Interview Hongarije

Elroy Thümmler: in Bedepuszta doen we niet aan politiek en religie

Beeld Martijn de Vries

Wat hij met festivals verdient, steekt Elroy Thümmler in het opknappen van het Hongaarse gehucht dat hij opkocht. Het wordt een vrijwel volledig circulair eldorado. Komende maand organiseert hij er een boutiquefestival.

Als ik ondernemer Elroy Thümmler (52) ontmoet, lijkt hij rechtstreeks van het Hongaarse platteland te zijn geplukt: relaxt, gebruind, dun bebaard, vaal T-shirt en dito spijkerbroek. Maar hij is alweer een paar weken in Amsterdam om zijn bedrijf FestivalTravel aan te sturen, dat festivalvakanties aanbiedt en promoot, en om nog wat dingen te regelen. Want voort­aan verblijven hij en zijn vrouw, die net haar baan heeft opgezegd, de ene helft van het jaar in hun Amsterdamse appartementje en de andere helft in hun ‘paradijs’ in de Hongaarse Karpaten. Zijn streven is daar de positieve elementen van het stadsleven – creativiteit, technologie – te combineren met het goede van het plattelandsleven – natuur, rust en reflectie. Thümmler kocht er de afgelopen jaren een heel dorp voor op.

Een heel dorp?

“Ja, ik zocht een locatie om een circulaire wereld te creëren met een minimale footprint. Om deels te wonen en om mensen uit te nodigen voor rust en inspiratie. In 2003 kocht ik een huis in het vervallen dorp Bedepuszta, 90 kilometer van Boedapest. Vrienden van mij die uit de omgeving kwamen, hadden deze plek gevonden die van een Toscaanse schoonheid is: een vallei op een heuvel, een soort holle kies, waar van de twintig huizen er nog maar drie over waren, en waarvan er twee door drie Roma-families waren gekraakt. In Hongarije zijn veel dorpen verdwenen doordat Roma alles verkochten wat er nog aan de huizen over was: ze verkochten alle dakpannen, stookten het hout op en gooiden de vuilnis op een hoop. Het werden spookdorpen. In de afgelopen tien jaar heb ik alle Roma uitgekocht en hen aan een huis verderop geholpen, in Sámsonháza en Nagybárkány. Ik overwoog nog even om met hen samen te werken. Ik organiseerde ooit wel­eens Balkanavonden met zigeunermuziek, ik hou wel van die vibe. Maar het werd te ingewikkeld, daar heb ik van afgezien.”

Intussen verdiende je geld met het bekende Sziget Festival in Boedapest.

“Ja, dat geld stopte ik allemaal in het dorp. En ik wilde dat al mijn vrienden hier kwamen wonen. Eén bevriend stel heeft dat gedaan, zij wonen tegenover ons en willen zich er voorgoed vestigen. Geweldig. Mijn liefde voor Hongarije stamt al van veel eerder. Het begon tijdens het interrailen eind jaren tachtig, ik was ergens in de twintig. De Republiek Hongarije was uitgeroepen, de communistische partij opgeheven, de Muur gevallen en de energie daar was aanstekelijk. Hongaren zelf, en ook buitenlanders gingen er ondernemen – allerlei soorten business, waarin maakte niet uit, alles kon er. Het was lang leve de lol in Boedapest.

Vergeet niet, in Berlijn was alles veel politieker dan daar. Dat plezier van de jaren negentig, ook in de muziek – gospel en punk bestonden naast elkaar – is wel minder geworden, ook omdat jongeren massaal naar het Westen van Europa trokken. Terwijl ze eerder een bruisende scene hadden, die echt voorliep op Amsterdam.”

Beeld Martijn de Vries

Wat trekt je nu nog aan in het leven daar?

“De rust en de ruimte van het platteland vooral. We hebben ook een pied-à-terre in Boedapest, maar zijn het liefst in mijn dorp. Daar organiseerden we de laatste jaren al een Sziget Detox: na het Sziget Festival van een week konden mensen bij ons, een uurtje met de bus van Boedapest, hun vakantie nog wat verlengen. Weer gezonde lucht opsnuiven tussen het groen, even geen stof meer, bijslapen, wandelen en gezond eten. In het begin had ik daar ook muzikanten geregeld, maar de Sziget-gangers vroegen dan of de muziek wat zachter mocht, ze wilden slapen. Haha.

Met Sziget Detox in gedachten, bedachten we een nieuw festival voor in ons dorp: The Great Yonder. Dat moet in augustus een feestje worden voor maximaal zo’n driehonderd bezoekers en een groepje artiesten. Jungle by Night en Douwe Bob komen, als die willen optreden in hangmatten dan kan dat. Het is allemaal heel relaxt. Douwe Bob belde me een keer op: ‘Waarom sta ik niet op de artiestenlijst? Ik kom man.’ Hij wil helpen om het groter te maken. Ik ben ook met mensen van het Vlieland-festival Into The Great Wide Open gaan praten en met Cor Schlösser, een van de oprichters van de Melkweg, die ook in Hongarije is gaan wonen.”

Hoe gaat dat festival er verder uitzien?

“Net als op Lowlands zijn er workshops en lezingen. Van de Hongaarse uitvinder en pionier István Kenyéres bijvoorbeeld. Hij is betrokken bij een Japans project om van plastic vruchtbare grond te maken. Spectaculair. We hebben ook een archeoloog, die hier binnen een uur een paar Keltische urnen ontdekte. Hij weet hoe je een landschap moet lezen. En een bioloog gaat vertellen hoe we de biodiversiteit van dieren overeind kunnen houden door aanplant van verschillende soorten bomen, het uitgraven van vennen en aanleggen van hagen, en er zijn yoga- en tai chi-klassen. Mijn buurman en vriend daar, fotograaf Martijn de Vries, richt een foto-expositie in het bos in, we beamen er – in de zomerse hitte – ook een reportage van winters Bedepuszta, met die serene stilte en ijspegels. We willen het wat exclusiever maken dan op het gemiddelde festival: er zijn geen dixi’s, maar wc’s, geen plastic bekertjes, wel glazen voor goede Hongaarse wijn – bijzondere, oud-Hongaarse blends – aardewerken borden en echt bestek. Ik ga uit van 25-plussers, mensen met kinderen. Er is een ­artistic games-plek, een zandbak voor beachvolley, hangmatten, een bar met podium en een zwembad.”

Hoe krijg je het dorp echt circulair?

“Van de as van onze biomassaketels maken we zeep. We krijgen zonnepanelen en vangen zoveel mogelijk regenwater op. Als er zon is gebruiken we die, anders schakelen we over op biomassa, veroorzaakt die te veel roet, dan schakelen we over op gas. Ook proberen we gas te halen uit onze ondergrondse beerputten, want riolering is er niet. We willen zoveel mogelijk hergebruiken en dat ook inzichtelijk maken.

Weet je wat nog steeds het grootste probleem is? Inpakplastic, werkelijk alles is verpakt in plastic. Onze streek zamelt het helaas nog niet in voor recycling. Ik zie precies wat er bij ons in het dorp over de ene weg in komt en over de andere weg weer uit gaat. We willen in elk geval hard plastic zelf vermalen tot een basisproduct. Laurens Broek, die goed is in slimme toepassingen, is geregeld in Bedepuszta om er te experimenteren. Als hij niet bij ons is, is hij op Ibiza om in tweede of derde huizen van vermogende mensen circulaire systemen aan te leggen.”

Jij hebt ooit het begrip festivalvakantie bedacht.

“Klopt. In de internationale festivalscene merk je sowieso dat veel van wat is bedacht oorspronkelijk uit Nederland komt. Dat komt door pioniers als ID&T, die dancefestivals begonnen; er kwamen specialisten die luxe tenten konden bouwen voor duizenden mensen en lichtmastsystemen konden aanleggen. Sziget – op een eiland in Boedapest – was oorspronkelijk een Hongaars festival, waar steeds minder Hongaren kwamen. Ik ben het toen vanuit Nederland gaan promoten. Ik bedacht de Szigettrein tussen Amersfoort en Boedapest, en zorgde ervoor dat er op locatie parkeerplaatsen, lockers en bewaakte campings kwamen. Zo werd het internationaal. Nu is het percentage Nederlanders er nog maar 15 procent. Eerder was het half Nederlanders, half Hongaren. Dit jaar komen er ook duizend Mexicanen, en een grote groep Australiërs.”

Beeld Martijn de Vries

Heb je dat ondernemen jezelf aangeleerd?

“Ik ben een schoolverlater uit Heerhugowaard. Ik moest wat. Mijn eerste onderneming in 1995 was een stripboekenwinkeltje in Amsterdam, vlak bij de Dam. ’s Nachts verdiende ik bij als barkeeper. De Pokémonkaartenrage eind jaren negentig was leuk, het liep een tijdje geweldig. Daarna niet meer, toen hield ik ermee op, en ging ik weer iets anders doen.

Mijn vader was windmolenpionier. Met zijn bedrijf Dynaf heeft hij een van de eerste commerciële windmolens geplaatst, ergens op een brug bij een snelweg richting Rotterdam, daar was ik als klein jongetje nog bij, eind jaren zeventig. Toen hij met pensioen ging, was hij misschien wel de grootste tegenstander van windenergie. Echt. Als je ook kijkt wat voor energie in zo’n molen moet worden gestopt, aan onderhoud en aan alternatief voor als de windmolen uitvalt, dat is gigantisch. Daarna ging hij elektriciteitsnetwerken aanleggen in Zuid-Amerika.

Hij was een technicus, ik niet, en heb ook niet bijzonder veel verstand van muziek, ik ben vooral goed in mensen ­samenbrengen: kunstenaars, schrijvers, muzikanten, mensen die ingenieuze systemen bedenken, belichters, allemaal ­kunnen ze elkaar kruisbestuiven. Daar heb ik nu een plek voor.”

Zijn de Hongaren blij met je?

“Ik geloof het wel. Vorig jaar was ik er veel in het nieuws. Ik deed mijn eerste tv-interview. Nagesynchroniseerd! En ik stond in een Hongaars magazine. Ik spreek trouwens Hongaars als een vijfjarige. Ik kan over veel praten, maar het klinkt nergens naar. Ik herken klanken – opgewekt of somber – dus ik kan woorden plaatsen. Het is een leuke, maar erg moeilijke taal. Soms maak ik twee heel goede zinnen, dat mensen denken dat ik een van hen ben, maar daarna stopt het weer. Ik heb het te druk om het goed te leren.

De Hongaarse vriend die ons dorp runt, die ik al dertig jaar ken, leerde me in elk geval hoe ik goed moet schelden, dat kan ik inmiddels. Hij doet dat eigenlijk constant. Ik moet er vooral om lachen. Nee, hij spreekt geen Engels, alleen een heel klein beetje Duits.”

Jouw naam verraadt dat je roots ook niet in Nederland liggen.

“Mijn achternaam stamt uit het oosten van Duitsland, mijn overgrootvader kwam als horlogemaker in de negentiende eeuw vanuit Duitsland naar Nederland. Mijn voornaam Elroy heeft mijn moeder bedacht, naar dat blonde jongetje van de Amerikaanse animatieserie ‘The Jetsons’. Ik heb altijd een hang gehad naar Oost-Europa. Als twintiger was ik dol op Servische en Russische films, Russische en Duitse literatuur, Oost-Europese muziek. Die melancholie. Nee, ik drink niet veel. Niet meer, het doet te veel pijn, haha. Ooit genoot ik enorm van de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal die op elke bladzij van zijn verhalen een glas bier ging halen.

Ik was ook wel gecharmeerd van de Duitse reformbeweging van eind negentiende eeuw die streefde naar hervorming van de materialistische samenleving. Mannen als Tolstoi, Darwin, Frederik van Eeden trokken toen heel bewust naar het platteland. Ik zou net als zij een beweging willen opzetten die met ecologische oplossingen bezig is zonder dat je nog in de stad hoeft te zijn.

Op m’n 25ste kocht ik trouwens al mijn eerste huis in Hongarije, voor 10.000 gulden, met een lening. Dat lemen huisje met rieten dak stond in Mentelek, aan de andere kant van Boedapest. Het had geen waterleiding en elektriciteit, wassen en drinken deed ik aan de pomp, er was geen toilet en het lag aan een zandweg twee kilometer het bos in. Ik kookte boven open vuur. Mijn zoon, die ik in m’n eentje heb opgevoed, nam ik alle vakanties mee daarheen. We leefden als twee nomaden in het bos. Het leuke is dat hij het er net zo geweldig vindt als ik, uiteindelijk wil hij mijn dorp overnemen.”

En hoe kijken vrienden in Nederland aan tegen jouw Hongaarse avontuur?

“Sommigen vinden het raar dat ik zo van Hongarije houd, ze vinden het een besmet land. En vrienden uit Boedapest hebben soms geen zin om naar het platteland te komen, omdat ze daar minder vrijzinnig zouden zijn. Ik nodigde eens een bevriende experimentele-danschoreograaf uit in ons dorp en ook tien traditionele boogschutters, lieve mensen die alles zelf maken en ja, ook traditioneel denken. De danser had moeite met hen, andersom niet. Ik breng hen bewust samen. Als je een paar onderwerpen vermijdt, kom je vaak heus wel nader tot elkaar. Het gaat toch om wat ons verbindt? In Bedepuszta doen we daarom niet aan politiek en religie. Dat helpt.” 

Elroy Thümmler (Amsterdam, 1966) is eigenaar van evenementenpromobureau Ostfest BV en de man achter de promotie van het Hongaarse Sziget Festival en Balaton Sound. Hij bedacht ook de Szigettrein die honderden Nederlandse festivalgangers elke zomer naar Boedapest rijdt. Komende maand ontvangt hij gasten van The Great Yonder, een kleinschalig boutiquefestival in zijn Hongaarse dorp Bedepuszta, waar hij zich met zijn vrouw, voormalig danser Linda Thümmler, deels heeft gevestigd. 

Tickets (à € 250) voor festival ‘The Great Yonder’ in Bedepuszta, een uur rijden van Boedapest, zijn inclusief vier dagen programma (15-18 augustus) en zeven dagen camping (14-21 augustus).
Thegreatyonder.eu

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden