Alex Blanchard: ‘Ik zal niet zeggen dat ik nu gelukkiger ben dan toen ik nog zo rijk was, maar het streven naar meer is wel verdwenen.’

Tien gebodenAlex Blanchard

‘God heeft er niks mee te maken. Waarom niet? Omdat ie niet bestaat.’

Alex Blanchard: ‘Ik zal niet zeggen dat ik nu gelukkiger ben dan toen ik nog zo rijk was, maar het streven naar meer is wel verdwenen.’Beeld Mark Kohn

Over het bestaan van God, de kus van Muhammad Ali, Sinterklaas, gestolen spiegels, geestelijke beschadiging, adrenaline, een stukje intimiteit, Cor van Hout, prostituees, een autobiografie en het verdriet dat hij zijn kinderen niet aan wil doen: een gesprek in tien rondes met voormalig prof bokser Alex Blanchard (63).

Arjan Visser

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Vroeger – ik zeg het je heel eerlijk, ga ik helemaal niet stoer over lopen doen – heb ik een tijdje vóór elke wedstrijd tot God gebeden: o God, laat me winnen, ik heb zo mijn best gedaan, God… een hele riedel. En wat denk je? Ik won. Dus de volgende wedstrijd bad ik weer. Zelfde resultaat.

Maar de zesde keer verloor ik. En de zevende ook. Toen ben ik er maar vanaf gestapt. God bestaat natuurlijk alleen maar in je hoofd, God is iets wat je gebruikt om dingen voor elkaar te krijgen. Daar kom je, als je ouder wordt, vanzelf wel achter. Als kind geloof je ook dat Sinterklaas bestaat. De Goedheiligman, jaja, tuurlijk, tot je ergens in een boekie leest dat het gewoon een of andere kruidendokter in Turkije is geweest.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Heb je m’n autobiografie gelezen? Oké, dan weet je dus dat er wel een paar dingetjes zijn gebeurd in mijn jeugd – gaan we het zo nog over hebben – maar wat ik je nu alvast kan vertellen is dat mijn twee zusters er helemaal aan onderdoor zijn gegaan. De oudste ging aan de heroïne, de tweede werd een alcoholist. Ik had als crimineel kunnen eindigen, maar het boksen heeft me van de straat gehaald.

Alex Blanchard (Amsterdam, 1958) begon zijn profloopbaan in 1979. Hij zou 48 profpartijen boksen, waarvan hij er veertig won en vier verloor. Hij werd zes keer Europees kampioen. Sinds vijftien jaar is hij personal bokstrainer. Op 11 november verscheen Blanchards autobiografie Vechter bij Uitgeverij De Kring.

Het begon toen ik Cassius Clay op de televisie zag. Dat aura. Die spotlights! Fantastisch knappe man ook. Ik had al op voetbal gezeten, maar het duurde me veel te lang voordat ik de bal kreeg en voor judo was ik niet compact genoeg, maar boksen… Toen ik die eerste keer de boksschool binnenstapte, het zweet rook en al die mannen zag sparren, was ik meteen verkocht. Dát was het. En ik wou zijn zoals mijn idool, Cassius Clay. Ik schreef hem een brief, vroeg of ik een keer bij een training mocht komen kijken en zei dat we hetzelfde sterrenbeeld hadden: stonegoat. Ja, Capricorn, dat weet ik inmiddels, maar ik vond het toen wel logisch klinken: steen en bok.

Ik bleek goed te kunnen boksen en ging steeds meer partijen winnen. Toen Cassius Clay zijn naam veranderde in Muhammad Ali, ging ik mezelf voortaan Ali Blanchard noemen. En net als Ali, de boksende poëet, begon ik van die versjes op te zeggen, maar goed, dat werkt hier niet. Nederlanders zijn boeren. Die zijn van: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. En ik had het in feite ook niet nodig. Ik ging van de amateurs naar de profs en werd in 1984 voor de eerste keer Europees kampioen in het halfzwaargewicht.

Op 18 september van dat jaar moest ik in Dortmund mijn titel verdedigen. Ik stond in de ring te wachten toen het ineens donker werd, de spotlights aangingen, een grote stoet met veel kabaal de zaal inliep en de speaker Muhammad Ali aankondigde. Mijn held! Hij kwam steeds dichterbij, stapte de ring in, kuste mijn bokshandschoen en zei: ‘Get him, young boy!’ Daar stond ik dan: het jongetje dat dertien, veertien jaar in een weeshuis was weggestopt, nare shit meegemaakt en nooit een knuffel had gehad. Ik won. En Muhammad Ali, The Greatest, de man met wie het allemaal was begonnen, heeft het gezien.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Ik heb je toch net mijn filosofie uitgelegd? God helpt je niet en God laat je ook niet door het ijs zakken. Je kunt bidden wat je wilt, je kan vloeken wat je wilt, maar wat er ook gebeurt: God heeft er niks mee te maken. Waarom niet? Omdat ie niet bestaat.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“De enige kerk die ik twee keer van binnen heb gezien is ‘Kwartiertje voor God’ (‘De Papegaai’, officieel de H. H. Petrus en Pauluskerk, Kalverstraat 58 in Amsterdam, AV). De eerste keer zag ik daar een spiegel hangen, met zo’n brede, versierde lijst, en ik dacht: die zou mooi staan in mijn eigen huis. Dus, hup, ik haalde dat ding van de muur, klemde ’m onder m’n arm en ben er zo mee naar buiten gelopen. Zes of zeven jaar later, toen ik helemaal naar de Filistijnen was gegaan en er eindelijk weer een beetje bovenop begon te komen, kwam ik tot het besef dat die spiegel me bepaald geen geluk had gebracht. Toen heb ik hem in een paar plastic zakken verpakt en weer netjes in de hal van dat kerkje achtergelaten.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn vader werd op z’n achttiende gelokt om militair te worden, heeft in drie oorlogen gevochten – God weet hoeveel mensen ’ie heeft neergeknald – en kwam, geestelijk totaal beschadigd, begin jaren vijftig als één van de eerste Surinamers naar Amsterdam. Mooie man, grote man, 1,95 lang, honderd kilo zwaar, jaartje of vijfentwintig. Hij ging uit op de Zeedijk, dat was in die jaren the place to be. Op een dag verscheen daar ook mijn moeder. Achttien, negentien jaar oud, hooguit 1,60 lang, confectiemaatje 34/36. Ze was op jonge leeftijd door haar moeder in de steek gelaten en voor haar grijpgrage vader uit Groningen weggevlucht.

Deze twee mensen zagen elkaar staan en het was meteen, bam, vuurwerk. Zonder te weten dat ze eigenlijk helemaal geen raakvlakken hadden – alleen dat vleselijke – maakten ze drie kinderen. Binnen een paar jaar brak de pleuris al uit. Mijn vader mishandelde mijn moeder elke dag; die herrie was zó gewoon dat de buren er niet eens meer op reageerden. Toen ik twee jaar oud was, is mijn moeder er in doodsangst vandoor gegaan.

Mijn vader wist zich met drie kleine kinderen geen raad en heeft ons in twee verschillende weeshuizen gestopt. Hij zou ons ophalen zodra het kon. Dat was negen jaar later. Ik heb toen een half jaar bij hem gewoond. Dit keer richtte hij z’n woede op zijn kinderen. Na een opmerking die hij kennelijk te brutaal had gevonden sloeg hij een pot pindakaas op mijn kop kapot en ik heb ook een keer gezien hoe hij mijn zuster bedreigde met een hakbijl; ze moest iets naars over haar moeder zeggen anders beloofde hij op haar in te hakken. Een half jaar later zaten we weer veilig in het weeshuis.

Op mijn vijftiende ben ik bij mijn moeder gaan wonen. Ik was inmiddels losgeslagen, deed waar ik zin in had, en mijn moeder had geen greintje verantwoordelijkheidsbesef. Ik hield zielsveel van haar, maar ik vond het heerlijk om uiteindelijk op mezelf te kunnen gaan wonen. Zij bleef altijd in de buurt, maar mijn vader had ik al in geen jaren meer gezien toen ik op een dag, ergens in ’82, ineens dat koppie van hem in de supermarkt herkende. Ik zei: ‘Hé pa, vind je het goed als ik een keertje bij je langskom?’ Ik wilde hem vooral laten zien hoe goed het met me ging, wat ik allemaal zonder zijn hulp had bereikt. Ik had een mooi huis op het Minervaplein, hij bleek iets kleins bij mij om de hoek te huren. Hij had een Fiatje terwijl ik in een dikke Mercedes rondreed.

Het contact werd min of meer hersteld toen hij aanbood de lunchroom in de Vijzelstraat die ik net had gekocht voor mij te verbouwen. En later was ’ie ook nog eens bereid om af en toe op mijn kinderen te passen. Toch bleef ik rondlopen met die woede over alles wat hij ons had aangedaan en op een dag heb ik hem daarmee geconfronteerd. Hij kon het zich allemaal niet herinneren, waardoor ik nóg kwader werd. Ik zei dat ik hem zo in elkaar zou kunnen rammen, precies zoals hij mijn moeder in elkaar had getrapt, omdat de verhoudingen nu net zo oneerlijk waren als toen. Kon je wel, tegen zo’n klein vrouwtje? Of tegen een jochie van elf? Ik heb hem laten gaan, niks gedaan, omdat ik uiteindelijk wel wist dat die man zelf ook geen makkelijk leven had gehad.

Ik moest huilen toen hij in 2004 kwam te overlijden, maar zijn foto ligt ergens in een doos, terwijl die van mijn moeder een mooi plekje op het dressoir heeft gekregen. Ze is op Eerste Paasdag 2012 gestorven. Ze betekende alles voor mij. Ik weet nog dat vriendinnen wel eens tegen me zeiden: waarom ben je niet gewoon met háár getrouwd? Ik denk dat ik, onbewust, de tijd probeerde in te halen, omdat ik haar als kind zo had gemist.”

null Beeld Mark Kohn
Beeld Mark Kohn

VI Gij zult niet doodslaan

“Nu zie je mij van m’n welwillende kant maar als wij de ring in stappen, ga je d’r aan. Dan komt de adrenaline in mij naar boven en zal ik proberen om je zo snel mogelijk met een linkse of rechtse directe op je kaak te raken. En dan moet je niet denken dat ik daarna ‘O, sorry, gaat het?’ ga zeggen. Nee. Bam! Volgende klap! Zo gaat dat. Je pakt elkaar aan, je slaat elkaar neer en na afloop is het: even goede vrienden. Ik weet dat ik in staat ben om iemand dood te slaan, ik maar ik kan me heel goed beheersen. De meeste vechtsporters zijn geen agressieve mensen.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Ik heb ontzettend veel meiden pijn gedaan. Door vreemd te gaan, door niet te communiceren. Ik was een ongeleid projectiel op zoek naar liefde en erkenning, maar hield totaal geen rekening met de gevoelens van andere mensen. Inmiddels weet ik wel wat vrouwen willen: een stukje intimiteit, een beetje gezelligheid. Ik heb nu bijna twee jaar een weekendrelatie en we hebben in al die tijd nog niet één keer ruzie gehad. Dus, ik kán het wel. Moet je luisteren, een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken, ik ben nog steeds geen heilige, maar jagen zoals ik dat vroeger deed? Nee, die tijd is echt voorbij. Er is nu veel meer rust in mijn leven. Ik ben 63 – vader van drie kinderen, opa van drie kleinkinderen – en ik kom niets tekort.”

VIII Gij zult niet stelen

“Die eerste hoofdstukken van mijn leven, dat is gewoon een Ciske de Rat-verhaal. Ik heb veel gestolen: melkgeld, sigaretten, noem maar op, maar toen ik eens met een knuppel in mijn hand klaarstond om mensen te beroven, ben ik tot inkeer gekomen: dat niet. Zoiets zou ik nooit doen. Zit gewoon niet in me. Ik ben heel wat criminelen tegengekomen, maar ik heb altijd respect gehad voor de boeven die er toch bepaalde normen en waarden op nahielden. Mannen zoals Cor van Hout. Dat had ’ie toch knap bedacht, die ontvoering van Freddy Heineken? Netjes aan de ketting gelegd – oké, tikkie middeleeuws misschien – maar toch: hij heeft Heineken met geen vinger aangeraakt.

Willem Holleeder, dat is een ander verhaal, maar Cor was gewoon een lieve man met een warm hart. Klaas Bruinsma, die drugshandelaar, heb ik ook goed gekend. Bruinsma heeft me vijftien jaar lang gesponsord, super integer mens, fijne vent – zo lang je geen onenigheid met hem had. En dan kan ik je nog wat vertellen over Kai, de man die me op een dag vroeg om hem zeventig ruggen te lenen. ‘Dan krijg je er binnen drie maanden driehonderd van me terug’. Zo ging het precies. Toen werd ik hebberig en zei: ‘Wat nou als ik het geld in de pot laat staan?’ ‘Dan heb je over een maand of vier een miljoen piek op je rekening staan’, zei Kai. Oké, doen we. Maar wat er ook gebeurde: dat geld kwam nooit, terwijl ik wel bezoek kreeg van mensen die nog iets van mij te goed hadden. Afijn, lees het allemaal maar in mijn boek. Waar het in feite op neerkomt is dit: arm geboren boksers eindigen altijd in de goot.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Alles wat in Vechter staat is waar gebeurd, maar ik heb wel dingetjes weggelaten omdat mijn kinderen me kennen als een lieve, fatsoenlijke vader en ik voor mijn kleinkinderen vooral een grappige opa ben. Ze hoeven niet álles te weten. Toch moest ik ook een paar van die Sodom en Gommora-verhalen vertellen, bijvoorbeeld over die keer dat ik een XTC-pilletje onder mijn duimnagel stopte en die toen zo bij een hoer in haar kont… ja, oké, dat vond mijn dochter dus óók te ver gaan, maar ik heb haar uitgelegd dat het veertig jaar geleden is gebeurd en dat de omstandigheden ook anders waren. Bovendien had die meid net een maat van me voor achthonderd gulden opgelicht! Maar goed. Ik begrijp het. Het is zeker niet altijd even fraai wat er staat, maar dat is wel een deel van mij geweest en ik heb geen zin om erover te liegen.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Onze planeet zal aan hebzucht ten onder gaan, we willen alleen maar meer, meer, meer en straks is alles op. Ik ben óók hebzuchtig geweest. Als kind wilde ik boven de wolken komen anders was ik ook nooit Europees kampioen geworden. Topsporters zijn narcisten. Topsporters zijn egoïsten. Het is: me, myself and I. Tot je valt, opkrabbelt en ziet hoe de werkelijkheid is.

Niet dat ik ergens spijt van heb. Ik zal niet zeggen dat ik nu gelukkiger ben dan toen ik nog zo rijk was, maar het streven naar meer is wel verdwenen. Het is goed zo. Als jij de dood bent en me nu komt halen, zal ik zeggen: oké, kennelijk is het mijn tijd, ik kom zo, laat me alleen nog even afscheid van mijn kinderen nemen. Zodat ze begrijpen dat ik mee moest van jou; dat ik nooit van plan was om hen in de steek te laten. Zo, word ik toch nog emotioneel op m’n oude dag. Vroeger wist ik niet eens hoe je dat woord moest spellen.

Zijn we klaar? Ja toch?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden