Coronavirus

Erik Jan Harmens wil niet filehollen, hij wil ‘zijn’hardlooppad terug

Beeld Aatjan Renders

De wekelijkse hardlooproutine van schrijver Erik Jan Harmens is deze periode ernstig verstoord. Door de komst van instant recreatieve hardlopers is hij zijn eigen rondje kwijt: het is nu file hollen. En dan wordt hem ook nog geregeld toegesist: ‘Anderhalve meter!’

Er circuleren steeds meer filmpjes op internet waarin superatleten figureren, die in tijden van quarantaine thuis een marathon lopen. Ze draven rondjes om het huis, heen en weer door de gang of zelfs surplace op het balkon. Mindere goden als ik begeven zich toch maar naar buiten om in de openbare ruimte hard te lopen, natuurlijk met inachtneming van social distancing. In plaats van anderhalve meter neem ik als ik ren zelfs een ruimere marge in acht. Dat doe ik eigenlijk met alles, als ik ergens moet zijn, kijk ik op de reis-app hoe lang ik erover doe en tel ik daar een kwartier bij op. In bijna alle gevallen blijk ik die extra tijd niet nodig gehad te hebben, maar liever voorzichtigheid vooraf dan spijt achteraf, zei een groot staatsman ooit. Mark Rutte op 21 april jongstleden.

Al jaren trek ik driemaal per week mijn aerodynamische broek en andere toebehoren aan en ga erop uit. Wanneer ik me heb voorgenomen om te gaan, gá ik ook, er is namelijk altijd wel een reden om het niet te doen: slecht geslapen, geen goede benen, het is te warm, te koud, te druk of er is teveel wind. Geef je daaraan toe, dan komt het er nooit van en daarom verzaak ik nooit, tenzij het onweert, want daar ben ik bang voor. Er komen deze weken en maanden steeds meer recreatieve sporters bij en die >> moeten allemaal hun ding in de buitenlucht doen, omdat de sportscholen dicht zijn, dus dat beperkt de bewegingsvrijheid. In Parijs geldt sinds begin april zelfs een jogverbod tussen 10 uur ’s ochtends en 7 uur ’s avonds.

Maat uit het dorp

Zelf woon ik in een dorp omringd door groen. Genoeg ruimte zou je zeggen en er zijn inderdaad allerlei paden waarover je ook nu nog heerlijk kunt rennen zonder veel stervelingen tegen te komen. Een keer per week ga ik voor mijn doen lang, namelijk twaalf tot veertien kilometer, en dat doe ik samen met een maat uit een dorp verderop. Normaal gesproken zou ik zeggen: “met een vriend uit een dorp verderop”, maar wie samen sport zegt: “maat”.

We lopen door nauwelijks bevolkt gebied en om veiligheidsredenen aan weerszijden van de weg en als er al een tegenligger aan komt, ga ik achter hem lopen. Achter mijn maat bedoel ik, niet achter die tegenligger. Soms moet mijn metgezel zijn neus legen, wat een heel gebruikelijke handeling is onder sporters, maar dan verlaagt hij eerst zijn tempo, zodat ik al iets vooruit loop. Ik kijk intussen naar een denkbeeldige zeldzame zanglijster op de tak van een boom, want als iemand zijn neus leegt doet de ander alsof hij dat niet ziet. Zo zijn de codes.

Beeld Aatjan Renders

De andere twee keer in de week ga ik alleen en loop ik korter. Mijn eerste rondje duurt iets van acht kilometer en voert langs de randen van de stad onder de rook waarvan ik woon. Daar is de sfeer anders, regelmatig word ik op luide toon van de straat gedirigeerd door groepjes wielrenners die onderling blijkbaar geen afstand hoefden te houden. “Uit de weg”, roepen ze, alsof ze renner en tour-directeur in één zijn. Ook van wandelaars krijg ik soms boze blikken. Pas maakte ik een extreem ruime bocht om iemand heen, die me vervolgens toch toesiste: “Anderhalve meter!” Even dacht ik dat ze wilde dat ik juist dichterbij kwam.

Boze blik

Ook fietste een man langs met een mondkapje die me strak aankeek en heel hard riep: “Ik ben niet bang!” Natuurlijk heb ik ‘m uitgebreid met die gemoedstoestand gefeliciteerd. Veel dingen die mensen me toeroepen versta ik overigens niet, want als ik alleen ren heb ik meestal mijn ‘oortjes’ in. Om de stemming erin te houden doe ik alsof ik hun boze blik niet zie en als hun mond beweegt, fantaseer ik dat ze roepen: “Lekker bezig, pik!”

Overigens krijg ik veel vaker vrolijke blikken toegeworpen, van mensen die net als ik genieten van de frisse lucht en het buiten zijn. Sommige mensen doen een wedstrijdje met de zon, wie de meeste warmte afgeeft en dan moet ik me bedwingen om ze niet te zoenen. Het derde en laatste rondje van de week is het kortst: vijf kilometer. Normaal gaat die over een smal pad tussen de weilanden door, maar dat pad is nu onbegaanbaar geworden.

Het ligt er gewoon nog en het asfalt is in prima staat, maar het is er sinds de intelligente lockdown zo druk geworden dat het niet meer te doen is. Steeds moet ik weer het gras in om plaats te maken voor andere recreanten, om er aldaar achter te komen dat mijn tegenligger net hetzelfde aan het doen was. Staan we op elkáár te wachten en als in een slapstick gaan we ook precies op hetzelfde moment weer terug het pad op. De nodige armzwaaien later kunnen we eindelijk onze weg vervolgen.

Fitbit

Ik dacht dat de oplossing zou zijn om ’s ochtends heel vroeg te gaan, maar dan is het op de paden buiten mijn dorp juist spits. ’s Avonds laat geprobeerd, maar toen zag ik door het duister bewegende kerstboomverlichtingen traag door het oneindig laagland gaan. Kansloos dus, ik moest een andere vijf kilometer-route verzinnen. Ik ging op de fiets naar het park in de stad, maar daar waren zoveel mensen dat het voelde alsof ik in het spelletje Pac-Man was beland, waarbij ik de happende smiley was en de andere lopers de spoken. Iedereen deed ook alsof ze alleen op de wereld waren, ze keken strak voor zich uit of met een schuin oog op hun Fitbit. Een afgetrainde hardloopster achter een brede tweepersoons kinderwagen maakte bewegingen met haar arm alsof ze door een zwerm vliegen liep. Pas na een paar tellen begreep ik dat ze met een onzichtbare reuzeruitenwisser alle andere lopers wilde wegwoesjen. Snel ben ik weer op de fiets gestapt en ontvluchtte ik deze omgevallen bijenkorf.

Thuis merkte ik dat ik kribbig was geworden van het gebrek aan ruimte. Eigenlijk wilde ik gewoon ‘mijn’ pad terug, mijn vijf kilometerrondje tussen de weilanden door. Deze crisis maakt me bezitterig, misschien wil ik wel dingen voor mezelf houden uit angst om alles kwijt te raken. Het feit dat inmiddels de halve wereld hardloopt, ondergraaft ook mijn nogal kinderachtige wens om me van anderen te willen onderscheiden. Ik kan soms een snob zijn die op een feestje naar de deejay loopt en vraagt: “Heb je ook iets van Kah-Lo?” Als hij me dan niet begrijpend aankijkt, loop ik met de neus in de lucht weer weg, want mijn passie voor Nigeriaanse singer-songwriters is alleen voor de happy few weggelegd.

Blauw aangelopen

Elk jaar op 2 januari word ik ook een snob. De feestdagen zitten erop, iedereen heeft zichzelf ongans zitten vreten en een halve levercirrose gedronken om op 1 januari op apegapen naar het skispringen in Garmisch-Partenkirchen te kijken. Op 2 januari is iedereen echter hersteld en moeten de goede voornemens worden waargemaakt. Spiksplinternieuwe fluoriscerende hardloopoutfits worden uit de verpakking getrokken, veters van de duurste schoenen worden gestrikt en daar gaan de atleten in spé. Ik herken ze aan het moordende tempo waarin ze mij semi-achteloos op ‘mijn’ pad passeren, waarna ik ze tien minuten later blauw aangelopen aantref ergens achter een struik.

Beeld Aatjan Renders

Het is niet uit leedvermaak dat ik op zo’n moment van binnen een beetje moet lachen, het is uit herkenning. Tien jaar geleden stond ik net zo blauw aangelopen in net zo’n hagelnieuwe outfit voorovergebogen met de handen op de knieën op een bospad naar adem te snakken. Destijds sportte ik nooit en hield ik er een wat uit de hand gelopen bourgondische levensstijl op na. Het voelde daardoor alsof ik met lood aan mijn voeten liep of zelfs met demonen. Ik herken ze dus en juich ze toe, al die mensen die nu op ‘mijn’ pad of op een ander pad in beweging komen.

Jouw pad is mijn pad

Slaag ik erin de snob in mij de mond te snoeren en vrij naar Woodie Guthrie te zingen: “Dit pad is jouw pad, dit pad is mijn pad”, dan voel ik me ook echt verbonden met alle andere lopers die ik tegenkom. Zeker ook met de ouderen die veel geduldiger dan ik zijn, galant ruimte voor elkaar maken en elkaar vriendelijk toeknikken. Sommigen doen een interval van rennen en wandelen, wat ook prima is, als het maar beweegt. Hun sportief gedrag lijkt ook iets vastberadens uit te stralen: mij krijgt dat virus er niet onder en ik hoop dat als mijn maat en ik die leeftijd hebben bereikt, we ook nog steeds ons rondje zullen lopen.

Dan leegt hij op veilige afstand zijn neus terwijl ik nog eens naar die denkbeeldige zeldzame zanglijster kijk. Hoor ’m zingen, dat doet hij niet alleen voor mij, hij zingt voor ons allemaal. 

Over de foto's bij dit artikel van Aatjan Renders
Fotograaf Aatjan Renders maakt sinds half maart vanuit zijn raam aan de Veemkade in Amsterdam elke dag foto’s van renners die zijn kade bevolken nu de sportschool dicht is en iedereen wil bewegen. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden