EssayNiet zwart-wit

Ernest van der Kwast waande zich de perfecte vader, tot hij besefte dat hij alleen werk van witte schrijvers voorlas

Beeld Suzan Hijink

Antiracistisch opvoeden, hoe doe je dat? Schrijver Ernest van der Kwast waande zich altijd de perfecte vader als het ging om boeken en voorlezen. Tot hij erachter kwam dat hij alleen boeken van witte schrijvers voorlas. 

Op een steenworp afstand van mijn huis is een nieuwe wijk ontstaan. Prachtige huizen in authentieke bouwstijl: bakstenen gevels, houten kozijnen, witte daklijsten, maar ook een enorme parkeerplaats op een ­afgesloten binnenterrein. Dit nieuwbouwproject is op de plaats gekomen van een rij grauwe portiekflats. Sociale woningbouw die vervangen is door koopwoningen, maar niet alle appartementen met trespa gevels en aluminium kozijnen zijn gesloopt. Er is een mix ontstaan van oud en nieuw, van huur en bezit, van hoofddoekjes en bakfietsen.

Zie hier: de nieuwe stad, waarin wordt gestreefd naar een beter evenwicht. Niet zwart of wit, niet rijk of arm, maar beide, en het liefst in een harmonieuze samen­leving.

De gemeente Rotterdam voert sinds 2014 een beleid om wijken aantrekkelijker te maken voor gezinnen met kinderen. Dat richt zich specifiek op gezinnen met ‘hoogopgeleide (hbo of ­hoger), werkende óf werkzoekende ouders, die geen bijstandsuitkering ontvangen en een duurdere huur- of koopwoning (willen) bewonen.’ Dit wordt ook wel het ‘Sterke schouders’-beleid genoemd. Rotterdam wil de stad aantrekkelijker maken voor middengroepen en hoopt ook dat hun komst ten goede komt aan de oorspronkelijke, veelal minder welgestelde wijkbewoners.

Er zijn gunstige effecten: een versterking van de wijkeconomie en toename van de werkgelegenheid, en meer maatschappelijke betrokkenheid en organisatie­kracht; de nieuwe bewoner als rolmodel. Maar er zijn ook nadelige effecten: de oude bewoners voelen zich minder thuis in hun buurt. En er ontstaan spanningen en conflicten tussen oorspronkelijke en nieuwe bewoners.

Ik zag weinig harmonie, en vooral een enorme kloof

Ik was niet zo lang geleden aanwezig bij een bewonersbijeenkomst die ging over overlast in de wijk. Ik zag weinig harmonie, en vooral een enorme kloof. “Vroeger was er nooit overlast’’, zei een man tegen zijn nieuwe buurtgenoot. “De klachten zijn pas begonnen toen die nieuwe huizen zijn gebouwd.” Iemand anders riep: “Ik woon hier al 37 jaar en vroeger was er nooit wij en zij!”

Je ziet dezelfde verwijdering ook op een ander niveau. De kinderen van de nieuwbouwhuizen spelen steeds minder op het plein midden in de wijk. Ze trekken zich terug op het afgesloten binnenterrein, dat behalve als parkeerplaats ook prima als speelplek functioneert. Zij het met een hek eromheen.

Daar woon je dan als gezin met sterke schouders en idealen voor een open en ­tolerante samenleving, en daar woon ik ook. Wij hebben onze kinderen bewust aangemeld bij een gemengde buurtschool. Net als veel ouders van de nieuwe koop­woningen hebben we niet gekozen voor de populaire witte basisscholen, maar voor een school die een afspiegeling is van onze buurt.

Wie zijn kinderen goed wil op­voeden, laat ze bewegen en lezen, geeft ze gezond eten en doet moedige pogingen om de beeldschermtijd te beperken. Steeds meer ouders willen ook dat hun kinderen in aanraking komen met andere culturen en kleuren. Maar lukt dat? En krijgen we open geesten als onze kinderen een gemengde school bezoeken? Krijgen we een betere stad als we buurten mixen? Of is daar veel meer voor nodig?

Beeld Suzan Hijink

Witte en zwarte poppen en racistische voor­oordelen

Kinderen hebben al racistische voor­oordelen. In haar documentaire ‘Wit is ook een kleur’ uit 2016 laat Sunny Bergman zien dat in een poppenonderzoek met ­dertig zwarte en witte kinderen veruit de meesten kiezen voor de witte pop op de vraag: ‘Wie is de slimste?’ of ‘Wie is de baas?’. Dat gebeurde ook bij het bekende ­experiment van het Afro-Amerikaanse ­psychologenechtpaar Kenneth en Mamie Clark. Zij gaven zwarte kinderen de keuze tussen een witte en een bruine babypop. Met welke wilden ze spelen? Welke ­vonden ze het mooist, welke het lelijkst? Veruit de meeste kinderen hadden meer positieve gevoelens voor de witte pop dan voor de pop met hun eigen huidskleur. Dat was tachtig jaar geleden, maar zoveel is er niet ver­anderd, laat Bergmans film zien.

Baby’s van negen maanden zijn al gevoelig voor kleurverschillen. Ze maken ­onderscheid tussen mensen met verschillende etnische achtergronden. Ook ­worden baby’s vanaf deze leeftijd steeds ­slechter in het herkennen van uiterlijke kenmerken van andere groepen. Ze zien de andere groep als een soort eenheidsworst – het zogenoemde other-race effect. Deze ­beoordeling kan leiden tot stereotypen en je ziet dan ook dat kinderen vanaf drie jaar liever spelen met een kind uit ­dezelfde etnische groep.

Judi Mesman, hoogleraar diver­siteit in opvoeding en ontwikkeling, deed vijf jaar terug onderzoek naar leerlingen van de basisschool. Ze liet honderdvijftig witte Nederlandse scholieren in de leeftijd van zes tot en met acht jaar kiezen uit twaalf kinderen naast wie ze zouden willen zitten in de klas en met wie ze bij hen thuis zouden willen spelen. De uitslag loog er niet om: 70 procent koos een wit kind om naast te zitten of om mee te spelen. Een andere uitkomst was dat kinderen met een moslimuiterlijk minder vaak werden gekozen dan andere donkere kinderen. De honderdvijftig kinderen werd ook gevraagd naast wie ze niet wilden zitten. Ruim 80 procent koos voor donkere kinderen, en moslimkinderen ­waren het minst populair.

Er zijn aanwijzingen dat kinderen ­minder vooroordelen hebben jegens kinderen met een andere huidskleur als ze meer contact hebben. Ook het other-race effect kan door intensief contact teniet worden ­gedaan, maar volgens Judi Mesman werkt het niet om kinderen zomaar bij elkaar in de klas te zetten. “Het hangt ook af van de sfeer, de manier waarop leerkrachten met diversiteit omgaan en wat de klasgenootjes van huis uit meekrijgen.”

Het contact tussen verschillende groepen moet onder goede omstandigheden plaatsvinden

De hoogleraar vindt het cruciaal dat het onderlinge contact tussen verschillende groepen onder goede omstandigheden plaatsvindt. “Kinderen wier ouders vrienden hebben met een andere huidskleur, hebben minder negatieve meningen over zo’n groep. De boodschap die kinderen meekrijgen, is dan: mensen met een andere huidskleur kunnen ook bij mij horen.”

Pedagogen ­onderstrepen op hun beurt het belang van ­kennismaking ‘met verschillende perspectieven’, zoals Jillian Emanuels het noemt in haar artikel ‘Hoe voed ik mijn kind bewust op met kennis over ras, huidskleuren en racisme?’. Ze doet hierin suggesties om ­kinderen in aanraking te laten komen met een ander perspectief. “Boeken zijn daarvoor een goede manier. Kies daarom voor diverse boeken, boeken die gaan over ­mensen uit je omgeving, maar ook mensen verder weg. Herkenbare situaties, maar ook onbekende situaties. Als je een wit kind hebt, koop eens een boek over een zwarte heldin. Als je een zwart kind hebt, breng je kind in aanraking met positieve verhalen over zwarte mensen. Want de ­positieve verhalen over witte mensen zien ze als ze hun tv aandoen, schoolboeken openslaan of een willekeurig tijdschrift ­lezen.”

Ik dacht altijd dat ik het goed doe, en dat ik het beter doe dan mijn ouders.

Natuurlijk heb ik mijn gebreken, ben ik soms ongeduldig, of erger nog, gestrest, maar op het niveau van boeken en voor­lezen heb ik me altijd dé perfecte vader ­gewaand. Tot ik erachter kwam dat ik alleen boeken van witte schrijvers heb voorgelezen: Roald Dahl, Annie M.G. Schmidt, Jan Terlouw, Paul Biegel. Uren en uren heb ik voorgelezen voor het slapengaan van mijn kinderen, maar de hoofdpersonen die mijn kinderen leerden ­kennen, waren weinig divers. Ze heetten Daantje, Abeltje en in het meest exotische geval Ronja.

Beeld Suzan Hijink

Mijn vader is wit, mijn moeder donker en mijn broers en ik zijn iets daartussen in

Ik ben kind van een bicultureel gezin, maar kleur speelde geen rol bij ons thuis. Mijn vader is wit, mijn moeder donker en mijn broers en ik zijn iets daartussen in, maar er werd nooit over verschillen gesproken. Nooit over discriminatie. Nooit over racisme. De buurjongens noemden mij vroeger ‘pinda’, en ik lachte wat ongemak­kelijk met hen mee. Het was niet fijn om anders te zijn, het deed zelfs pijn, maar ik praatte daar niet over met mijn ­ouders. Zij deden dat ook niet met ons.

In mijn jeugd ben ik helaas menigmaal met racisme geconfronteerd, maar iedere keer dat ik werd uitgesloten of er juist werd uitgepikt omdat ik een donkere huid en bijna zwarte haren heb, heb ik het niet zo ervaren. Zelfs die keer dat ik in de C&A in mijn nek werd gegrepen door een verkoopster die zeker wist dat ik een jas aan het stelen was.

Ik was een jaar of negen en was met mijn moeder en mijn twee broers aan het winkelen. Nou ja, mijn moeder struinde de hele winkel af op zoek naar kleren voor ons die in de uitverkoop waren en wij waren in de kelder geparkeerd bij twee grote zwarte paarden die begonnen te hobbelen als je er een kwartje in gooide. Wij kregen geen kwartje, maar zaten wel op de paarden. Dat ging natuurlijk op een gegeven moment ­vervelen. Mijn broers hadden veel meer geduld dan ik en bleven gewoon ­zitten op hun paard. Ik besloot mijn moeder te gaan zoeken, maar ik kon haar niet vinden tussen alle kledingrekken verspreid over vijf verdiepingen. 

Wel vond ik een prachtige jas. Een jas waarvan je meteen weet: dit is hem! Een jas om verliefd op te worden! Ik liep ermee door de winkel op zoek naar mijn moeder, ­totdat ik een klauw in mijn nek kreeg. “Nu heb ik je”, zei de vrouw die mij vasthield. “Op heterdaad!” Ik weet nog dat ik stomverbaasd was en dat de greep van de verkoopster pijn deed, maar ze wilde mij niet loslaten. “Je was hier vanochtend ook”, zei ze. “Toen heb je ook een jas geprobeerd te ­stelen.” Ik wist niet waarover ze het had. “Ik had vanochtend tennisles”, zei ik. “Jij? Tennisles?”, zei de verkoopster, en terwijl ze het zei, moest ze lachen, en moest ik huilen.

Ik huilde nog steeds toen ik in een apart kamertje met een beveiliger zat en mijn moeder eindelijk binnenkwam. De jas lag op tafel. “Waar was je nou?”, zei mijn moeder. “Ik had toch gezegd dat je bij je broers moest blijven.” De beveiliger vroeg haar of ze wist waar ik in de ochtend was geweest. “Hij had tennisles van Bram op De IJsclub”, antwoordde ze. “Dan is er ­sprake van een misverstand”, zei de man. 

Mijn moeder wilde weggaan, maar ik zei dat ik de verkoopster wilde spreken, en dat ik wilde dat ze haar excuses zou maken. We moesten wachten, maar de verkoopster kwam niet. “Kom”, zei mijn moeder. “Het heeft toch geen zin.” Ze wilde gaan. Mijn broers wachtten al een uur op een stilstaand paard.

Thuis spraken we niet over het voorval, we spraken er nooit meer over. En de jas kreeg ik niet.

In de film onderzoekt ze de afstand tussen haar en haar donkere moeder

Filmmaakster Amanda van Hesteren ­maakte vorig jaar de intieme documen­taire ‘Mama en ik: ja maar nee, nee maar ja’. Van Hesteren, net als ik afkomstig uit een ­gemengd gezin, ­onderzoekt in haar film de afstand tussen haar en haar donkere moeder. Dat doet ze in gesprekken over ­politieke correctheid, assimilatie en etnisch profileren. Gewoon aan de keukentafel, in de auto of tijdens een wandeling in het park. Het klinkt gemoedelijker dan het is. Het zijn soms messcherpe dialogen, die laten zien hoe groot de kloof tussen hen is.

Zo is er het moment in de documen­taire dat de dochter tegenover haar moeder begint over de opvoeding die zij en haar broers hebben gekregen. “De manier waarop je ons hebt opgevoed”, zegt Van Hesteren in de film. “Bezig zijn met jezelf, zelfontplooiing, opleiding. Succes om onder racisme uit te komen…”

Ja, zegt de moeder. “Zorg dat je de ­kansen benut, op de basisschool, de middelbare school, de universiteit. Kunde en ­kennis maken je vrij van racisme. Het zal er altijd zijn, maar dan krijg je niet de ­eerste klappen, en je weet er ook mee om te gaan.”

Precies dat wat mijn moeder ook moet hebben gedacht. Leer, studeer harder dan de rest, doe altijd meer dan anderen. Dan kun je later in een koopwoning wonen, in een mooie auto rijden, in nette kleren ­lopen. En dan zal racisme je minder hard treffen. Je zult er niet aan onderdoor gaan, niet aan kapot. En dan hoef je er ook niet over te praten.

In Skin Deep, een maandelijkse talkshow in De Rode Hoed in Amsterdam, werd de moeder van de documentairemaakster geïnterviewd tijdens een editie die in het ­teken van opvoeding stond. Waarom had ze zo gehamerd op een studie? Waarom had ze niet gewoon over racisme gesproken met haar dochter?

Ernest van der Kwast (Bombay, 1981) ­debuteerde in 2005 met de roman Soms zijn dingen mooier als er mensen klappen. Hij brak door met Mama Tandoori (2010). Onlangs ­verscheen Ilyas­, een roman over een conservator die met zijn gezin in een nieuwbouwproject tussen sociale woningbouw woont.

“Je wilt je kinderen ontzien”, antwoordde moeder Shirley Vreedzaam in De Rode Hoed. “Je wilt ze behoeden voor de dingen die jij als volwassene ziet. Als je een vorm van discriminatie rondom je kind ­gewaarwordt, dan benoem je het niet. Ik wilde mijn kinderen niet confronteren met de pijn die ik zelf zie en ervaar.”

Had mijn moeder daarom gezwegen? Wilde ze niet dat ik zou weten wat discriminatie was, hoe lelijk het is, hoe pijnlijk? ­Wilde ze mij als negenjarig kind behoeden voor de boze buitenwereld?

Van­buiten ben je donker, vanbinnen denk je zo gigantisch wit

“Het is eigenlijk jammer dat ik je zo heb opgevoed”, zegt de moeder in de documentaire tegen haar dochter. “Misschien had ik je anders moeten opvoeden. Meer met de werkelijkheid. Nu voldoe je echt aan de kenmerken van een bounty. Van­buiten ben je donker, vanbinnen denk je zo gigantisch wit… Zo dom wit.” De dochter reageert beledigd. “Ik vind het heel erg om te horen dat je mij een bounty noemt.”

Kijkt de dochter met een te witte bril naar de wereld? Kan ze niet voelen hoe het is om een zwarte vrouw te zijn? Is dat uit­eindelijk de tol van een opvoeding van niet-benoemen, niet-praten?

Mijn broer werd afgelopen maand over mij geïnterviewd in de rubriek ‘Onder ons’ in Het Financieele Dagblad. Dat was ook even slikken voor mij. “Ernest woont met zijn gezin in Jaffa, een buurtje in Kralingen”, zei mijn broer. “Het is een gemixte wijk als je het met de rest van Kralingen vergelijkt, er zit nog veel sociale woningbouw. Zij wonen in de enige straat met oudbouw en koophuizen. Zijn leven is ­verder nogal wit.”

Volgens mij valt het wel mee met de oudbouw om ons heen, maar de koophuizen verdringen wel de sociale woningbouw in de buurt. Prangender: hoe wit is mijn leven? Wat doe ik zelf om mijn kinderen de ­boodschap mee te geven dat mensen met een andere huidskleur ook bij ons ­horen?

Iedereen is gelijk, maar niet iedereen krijgt dezelfde kansen

Er is een verschil tussen niet-racistisch opvoeden en antiracistisch opvoeden. Hoogleraar Judi Mesman: “Met de beste ­bedoelingen hoor je ouders zeggen tegen hun kind: ‘Iedereen is gelijk’. Maar dat is niet het hele verhaal. Voor een antiracistische opvoeding moet je ook benoemen dat niet iedereen dezelfde kansen krijgt. Anders geef je je kind onbewust misschien mee dat iemand met een achterstand in de maatschappij gewoon niet hard genoeg heeft gewerkt.”

Het leven van mijn kinderen is veel minder wit dan mijn leven. Hun klas­genoten heten Ayoub, Arsema, Meryam, Kaan, Clayton en Shaniece. Maar weten mijn kinderen ook dat zij niet dezelfde kansen krijgen als Jesse, Max, Midas en ­Elize in hun klas? Hoe kan ik ze dat uit­leggen?

Mijn kinderen willen niet meer worden voorgelezen voor het slapengaan. Daar voelen ze zich te groot voor. De tijd is wel rijp voor een ander verhaal, een verhaal waar zij nooit mee in aanraking zullen ­komen, maar vele anderen wel. Ik zal doen wat mijn moeder nooit heeft gedaan. Ik zal mijn kinderen vertellen over de jas waarover zoveel jaren is gezwegen, en de pijn die ik nog altijd voel. 

Probeert u om uw kinderen anti­racistisch ­op te voeden, en zo ja, hoe? Reacties (max. 150 woorden) zijn ­welkom via tijdgeestreacties@trouw.nl. Graag o.v.v. naam en woonplaats. Een selectie staat dinsdag op trouw.nl/tijdgeestessay en in de volgende Tijdgeest.

Lees ook:

Uit deze kinderboeken kun je kleurrijk voorlezen 

Een drietal kenners tipt kinderboeken die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een divers wereldbeeld.

Mag ik zwijgen in het racismedebat, of maakt dat mij medeplichtig?

Als je niet je mond opendoet in het racismedebat, ben je medeschuldig aan het in stand houden van het systeem, las Yonah Sint Nicolaas veelvuldig. Maar dat wringt met het recht om ons innerlijk leven voor onszelf te houden.

Juist de onzichtbaarheid van mijn ouders maakt me fel: je hóéft je niet weg te cijferen

Shantie Singh (Almelo, 1982), werkt als bestuurskundige in Rotterdam en debuteerde als schrijver in 2015 met ‘Vervoering’. Onlangs verscheen haar tweede boek ‘De kier’, waarin ze huiselijk geweld – ‘een veelkoppig, ontembaar monster’ – aan de kaak stelt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden