Naschrift Gerrit Schutten

Een kenner van zomp, tjalk en kofschip, die dat erfgoed aan de vergetelheid wist te onttrekken

Gerrit Schutten op de middelbare school in Almelo.

Gerrit (Jan) Schutten (1938-2019) was kenner van zomp, tjalk en kofschip. Zijn levenswerk was het in kaart brengen van historische houten vaartuigen. Zo bracht hij dit culturele erfgoed weer tot leven.

Gerrit Schutten viert met vrouw en kinderen vakantie op de Veluwe als hij op een museumzolder een houten boot ontdekt. Daags erna keert hij terug om dat historische vaartuig nauwgezet in kaart te brengen. Zijn gezin komt even op de tweede plaats. Hij maakt foto’s en schetsen, kruipt rond om exacte maten op te nemen en noteert elk detail in zijn opschrijfboek. Schutten keert ’s avonds zwart van het stof in het vakantiehuisje terug. Zeker als het om de historie van schepen gaat wil hij het naadje van de kous weten, om het daarna in begrijpelijke taal aan anderen uit te kunnen leggen. Alles wat hij opschrijft moet kloppen.

Rijke cultuur 

Het leidt tot een reeks publicaties, waarvan twee lijvige boekwerken de belangrijkste zijn: ‘Varen waar geen water is’ en ‘Verdwenen schepen’, zijn levenswerk waarop hij in 2004 promoveert. Hij redt met die boeken een rijke cultuur van de vergetelheid, wat zelfs uitmondt in de wedergeboorte van enkele historische houten vaartuigen. Aan de hand van Schuttens tekeningen en mondelinge kennisoverdracht worden weer zompen, platte vrachtschepen, gebouwd. Zijn geboortestreek Twente krijgt er een toeristische attractie bij.

Op riviertjes als de Regge, de Berkel en de Schipbeek kun je nu ontspannen varen in een zomp, met een schipper die sappige streekverhalen vertelt. Een van de opstapplaatsen is De Enterse Waarf, de in 2011 geopende scheepswerf die door vrijwilligers wordt gerund. Zij hebben zich het oude ambacht eigen gemaakt. Deze week laten ze De Vechtzomp van de helling rollen, hun vierde kindje dat aanstaande zaterdag feestelijk in gebruik wordt genomen in Dalfsen.

Gerrit Schutten

Schuttens liefde voor de scheepvaart begint in Nijverdal, waar hij vlak voor de oorlog geboren wordt. Zijn vader, fietsenmaker, geeft hem als zevenjarige een stripboek cadeau: ‘De avonturen van Kapitein Rob’. Zijn nieuwsgierigheid is gewekt. Kleine Gerrit gaat van klompen zeilbootjes maken en als hij veertien is, wil hij graag weten hoe Enterse zompen eruitzien. Vader stuurt hem naar het Exoo, een oud overslagstation voor vrachtschepen tussen Enter en Wierden, maar daar blijkt de tijd hem te hebben ingehaald. “Er lag zelfs geen roeiboot meer en ik moest het doen met boeken uit de bibliotheek”, zegt Schutten in tijdschrift De spiegel der zeilvaart.

Godganselijk mooi

Na het Christelijk Lyceum (hbs-B) in Almelo trekt hij naar Amsterdam om aan de Vrije Universiteit natuurkunde te studeren. Hij wordt lid van het corps, maakt kennis met fotografie, klassieke muziek en gaat op zeilkamp. Wanneer hij als student kennismaakt met de boeken van Huitema, Sopers en Van Konijnenburg raakt hij pas echt gefascineerd door de wereld van pramen, tjalken, kofschepen en zompen. “De dingen die daarin stonden vond ik zo godganselijk mooi, zo onbeschrijfelijk origineel. Het was net alsof ik betoverd werd.”

Hij begint foto’s en prentbriefkaarten van boten te verzamelen. Het leidt tot milde spot van zijn medestudenten, maar daarvan trekt Gerrit zich weinig aan. Hij gaat zijn eigen gang. Als hij in de weekeinden thuis in Nijverdal is, bij zijn ouders en broer, brommert hij dwars door Twente en de Achterhoek, op zoek naar oude schippers die nog uit eigen ervaring kunnen verhalen over de scheepvaart.

Hij toont foto’s uit zijn verzameling en vraagt hun het hemd van het lijf. De mannen, nog geboren in de 19de eeuw, weiden graag uit over hun vak. Schutten interviewt hen urenlang en schrijft die verhalen nauwgezet op, omdat hij ze interessant vindt én omdat hij deze cultuur niet verloren wil laten gaan.

Zijn proefschrift ‘Verdwenen schepen’ gaat over houten vrachtschepen, vissersboten en kleine beroepsvaartuigen. Hij brengt ruim vijfhonderd types schepen in kaart, van skutsje tot zeespitspunt en van Nieuwpoortse dandy tot Ter Aarse klotsboot.

In 1850 telt Nederland zo’n 15.000 vrachtschepen. Rond 1900 varen zo’n 5000 houten vissersschepen op de Noordzee, Zuiderzee en Zeeuwse wateren. Rond 1950 zijn naar schatting 40.000 kleine beroepsvaartuigen in gebruik, bijvoorbeeld bij veehouders, tuinders en rietsnijders.

Het enige vervoersmiddel

Tot 1850 zijn houten schepen eigenlijk het enige vervoersmiddel in de Lage Landen. Fatsoenlijke wegen ontbreken en water is er volop. In Twente bevaren zo’n 160 zompen de regionale rivieren. Alleen in Enter verdienen al 120 schippers de kost met transport over water tussen Twente en Zwolle. Daar worden goederen veelal overgeslagen op schepen naar Amsterdam, Sneek of Delfzijl. Je kunt het zo gek niet bedenken: van dakpannen en klompen tot Friese staartklokken en Bentheimer zandsteen, bestemd voor de bouw van het Koninklijk Paleis in Amsterdam. Eén schipper vaart zelfs de Zuiderzee over om een Amsterdamse klant met Pasen van eieren te voorzien. Helaas maakt windstilte dat hij pas na het feest arriveert...

Met de aanleg van verharde wegen en spoorlijnen breken vrachtwagens en treinen het monopolie van de vaartuigen. In de loop van de 20ste eeuw verdwijnt de houten vloot. In 1981 publiceert Schutten zijn boek ‘Varen waar geen water is’, over de scheepvaart op riviertjes ten oosten van de IJssel tussen 1300 en 1930. Koningin Beatrix, op bezoek in Enter, krijgt een exemplaar overhandigd en in de Twentse regio herleeft de interesse in die houten schepen.

Ze worden zelfs zo enthousiast dat ze weer zompen gaan bouwen en ermee gaan varen. Het eerste exemplaar, de Regt door Zee, wordt in 1986 in Rijssen te water gelaten. Gerrit Schutten ziet die opleving tevreden aan en geeft (bouw)advies als hem daarom wordt gevraagd. Hij is bescheiden, beweegt zich liefst op de achtergrond. Hij heeft zijn kennis gebundeld en is blij dat anderen er iets opbouwends mee doen. Zelf gaat hij noest verder met zijn studie naar de houten scheepvaart van de Lage Landen.

Juni 1980. Gerrit Schutten meet de resten op van de laatste zomp in Enter tijdens een tentoonstelling. Beeld uit het boek ‘Varen waar geen water is’

Schutten behoort niet tot het academische wereldje, doet zijn onderzoek geheel in eigen tijd. Toch is hij elke werkdag op de universiteit te vinden, want als afgestudeerd kernfysicus wordt hij stralingsveiligheidsadviseur aan de VU in Amsterdam, later de Rijksuniversiteit Groningen. Hij ziet erop toe dat binnen de universiteit veilig wordt gewerkt met radio­actieve straling.

Hij geeft cursussen, waarvoor hij het lesmateriaal mede ontwikkelt. Schutten, als stralingsexpert hoog gekwalificeerd, is integer en staat voor zijn zaak. Hij blijft altijd keurig en netjes, maar zegt het wel duidelijk als hij het ergens niet mee eens is. Dat maakt het werk niet altijd even makkelijk. “Gerrit hield van hard werken, maar niet van gekonkel”, zegt zijn vrouw Niesje.

Boom van een kerel

Hij leert zijn echtgenote pas kennen rond zijn veertigste. Zij is gescheiden en heeft dan al een zoon en vier dochters, die hij opvoedt alsof het zijn eigen kroost is. Ze trouwen en krijgen samen nog een zoon. Schutten is een boom van een kerel, die altijd klaar staat voor zijn vrouw en kinderen. Hij steekt duizenden uren in zijn hobby, die een welkom tegenwicht biedt aan zijn werk. Maar als hij gaat schrijven of tekenen, doet hij dat altijd thuis aan de keukentafel, zodat hij in elk geval fysiek bij zijn gezin is.

Hij is een denker, wiens hoofd nooit stilstaat. Als zijn botenstudie is afgerond en de boeken zijn geschreven, stort hij zich op de ontstaansgeschiedenis van het Reggedal. Ook daarvoor pleegt hij veel onderzoek, vooral geologisch en archeologisch. Opnieuw gaat hij tot het gaatje, onverstoorbaar.

Na tien jaar heeft Schutten zijn studie bijna afgerond, wanneer hij met de fiets ten val komt en zijn bekken breekt. Er volgt een jaar vol fysieke en medische tegenslag, eindigend met zijn overlijden. Hij laat een geweldig werk na, waarvoor hij is geridderd, maar Schutten was nooit klaar. Op zijn rouwkaart staat: Hij wilde nog zo veel!

Gerrit (Jan) Schutten werd op 3 september 1938 geboren in Nijverdal. Hij overleed op 6 juli 2019 in Zutphen.

In Naschrift beschrijft Trouw het leven van onlangs overleden bekende en minder bekende mensen. Een tip voor Naschrift? Mail naar naschrift@trouw.nl.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden