Tien GebodenGeorge Baker

George Baker: ‘Ik ben gewoon een 75-jarige geluksvogel’

‘De eerste keer op het podium wist ik: dit is mijn plek, hier ben ik geen dubbeltje, maar kan ik een kwartje zijn’Beeld Mark Kohn

Hans Bouwens (Hoorn, 1944), beter bekend als George Baker, is popmuzikant. Met zijn band The George Baker Selection scoorde hij diverse hits zoals ‘Little Green Bag’ (1969) en ‘Una Paloma Blanca’ (1975). Eind vorig jaar werd ter gelegenheid van het feit dat Baker vijftig jaar in het vak zit het album ‘3 Chords and the Devil’ uitgebracht.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Ik woonde in de Gravenstraat in Hoorn, samen met mijn moeder, mijn opa en oma en een oom die niet helemaal oké was in zijn hoofd. Mijn oma was een vurige socialist, maar ook een gelovige en zij stuurde me, zo van: ‘baat het niet dan schaadt het niet’, op een gegeven moment naar de zondagsschool. Ik heb er dus wel iets van meegekregen, maar ik ben nooit in één specifieke theorie gaan geloven. Voor mij bewijst de prachtige natuur alleen al dat er meer is tussen hemel en aarde. En de gedachte dat mijn opa en oma nog ergens zijn geeft me ook wel troost. Zij waren de belangrijkste mensen in mijn leven. Ik heb nog een oude foto van die twee, achter een tuinhekje. Als ik aan hen denk, stel ik me voor dat ze daar nu, in de hemel, achter zo’n hekje op me staan te wachten. Prachtig als het echt zo blijkt te zijn, maar als er niks is, heb ik daar ook geen last meer van want dan ben ik dus gewoon dood.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Een paar honderd meter van de plek waar ik geboren ben staat het beeld van Jan Pieterszoon Coen (1587-1629, gouverneur-generaal van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, AV). Op school zei de meester dat die man een held was geweest. Dat hij ook de halve bevolking van Java had uitgemoord werd er niet bij verteld. Ik snap heel goed waarom mensen dat beeld nu willen neerhalen, maar dat geldt wat mij betreft eigenlijk voor alle standbeelden. Wat is een standbeeld? Een blok beton of een stuk brons waar de duiven op schijten. Van mij mag dat beeld van Coen wel weg uit Hoorn. Dat wil niet zeggen dat ik me nu ook persoonlijk schuldig zou moeten voelen voor wat vorige generaties allemaal hebben uitgespookt. Op dat gebied schieten sommige demonstranten wel een beetje door, bijvoorbeeld ook in die Zwarte Piet-discussie. Ten eerste heeft die hele Zwarte Piet – een Moor – helemaal niks met het zwarte volk te maken en ten tweede ben ik voor de vrije keuze: als jij liever een groene of een paarse Piet wil, vind ik dat prima. Geel, blauw, wit of oranje: alles mag. Maar dan ook zwart.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Als ik op mijn duim sla, komt er waarschijnlijk een knetterende vloek uit – dat is een automatisme – maar ik zal me nooit beledigend over het geloof van een ander uitlaten. Je mag denken wat je wil, maar je mag niet zomaar allerlei kwetsende dingen gaan roepen. Hoofddoeken ‘kopvodden’ noemen bijvoorbeeld, of de islam belachelijk maken: dat doe je niet. Tegelijkertijd vind ik dat Geert Wilders in een toespraak best de vraag mag stellen of we meer of minder Marokkanen willen in dit land. Als je kijkt naar programma’s zoals ‘Opsporing Verzocht’, dan zie je dat het grootste percentage verdachten van Marokkaanse afkomst is. Dát wilde hij benoemen. En als je het met zo’n uitspraak oneens bent en Geert Wilders een ontzettende klootzak vindt, moet je dat dus óók kunnen zeggen. Dat kan in een democratie. Begrijp je? Daar kunnen we het over hebben. We zijn tenslotte allemaal zwoegers; iedereen probeert er het beste van te maken. Helaas worden op social media tegenwoordig de overeenkomsten genegeerd en de verschillen uitvergroot. Twitter is een riool waar iedereen die in het echte leven niks te vertellen heeft z’n bagger kan spuien, een uitlaatklep voor mensen die vanwege corona niet naar een voetbalstadion kunnen om daar ‘Hi ha hondenlul!’ te schreeuwen.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“De sabbatsrust, wie houdt zich daar nog aan? Jij? Gefeliciteerd. Ik niet. Nee zeg, daar moet je bij een muzikant echt niet mee aankomen. Tot rust komen, een beetje bezinnen; dat hoeft niet per se op zondag te gebeuren. Ik moet je wel eerlijk zeggen dat ik op een zeker moment in mijn carrière te lang ben doorgegaan. Eind jaren zeventig voelde ik me helemaal uitgeknepen, ik was in principe een soort one-man-band geworden, stond op tv te playbacken en vroeg me alleen nog af of m’n haar nog goed zat: ik had totaal geen voldoening meer in mijn werk, raakte gedeprimeerd, wilde weg uit die sleur en verhuisde met m’n gezin naar de Spaanse Costa del Sol. Het werd een sabbatical van vijf jaar. In die periode besloot ik ­alles anders te gaan doen. Ik wilde muziek blijven maken, maar in mijn eigen tempo. Aan het huwelijk met Tiny was een einde gekomen, ik leerde later mijn huidige vrouw kennen en wist: ik zal me nooit meer voor honderd procent storten op de muziekbusiness, wel meer tijd gaan besteden aan mijn gezin en aan mezelf. Zo heb ik mijn leven uiteindelijk gebeterd. Ik doe al jaren wat ik het liefst doe, niemand pusht me en ik voel me gezond. Ik ben een 75-jarige ­geluksvogel. Zo is het, gewoon.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn moeder werd verliefd op een Italiaanse soldaat die in Hoorn als krijgs­gevangene door de Duitsers te werk was gesteld. Zijn naam was Peppino ­Caruso. Ze heeft jarenlang een fotootje van hem bewaard. Volgens mij stond zijn adres op de achterkant... geen idee waar het ding is gebleven. Ik heb mensen gesproken die Peppino in Hoorn hebben zien rondlopen; ze zeiden dat ik sprekend op hem leek. In april 1944 raakte mijn moeder in verwachting. Peppino was inmiddels overgebracht naar Grosthuizen, een paar kilometer buiten Hoorn. Ze liep er twee keer per week naartoe. Soms voor niets, omdat hij weer eens iets had gedaan wat niet mocht en in de bunker was opgesloten. Op een dag, in september 1944 – ze was inmiddels zeven maanden zwanger – ontdekte ze dat de Duitsers en hun krijgsgevangenen vertrokken waren. Het eerste wat ze te horen kreeg, was dat mijn vader had geprobeerd te ontsnappen en dat hij op de vlucht was doodgeschoten. Aan dat verhaal heeft ze zich altijd vastgehouden, ook toen ik vele jaren later – tijdens een tournee met de band in Italië – nog op zoek ben gegaan naar Peppino Caruso. Want: wie weet was hij wél ontsnapt en naar zijn vaderland teruggekeerd. Kranten hadden mijn verhaal gepubliceerd, ik kreeg honderden brieven doorgestuurd. Er bleken duizenden Caruso’s in Italië te wonen; ik besloot na een tijdje die hele zaak te laten rusten en gewoon mijn moeder te geloven. Mijn vader is doodgeschoten toen hij voor de Duitsers op de vlucht sloeg en daarna ergens in een anoniem graf begraven. Mijn opa nam de vaderrol op zich. Toen hij op mijn vijfde overleed, nam mijn oma in zekere zin het stokje over. Zeven jaar later was zij ook dood. Mijn moeder trouwde met Jaap Snijder, haar achterneef. Het was, achteraf gezien, helemaal niet zo’n slechte man, maar hij was wel erg dom omdat hij dacht dat hij gewoon zo’n gezin kon binnenstappen en een jongen van twaalf zijn wil kon opleggen. We hadden de hele tijd ruzie. En ik denk dat mijn moeder ook niet erg gelukkig met hem was. Ze had maar één grote liefde en dat was haar Italiaantje, Peppino. Mijn moeder was een lieve vrouw, maar ze liet nooit het achterste van haar tong zien. Gewoon, omdat het haar te veel verdriet deed, denk ik. Ik zie haar als een vrouw die nooit heeft gekregen wat ze wilde. Als we zo over haar praten, word ik meteen verdrietig. Dit verdiende ze niet. Ik had haar een beter, mooier leven gegund.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Laat ik het simpel stellen: als jij me nu een klap geeft, krijg je er twee terug. Als je aan m’n kinderen komt, ga je eraan. Zo’n Michael P., die in 2017 Anne Faber verkrachtte en vermoordde, had ter dood gebracht moeten worden. De doodstraf zal dit soort gruwelijke dingen niet kunnen voorkomen, da’s waar, maar nabestaanden hebben recht op vergelding. Oog om oog, tand om tand. Dat staat óók in de Bijbel.”

‘George Baker is een soort fictieve figuur, een rol die ik speel. Ik ben gewoon Hans Bouwens.’Beeld ANP

VII Gij zult niet echtbreken

“Prachtig gebod, maar dan had de Here ons monogaam moeten maken. Het lukte me niet tijdens mijn eerste huwelijk, met Tiny. We waren jong toen we elkaar leerden kennen – ik was negentien toen ik voor de eerste keer vader werd – en later, toen ik met de George Baker Selection vaak wel twee maanden on the road was... tja. Ik denk dat zij in die tijd óók weleens met een ander naar bed is geweest – daar spraken we gewoon niet over. Na 22 jaar huwelijk waren we, langzaam maar zeker, uit ­elkaar gegroeid en besloten we te gaan scheiden. Niet lang daarna kwam ik Blanche tegen met wie ik in 1988 ben getrouwd. Dat was ná Spanje, de plek waar ik mezelf opnieuw had uitgevonden. Dit keer ben ik willens en wetens met die onzin gestopt en inmiddels ben ik van een leeftijd dat overspel al helemaal geen rol meer speelt natuurlijk. Dus. Het is goed zo. En alles klopt. Ik ben ervan overtuigd dat je levenspad in feite al is uitgestippeld; zelfs het ­moment waarop je doodgaat ligt klaar. Je kan wel beslissen om halverwege ­ergens even links- of rechtsaf te slaan, maar je moet er altijd voor zorgen dat je weer terugkeert op het pad. Doe je dat niet, dan ben je verloren. De dood van Esther (tweede dochter uit zijn eerste huwelijk, stierf in 1971, drie maanden oud, AV) was ook voorbestemd, ja, hoe krankzinnig dat ook klinkt. Je komt er nooit achter waarom zoiets moet gebeuren, maar ik heb me altijd vastgehouden aan de gedachte dat we niet de enigen waren met zo’n enorm verdriet. Er sterven dagelijks kinderen aan honger en aan ziekte – boos worden heeft geen zin. Erover praten vind ik nog altijd moeilijk. Ik heb, toen Esther werd geboren, een liedje voor haar geschreven. Ik heb het één keer opgenomen (‘For Esther’, op ‘River Song’, 1976, AV), maar het nooit meer kunnen zingen. Ik wilde het verdriet niet toelaten. Op het podium moest ik vrolijk zijn, de illusie in stand houden. Zodra ik alleen was, dan... nee, zelfs dán zal ik mezelf niet makkelijk laten gaan, want als ik val, wie raapt me dan weer op? Ik moet het zelf doen, sterk zijn, de controle houden. Zo heb ik het in mijn jeugd ­geleerd.”

VIII Gij zult niet stelen

“Ik werkte nog in de limonadefabriek toen onze eerste single ‘Little Green Bag’ in de Amerikaanse toptien stond. Er werden daar een miljoen platen verkocht, maar wij kregen een klein deel van de royalty’s. Pure diefstal, dat kan je gerust zo noemen, al heb ik het later allemaal wel goed ingehaald, dus je hoeft geen medelijden te hebben. Het was, wat geld betreft, sowieso een beetje een schimmige tijd. Zo was het in de halve Nederlandse showbusiness goed gebruik om een beetje te rommelen met de boekhouding, bijvoorbeeld door optredens in de kroeg niet op te geven. Er heerste een behoorlijk straf belasting­regime, met een inkomstenbelasting van 70 procent, dus het was moeilijk om nog wat aan dat soort klussies over te houden. Toen de Belastingdienst met de Actie Schuimkraag kwam, zijn wij ook door de mand gevallen. Dat heeft me wel een paar stuivers gekost, maar goed, het was wel terecht. Ik heb het rechtgezet, mijn boete betaald en klaar... O, en ik ben ook nog eens bestolen toen ik, samen met mijn boekhouder, tienduizend gulden in ­caravans had geïnvesteerd. We reden ­samen naar Frankrijk om die dingen te bekijken en wat denk je? Niks. Er wáren helemaal geen caravans. Weg geld, alles kwijt. Zoiets zou me nu nooit meer kunnen overkomen. Ik ben inmiddels van alle wateren gewassen.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Eerlijk gezegd heb ik nauwelijks last van ‘de bladen’ gehad. Dat komt doordat ik de flauwekul die je soms voorbij ziet komen nooit persoonlijk heb genomen. Die artikelen gingen over George Baker: dat is een soort fictieve figuur, een rol die ik speel. Ik ben gewoon Hans Bouwens. Die journalisten hadden geen flauw idee hoe ik echt in elkaar steek. Kijk, je moet het zo zien: er zit een randje aan die showbusiness en daar verdienen sommige mensen hun brood mee. Prima toch? Oké, niet leuk als ze over je scheiding praten, maar hee, volgende week gaat er weer iemand anders scheiden dus waar hebben we het over? Schrijf je verhaal, maak je fotootje, ga je gang. En als het lelijk of onwaar is, denk ik: wie zaait zal oogsten. Ik herinner me dat we maar één keer een journalist – ik weet niet meer wie het was, nee, echt niet – na een akkefietje geen interview meer hebben willen geven. Die ging op de zogenaamde transferlijst. Kwam er ook niet meer in.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Thuis zeiden ze altijd: ‘Als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje’. Het was een tamelijk harde leerschool, die jeugd van mij, maar ik heb me altijd vastgehouden aan mijn droom. Ooit zou ik zanger worden. Muziek maken, niet per se beter worden dan een ander, maar aandacht krijgen voor mijn eigen talent. Toen ik voor de eerste keer op een podium stond wist ik het: nu ben ik mijn eigen ik, helemaal op mijn plek. Hier kan ik een kwartje zijn.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden