Hongaars vluchtelingenkind

Een Hongaarse die zich in Nederland meer thuis ging voelen

Julia Ösze met haar zoons Laszlo en Jozsef, 1982

Vanwege armoede en hongersnood in Hongarije na de Eerste Wereldoorlog organiseerden de Nederlandse kerken honderd jaar geleden een hulpactie voor ondervoede Hongaarse kinderen. Nederland werd voor velen hun tweede vaderland. Julia Ösze was één van hen. Een reconstructie van een leven.

Twaalf was ze, maar Julia Ösze was zo klein en ondervoed toen ze in 1923 in Nederland arriveerde dat haar pleegouders haar acht schatten. Ze was een van vele duizenden Hongaarse kinderen die kort na de Eerste Wereldoorlog met een speciale kindertrein naar Nederland kwamen om op krachten te komen. De bedoeling was een paar maanden, maar voor Julia en voor duizenden anderen werd dat het grootste deel van hun leven­­.

Haast honderd zou ze worden, een kleine eeuw die getekend werd door twee wereldoorlogen, heimwee naar Nederland, een communistische machtsgreep en een vlucht voor de Russen. Toen ik haar enkele jaren voor haar dood bij haar jongste zoon in Hongarije ontmoette, wist ze er prachtig over te vertellen. Haar drie kinderen zouden er later hun eigen verhalen aan toevoegen.

Ze kwam uit een verscheurd land. Samen met bondgenoten Duitsland, Oostenrijk en Turkije had Hongarije de Eerste Wereldoorlog verloren en daarvoor was het zwaar gestraft. Bij de onderhandelingen in Versailles was het twee derde van zijn grondgebied kwijtgeraakt. Zo’n 420.000 Hongaren uit de verloren gebieden lieten alles in de steek en trokken berooid naar het moederland.

Ook Julia’s familie had grond verloren. Bovendien was haar vader gesneuveld en om haar kinderen te kunnen voeden, werd haar moeder vroedvrouw. Bij gebrek aan een oppas stuurde ze haar oudste dochter naar Nederland en bracht ze Julia en haar twee broers onder bij pleegouders.

Het boerengezin waar Julia terechtkwam, behandelde haar zo slecht dat haar moeder haar weer naar huis haalde. Opvang had ze nog steeds niet en als ze moest werken, werd het meisje in het ziekenhuis achter een gordijn of in een kast verstopt. Toen de kans kwam om haar ook naar Nederland te sturen, was dat dan ook zeer welkom.

Een hervormde familie

De kindertreinen werden georganiseerd door de Nederlandse kerken. Omdat haar moeder lid was van de Pinkstergemeente, kwam Julia terecht bij een hervormde familie in Alphen aan de Rijn. Ditmaal waren het aardige pleegouders.

Officieel mochten de Hongaartjes drie maanden blijven, maar haar pleegouders voelden er weinig voor haar terug­­ te sturen, een onzekere Hongaarse toekomst in. Ze waren niet de enigen: naar schatting tien procent van de kinderen bleef, iets wat de overheid oogluikend accepteerde.

Op haar zestiende zocht Julia een dienstje, eerst als poetshulp, maar dankzij het nodige doorzettingsvermogen wist ze zich op te werken tot kok bij een gegoede familie waar ze als sollicitatie een reerug moest bereiden. Ze had geen idee hoe dat moest, maar koken kon ze wel en het recept dat ze in een kookboek had opgezocht, voldeed duidelijk, want ze kreeg de baan.

Heel af en toe ging ze voor familiebezoek naar Hongarije, maar heimwee bracht haar altijd terug. Nederland was haar thuis en zonder de Tweede Wereldoorlog zou dat waarschijnlijk niet zijn veranderd.

Julia's broers moesten naar het front

Hongarije, dat Hitlers wrok over de verdragen van Versailles deelde, ging als bondgenoot van Duitsland de oorlog in. Toen Duitsland in 1941 de aanval op Rusland inzette, werd ook het Hongaarse leger gemobiliseerd. Julia’s broers moesten naar het front en daarom stuurde haar moeder haar een brief: als ze hen nog een keer wilde zien, moest ze nu komen.

Familiereizen waren ongebruikelijk in oorlogstijd, maar Julia kreeg van de Duitse autoriteiten toch toestemming om naar Boedapest te gaan. Die kwam wel met een waarschuwing: een retourtje Nederland kon ze vergeten. Desondanks ging ze, samen met een ander meisje.

Eenmaal in Boedapest bleek er nog een reden om haar naar Hongarije te halen. Ze was 31, en haar moeder maakte zich zorgen, omdat ze nog steeds ongetrouwd was. “Dat kon niet, op mijn leeftijd. En ze wist een geschikte man voor me”, vertelde ze vele jaren later.

Zo kwam schoenmaker József Takács in Julia’s leven. Het klikte zo goed dat ze korte tijd later ‘nee’ zei op de vraag of ze niet toch terug naar Nederland wilde. De vriendin met wie ze samen naar Hongarije was gereisd, was erin geslaagd om via een paar Duitse officieren­­ de nodige papieren krijgen, maar Julia – inmiddels zwanger – ging trouwen. Enkele maanden later werd haar oudste zoon Józsi geboren en betrok het jonge gezin een kleine kelder-woning­­ in Boedapest.

Begin april 1944 bereikte de oorlog de Hongaarse hoofdstad. Telkens als het luchtalarm afging, barstte Józsi in huilen uit en samen met Julia’s moeder vonden ze veilig onderdak op het platteland. Daar, in een klein dorp, hielp oma als vroedvrouw bij de geboorte van Julia’s tweede zoon, László.

Julia in Judenau.

Haar heimwee naar Nederland bleef knagen en toen de vrede eenmaal getekend was, wilde ze niets liever dan terug naar wat voor haar ‘thuis’ was. Gezien de Russische bezetting was dat een zeer begrijpelijke wens, maar József had andere ideeën.

Samen met een compagnon runde hij een orthopedische schoenmakerij waar rond 1947 enkele tientallen mensen werkten. Józsi herinnert zich het personeelskerstfeest van dat jaar met lange tafels volgeladen met salami en paprikaworst en een lang gedicht dat hij moest opzeggen.

Nog geen jaar later grepen de communisten de volledige macht. In sneltreinvaart werd een einde gemaakt aan politieke vrijheid en privaat ondernemerschap. Zijn compagnon zag de bui hangen en wilde weg, maar József weigerde nog steeds om te vertrekken. Uiteindelijk splitsten ze de boedel: József hield het bedrijf, zijn partner kreeg het geld. Korte tijd later nationaliseerden de communisten privébedrijven en was hij alles kwijt.

Op je hoede voor verklikkers

Hongarije kwam onder een stalinistische communistische dictatuur, waarin veel moest en vrijwel niets mocht en waar je altijd op je hoede moest zijn voor verklikkers. Dat merkten Julia en József toen ze, omdat de winkels vrijwel leeg waren, voor Kerstmis een varken wilden slachten.

Ze hadden inmiddels drie kinderen en één kamer in een vierkamerhuis in Zugló­­, een landelijke buitenwijk van Boedapest. In de tuin liepen kippen en stond als gezamenlijke wc een houten hok met een plank als wc-bril boven een gat in de grond. József werkte als portier in het militaire hospitaal, Julia als schoonmaakster.

De varkens leefden uit het zicht, in de kelder. Het kleinste van de twee was het geplande kerstmaal. Slachten zonder vergunning was streng verboden, maar slachten met vergunning kostte je de helft van het vlees als belasting. József nam de gok, maar werd verraden door een fervente communiste een paar huizen verderop. Het varken was hij kwijt, plus een forse boete.

Jaren later, in 1956, toen het er even op leek dat de Hongaren met succes in opstand waren gekomen tegen de Russische bezetting, namen László en Józsi wraak op de communistische verklikster. Ze had de benen genomen en de jongens, inmiddels twaalf en veertien jaar oud, roofden samen met wat buurjongens haar boeken om er op straat een vreugdevuur van te stoken.

Alsnog naar Nederland

Dat bleek wat voorbarig. Luttele dagen later stuurde Moskou verse troepen naar Hongarije die de opstand moesten neerslaan. De soldaten en volksmilities die Boedapest probeerden te verdedigen, vochten dagenlang, maar tegen de overmacht van Russische tanks konden ze niet op.

Een buurman spoorde László en Józsi aan om hun huis ‘tegen de Russen te verdedigen’ en dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Het toeval wilde dat ze in de bosjes een paar geladen geweren vonden die vluchtende militieleden hadden gedumpt. Ze waren net bezig de wapens nader te onderzoeken toen József thuiskwam. “Hij viel haast flauw”, aldus Józsi.

Dat was niet alleen omdat József besefte­­ wat geladen geweren konden aanrichten. Als portier van het militaire hospitaal wist hij dat de strijd tegen de Russen zo goed als zeker verloren was en dat de wapens de familie in een gevaarlijk parket brachten. Het werd tijd, besloot hij, om alsnog de wens van zijn vrouw te vervullen: naar Nederland gaan.

De wapens werden in de wc op het erf gedumpt en met een overvolle trein vol vluchtelingen reisde de familie naar de Oostenrijkse grens. Van een gewonde officier had József gehoord over een stuk grens waar dankzij een recente grenscorrectie met Oostenrijk nog geen mijnen lagen. Maar hij bleef zeer bezorgd over de kans om doodgeschoten of opgepakt te worden.

Zonder reden, want de oversteek verliep uiteindelijk zonder problemen, al herinnert Józsi zich sneeuw die zo hoog was dat zijn achtjarige zusje Ancsi af en toe helemaal verdween. Het geeft aan hoe bedrieglijk herinneringen kunnen zijn. Volgens Ancsi zelf was het gewoon novemberweer: koud, nat en modderig.

Dagelijks bij het spreekuur van de arts

Maar dat ze in Oostenrijk werden opgewacht en de ontvangst gastvrij was, daarover zijn de broers en hun zus het eens. In de weken na de mislukte opstand trokken ruim 200.000 Hongaren de grens over, en in eerste instantie leek de halve wereld bereid om hen ruimhartig te onthalen.

Zo verklaarde premier Willem Drees direct na de Russische inval dat Nederland duizend Hongaarse vluchtelingen zou opnemen. In de weken daarna werd zijn ruimhartigheid zuiniger: terwijl steeds duidelijker werd om welke enorme aantallen mensen het ging, verhoogde Nederland de toelating mondjesmaat naar 2500. Zelfs dat stuitte op de nodige protesten. Veel asielzoekers waren namelijk alleenstaande jonge mannen en mensen vreesden dat die een gevaar voor Nederlandse meisjes zouden worden.

Uiteindelijk werden 3500 Hongaren toegelaten, onder wie duizend die eigenlijk op doorreis waren naar hun definitieve gastland, Canada. Drees pleitte voor lokale opvang in Oostenrijk. In dat kader nam het Nederlandse Rode Kruis de verzorging van het vluchtelingenkamp in het kasteel van Judenau op zich, waar ook de familie Takacs terecht was gekomen. Daar bleek Julia’s kennis van de Nederlandse taal onmisbaar. Al snel zat ze dagelijks bij het spreekuur van de arts te vertalen.

Tegen de tijd dat de familie uit Judenau kon vertrekken, nam Nederland geen Hongaren meer op. Ze konden naar Amerika, wat Julia absoluut niet wilde. Gelukkig had ze inmiddels goede contacten bij het Rode Kruis en de toenmalige directrice bracht haar in contact met de Loudons, een rijke ondernemersfamilie uit Aerdenhout die op hun landgoed wel een tuinman en een huishoudster konden gebruiken.

Julia aan het werk als tolk.

De van huis uit adellijke mevrouw Loudon was goed bevriend met het hof en wist via koningin Juliana persoonlijk een vergunning te regelen waarmee Julia­­’s familie naar Nederland kon komen, officieel niet als vluchtelingen, maar als broodnodig personeel.

Ze werden ondergebracht in een zeventiende-eeuwse schuilkerk op het landgoed. Als een van de eerste rijksmonumenten was het gebouw eigenlijk niet voor bewoning bestemd. Maar ondanks gebrek aan stromend water, elektriciteit en gas voelden de grote woonkamer en de slaapkamers op zolder als luxe na de ene kamer in Boedapest en de slaapzaal in het vluchtelingenkamp. József, die zich altijd tegen de verhuizing had verzet, meende uiteindelijk zelfs dat Nederland nog beter was dan zijn vrouw had verteld.

Hij kon er maar kort van genieten, want luttele jaren na de vlucht stierf hij totaal onverwacht. Julia, die 98 jaar oud zou worden, bleef de rest van haar leven in Nederland. Zoon László, die eind jaren tachtig naar Hongarije verhuisde en na de val van het communisme in 1990 zelfs enkele jaren burgemeester van het dorpje Legénd was, probeerde weliswaar haar over te halen daar te komen wonen, maar naar Hongarije verhuizen? Dat had ze nooit gewild en daar voelde ze nog steeds niets voor.

Lees ook:

Hoe Roos (9) met haar twee zusjes de Hongerwinter overleefde

De zusjes Roos, Magda en Clara Bazuijnen waren 9, 8 en 5 jaar oud toen ze in de herfst van 1942 alleen achterbleven in hun woonhuis in Rotterdam. Hun beide ouders waren door de Duitsers opgepakt. Drie jaar lang overleefden deze kinderen samen de oorlog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden