingeburgerd, maar het maakt nog al uit waar je woont. En de trouwlust was het grootst in de eerste paar jaar.

Het was een vrolijke boel in de met roze en rode bloemblaadjes opgeluisterde raadzaal van het Amsterdamse stadhuis, 1 april 2001. De internationale media waren royaal uitgerukt voor deze wereldprimeur: drie mannen- en één vrouwenkoppel, acht keer ja. Viermaal de kus, acht bruiden en bruidegommen verguld dat na dat toch wat zakelijke geregistreerd partnerschap nu dan toch ook het burgerlijk huwelijk voor ‘personen van gelijk geslacht’ was opengesteld. Het waren de dagen dat Amsterdam zich graag profileerde als homohoofdstad van Europa, en dat universitair onderzoek nog simpelweg onder de vlag van homostudies plaatsvond.

De academische wereld is inmiddels vele stappen verder, met onderzoeksgroepen en leerstoelen die zich zijn gaan focussen op gender. Homo-emancipatie heeft moeten plaatsmaken voor lhbt-vraagstukken, onder kenners gaat het inmiddels over lgbtqiap-issues – googelt u dat zelf maar even.

Waarmee zo’n rechttoe-rechtaan homohuwelijk inmiddels weinig meer weg heeft van het emancipatoire spektakelstuk dat het twintig jaar geleden nog was. Maar is dat ook werkelijk zo, is het inmiddels wel zo’n beetje ingeburgerd?

Het blijkt nogal wat uit te maken waar je woont, afgaand op de CBS-cijfers – die overigens alleen over de grote steden en gemeenten met meer dan 100.000 inwoners beschikbaar zijn. Voor de kleinere gemeenten is er alleen een verzamelgetal: van alle huwelijkssluitingen daar tussen 2010 en 2018 was 1,6 procent een homohuwelijk.

Amsterdam springt daar een flink stuk bovenuit met 4,5 procent, waarbij – heel opvallend en tegen de landelijke trend in – de mannenstellen ver in de meerderheid zijn. Hekkensluiter bij de grote gemeenten is Ede met slechts 1 procent homohuwelijken. Afgaand op het geschatte aantal homoseksuelen in de bevolking – vier procent, zeven, misschien wel meer? – is Amsterdam de enige stad waar er een niet al te grote kloof gaapt tussen homo’s en hetero’s, wat betreft trouwlustigheid.

Ingezakt na een vliegende start in 2001

Is de rest van het land dan bezig met een inhaalslag? Niet echt. Na een vliegende start in 2001 daalde het aantal homohuwelijken al vrij snel naar pakweg 1150 tot 1350 per jaar.

Daaruit zou je van alles kunnen afleiden. Zoals misschien wel dat sommigen hun kans grepen zodra het kon, maar dat andere homomannen en -vrouwen helemaal niet zo op dat boterbriefje zaten te wachten.

Willemien Ruygrok bijvoorbeeld, prominent COC-lid in de jaren tachtig en vroege jaren negentig, was er niet bij, twintig jaar geleden in het Amsterdamse stadhuis. Volgens haar viel er niets te vieren. En dat terwijl de rode draad in haar loopbaan toch het strijden voor gelijke behandeling is, in Nederland en Europa. Was dat nou net niet het hele punt bij de jarenlange strijd voor het homohuwelijk: gelijke rechten?

“Ik zei destijds: wil je nu echt recht hebben op een slecht contract?”, pareert Ruyg­rok. “Ik zat er helemaal niet op te wachten. Een huwelijk is een contract dat je afsluit als je van elkaar houdt. Maar in één op de drie gevallen loopt het stuk. En veel mensen realiseren zich totaal niet dat de overheid een grote vinger in de pap heeft. Die kan, om maar wat te noemen, tussentijds de duur van de alimentatie wijzigen. Zelfs als je vooraf afspreekt dat je geen alimentatieverplichtingen wil tegenover elkaar, kun je daar toch opeens aan vastzitten als je ex in de bijstand komt.”

null Beeld Sander Soewargana
Beeld Sander Soewargana

Ruygrok stond destijds niet alleen in haar verzet. Zeker binnen de vrouwenvleugel van het in die dagen vrij radicale COC was er weinig enthousiasme voor het homohuwelijk. “Mijn inzet was om partners minder afhankelijk van elkaar te maken en wet- en regelgeving zoveel mogelijk te individualiseren”, zegt Ruygrok.

Het was maar een beperkte groep homoseksuelen die zich hardmaakte voor het huwelijk, beaamt Marian van der Klein. Zij is onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut, voor maatschappelijke vraagstukken, met in haar portefeuille onder meer lhbt-vraagstukken.

Van der Klein: “Veel homoseksuelen in de jaren zeventig vonden het burgerlijk, zo’n belofte om tot het einde der tijden bij elkaar te blijven. Ze willen zelf hun relaties en identiteit vormgeven. Veel mannen vonden vrije seks belangrijk. Vrouwen ook trouwens. Die groep zei juist: we gaan het huwelijk afbreken!”

In het bejaardenhuis kamer en bed delen, was er niet bij

Daar tegenover stonden de mensen die juist een einde wilden maken aan misstanden in wet- en regelgeving, op het gebied van (nabestaanden)pensioenen bijvoorbeeld. Of het treurige gegeven dat stellen die een leven lang bij elkaar waren, in het bejaardenhuis niet een kamer en bed konden delen.

De Gay Krant, onder leiding van Henk Krol, was in die dagen best activistisch en onverbloemd voor het homohuwelijk. En het COC? Ruygrok: “Er kwamen congressen, er vielen besluiten, en uiteindelijk gingen we om. Zo gaat dat.”

Dat juist Nederland de primeur had met het homohuwelijk, lijkt niet toevallig. In de jaren tachtig en negentig waren ‘we’ in de 37 Oeso-landen onbetwist koploper op het gebied van homo-acceptatie, met rapportcijfer 6,9 op een schaal van 1 tot 10. Tussen 2001 en 2014 nam dit verder toe naar een 7,6: goed voor een derde plek, na IJsland en Zweden. In veel andere landen groeide de acceptatie in die veertig jaar even­eens, waarbij juist de stevige groeiers na Nederland ook het homohuwelijk invoerden.

Dat zal niet helemaal toevallig zijn, maar je kunt er ook de eeuwige kip-en-ei-vraag bij stellen. Een toleranter land zal ongetwijfeld eerder het homohuwelijk invoeren. Maar leidt dat huwelijk als zodanig ook weer tot meer tolerantie? En hoe meet je dat dan?

In een Zweeds-Deense studie werd zo’n verband rechtstreeks gelegd. De onderzoekers van een Deens instituut voor zelfmoordpreventie en de Universiteit van Stockholm maakten er zelfs een drietrapsraket van: het homohuwelijk leidde in beide landen tot meer acceptatie; en door die groeiende acceptatie gingen homoseksuelen zich prettiger voelen.

null Beeld Martijn Gijsbertsen
Beeld Martijn Gijsbertsen

Zij leidden dat af uit suïcidecijfers die ze verzamelden over de periode 1989-2016 van mensen die een huwelijk of geregistreerd partnerschap aangingen. In beide groepen daalde het aantal zelfdodingen in die jaren, maar onder homoseksuelen een stuk meer dan onder hetero’s. Het blijft een beetje speculatief, geven de onderzoekers toe, maar ze vinden de invoering van het homohuwelijk de meest logische verklaring hiervoor.

Financieel zijn het vooral de mannenkoppels die er wel bij varen

Het huwelijk is dus vermoedelijk goed voor het gemoed. Financieel zijn het vooral de mannenkoppels die er wel bij varen, concludeerde het CBS in 2019. Daarbij ging het om stellen die na 2001 trouwden of een geregistreerd partnerschap aangingen. De mannen hebben een gezamenlijk bruto inkomen van bijna 108.000 euro per jaar. Vrouwen- en heterostellen zitten daar ruim 15.000 euro ­onder.

Bij de echtscheidingen – ook bij homo- en lesbostellen is het echtelijke geluk niet altijd eeuwigdurend – zijn het juist de vrouwen die eruit springen: in 2019 gingen ruim 300 vrouwenkoppels uit elkaar, tegen ruim 130 mannenkoppels.

Ruygrok en Van der Klein willen er best even vrolijk op los speculeren hoe dat komt: mannen doen niet al te ingewikkeld, over promiscuïteit bijvoorbeeld, terwijl dat bij vrouwen onderling nog weleens voor een vertrouwensbreuk wil zorgen. “Je moeten het niet wagen om naar iemand anders te kijken!”, roept Ruygrok. “En bij vrouwenstellen moet er altijd zoveel gepráát worden.”

Zouden de geharnaste tegenstanders van het homohuwelijk in de jaren zeventig en tachtig inmiddels allemaal keurig getrouwd zijn (geweest)? “Ik denk het niet”, lacht Van der Klein. “Die willen niet dood worden gevonden in het huwelijk.” Jongeren daarentegen vinden het volgens haar juist belangrijk om te trouwen. “Met toeters en bellen. Het is een moment dat echt draait om erkenning en acceptatie, ook de ouders: een openbaar moment om te zeggen dat deze liefde er mag zijn. Dat moet kennelijk nog steeds opnieuw en opnieuw gebeuren, in elke volgende generatie.”

Jongeren van nu, zegt ze, vinden het eigenlijk heel belangrijk wat anderen vinden –zie de almaar uitdijende lhbt-letterreeks. “Ze hebben een gevoeligheid voor labels die mijn generatie minder had. Als de bakker mij vroeger aanzag voor een jongen was dat zijn probleem. Nu steekt zoiets mensen persoonlijk.”

Het verlangen naar acceptatie, naar het gevoel erbij te horen, maakt het homohuwelijk volgens haar onverminderd relevant. En er valt op dat punt nog wel wat te winnen, blijkt ook uit de trendrapporten die het Sociaal en Cultureel Planbureau hierover publiceert. Traditioneel is de acceptatie groter bij vrouwen, hoger opgeleiden, stadsbewoners en niet-religieuzen; maar de positieve trend is steevast opwaarts, over de hele linie.

null Beeld Sander Soewargana
Beeld Sander Soewargana

Die constatering wringt wel met het veiligheidsgevoel en maatschappelijk debat over homogerelateerd geweld, juist de laatste jaren. En acceptatie in zijn algemeenheid is toch weer wat anders dan of je het een fijn gezicht vindt als mannen elkaar op straat zoenen. Liever niet doen, zeggen drie op de tien Nederlanders daarover.

Jongeren leggen zich liever niet vast op hun seksualiteit

Angst voor nog altijd sluimerende intolerantie verklaart waarom de tieners van nu zich liever bi dan homo noemen, denkt Van der Klein. “Er is een beweging gaande dat jongeren zich liever niet precies vastleggen. Ik snap dat wel.” Daarom ligt een van de belangrijkste lhbt-vraagstukken wat haar betreft momenteel op een ogenschijnlijk heel ander vlak: het ontbreken van betaalbare woonruimte. “Dat zorgt ervoor dat deze jongeren het ouderlijk huis maar niet uitkomen. Terwijl het voor hen zo belangrijk is om een tijdje vrijelijk te kunnen experimenteren.”

Ze heeft in haar leven veel zien veranderen, zegt Ruygrok, ook al in de jaren voor het homohuwelijk. Zoals het schrappen van ar­tikel 248bis in het Wetboek van Strafrecht in 1971. Tot dan toe was seksueel contact tussen meerder- en minderjarigen van gelijk geslacht verboden, en meerderjarig werd je destijds op je 21ste. Voor heteroseksuele ­contacten was de minimumleeftijd ook toen al 16 jaar. “Toen ik zelf op mijn 18de een vriendin van 21 kreeg, was die strafbaar.”

Sommige vooroordelen zijn volgens haar moeilijk helemaal uit te roeien: “Dat homoseksualiteit een ziekte is, dat je er niet gelukkig mee kan worden. We zijn er nog lang niet.”

Maar twee decennia na invoering van het homohuwelijk is Ruygrok nog geen millimeter opgeschoven in haar opvattingen daarover. Al vindt ook zij afschaffing van het burgerlijk huwelijk niet realistisch.

“Het hele idee van extended family kennen we in Nederland niet, we zijn allemaal monogaam – formeel dan. En de makkelijkste manier om allerlei dingen te regelen – de erfenis, je pensioen, volwaardig gedeeld juridisch ouderschap – is toch het huwelijk, dus je wordt vaak min of meer gedwongen om te trouwen. Maar als het misgaat zit je met de gebakken peren.” Net als gescheiden hetero’s, ja.

“Daar hadden we van moeten leren.”

Reacties (max. 150 woorden) zijn welkom via tijdgeestreacties@trouw.nl. Graag naam en woonplaats vermelden.

Lees ook:

Meer verbonden dan ooit tevoren

Lang dacht essayist Stephan Sanders dat ‘de homo’ bedoeld is als buitenstaander, als rebel. Niet geschikt als belastingaccountant, en al helemaal niet voor het huwelijk. Tot hij zelf de man ontmoette met wie hij wilde trouwen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden