null

EssayGerbrand Bakker

‘Drinken potten soms lesbische thee?’ Jonge homo's zijn veel te druk met hun identiteit, vindt Gerbrand Bakker

Beeld Brechtje Rood

Wat zijn al die jonge homoseksuelen druk met hun zoektocht naar hun identiteit, vindt Gerbrand Bakker. Terwijl homo- of pot-zijn niet veel meer betekent dan seks willen met iemand van hetzelfde geslacht.

Mij blijft de opmerking van Joke Swiebel uit de documentaireserie De roze revolutie van Michiel van Erp bij, op de vraag van Van Erp wat zij nou vindt van al die letters om verschillende identiteiten mee weer te geven: “Ach, hou toch op. Als ik een kopje thee drink, drink ik toch zeker geen lesbisch kopje thee.” Swiebel, voormalig politica en in voorbije jaren voorvechtster van homorechten, zei daarmee dat er wellicht een grens bereikt is. Of misschien wel dat een bepaalde grens al is overschreden.

Het komt mij voor dat in het kielzog van #MeToo en #BlackLivesMatter en vast nog een aantal andere inhaalslagen het hele homogebeuren opnieuw uitgevonden dient te worden, waarin het homo-zijn veel meer een identiteit dan een wezenskenmerk is, met als lichtend voorbeeld het vorig jaar verschenen boek Confettiregen van Splinter Chabot, dat ook nog eens, zo maakte de eerder genoemde Michiel van Erp onlangs bekend, verfilmd gaat worden. En door die hippe verschuiving van wezen naar identiteit worden feitelijk jaren en jaren van homo-emancipatie (wat een vreselijk woord is dat toch) teniet gedaan.

Homo-zijn als een identiteit

Om even terug te komen op het boek van Chabot: ergens vorig jaar, in een of ander praatprogramma, ik meen dat het M was, zat een groepje mensen dat het boek gelezen had samen met de schrijver. Eén van de lezers was een man van 54 die verkondigde dat hij had moeten huilen en dat het boek hem had herinnerd aan zijn ‘eigen wond’ en dat hij fervent reclame zou gaan maken voor het boek. Ik zag en hoorde het aan en vroeg me verbijsterd af onder welke steen die man zijn hele leven geleefd had. Chabot zelf, die ik al kende als politiek analist van de tv (hij was ooit voorman van de jongerenafdeling van de VVD), die in feite op jonge leeftijd al een carrière had, is na het verschijnen van zijn boek min of meer homo van beroep geworden, met een eigen talkshow. Hij is de belichaming geworden van die opvallende verschuiving van homo-zijn als onderdeel van je wezen naar homo-zijn als identiteit.

Ik ken eigenlijk maar één andere beroeps­homo: Martien Meiland. Ironisch genoeg kwam die er pas achter (lees: gaf hij er aan toe) toen hij al ergens in de veertig was en staat er in het boek dat over hem verschenen is dat hij de Gay Pride haat. “Zo belachelijk dat dat bestaat. En dan die gekke mannen die dan met leren veters door de billen op zo’n boot staan dansen…” Zijn vrouw Erica, zo laat ze optekenen, ‘vindt alleen normale homo’s leuk’. Dan kan je mij opvegen. Ja, het is alsof alles opnieuw geregeld en uitgevonden dient te worden. In genoemde documentaireserie van Van Erp neemt hij “vanuit persoonlijke verwondering de historie van de lhbtiq-beweging onder de loep”. Wie het gemist heeft, kan hem terugkijken via 2doc.nl. Naast die opmerking van Joke Swiebel viel mij vooral de nuchterheid bij de oudere geïnterviewden op, en de bijna-opstandigheid van de jongeren, die zich ‘identificeerden als’ en dan volgde één van de letters in het seksuele-spectrumalfabet.

Daar had je het weer: identificeren – identiteit. Het is bij die jongeren niet langer een onderdeel van hun wezen – zoals heteroseksualiteit voor anderen onderdeel van hun wezen is – maar het ís hun identiteit. Eentje slaagde er zelfs in het oeroude cliché van stal te halen dat ‘hetero’s toch ook niet uit de kast hoeven te komen?’ Tja, denk ik dan, als je consequent wilt zijn, dan doe jij dat óók niet en duik je gewoon lekker het bed in met je vriendje of vriendinnetje. Want veel meer of minder is het niet, homo- of pot-zijn: je wilt seks hebben met iemand van het gelijke geslacht. Maar die opmerking is ondenkbaar zwart-wit, bijna bruut, in deze tijd waarin alles en iedereen schreeuwt om erkenning en respect.

Balletten over gelijkgeslachtelijke liefde

In 1946 werd de Shakespeareclub opgericht, de voorloper van het COC. Al 75 jaar aandacht, advies en belangenbehartiging voor homo’s (m/v). Duizenden en duizenden boeken, films, toneelstukken, balletten over gelijkgeslachtelijke liefde. Albert Mol, Henk Molenberg, Jos Brink, Benno Premsela, Jaap Harten, Gerda Verburg, Arthur Japin, Gerard Joling, Kajsa Ollongren.

En ja, ik begrijp ook dat het voor een individu altijd iets ‘nieuws’ is, iets om te ontdekken, iets om te verhapstukken. Maar mij ergert die opeising van het respecteren van die identiteit nogal. Tegelijkertijd houdt die een, wellicht onbewuste, veronachtzaming in van al dat pionierswerk dat gratis en voor niets voorhanden is. Waar je van kan leren, waar je je in kunt verdiepen, waar je onderzoek naar kunt doen. Vergelijkbaar was vorig jaar het overlijden van Chadwick Boseman, een zwarte acteur. Overal las je dat hij ervoor gezorgd had dat de ‘zwarte acteur’ nu op de kaart stond, dat hij wegbereider en rolmodel was, dat jonge zwarte mensen door hem nu ook een kans hadden in de filmwereld. Wacht eens even, dacht ik toen, wat zullen Morgan Freeman, Danny Glover, Denzel Washington, Forest Whitaker, Will Smith, Samuel L. Jackson, en potdrie Sidney Poitier hiervan denken? Die werden collectief ‘even’ vergeten. En dan heb ik nog uitsluitend mannelijke zwarte acteurs opgesomd.

null Beeld Brechtje Rood
Beeld Brechtje Rood

Onlangs zag ik een nieuw woord voorbijkomen op Twitter. Het was rondom de rel met Sidney Smeets. ‘Slachtoffernichtje’. Ik moest er eerst om lachen – en nee, dat mag natuurlijk niet want het is een denigrerende omschrijving, maar toch kon ik het niet laten – maar later zag ik ook de treurigheid ervan in. Een slachtoffernichtje was in dit specifieke geval elk ‘nieuw slachtoffer’ dat zich via social media meldde als eveneens lastig gevallen door Smeets. En dat was het ook: lastig gevallen, ze waren niet aangerand of verkracht door Smeets, hooguit was er tijdens een restaurantbezoek sprake geweest van ‘voetjevrijen’ en dat was toch wel, bij nader inzien, en gevoed door vele likes, en in het licht van eventueel ‘machtsmisbruik’, licht traumatiserend geweest. (Het Parool wist overigens te melden dat er in een enkel geval mogelijk toch ‘ergere’ dingen waren gebeurd, met wederzijds goedvinden, maar dat er achteraf bij het slachtoffer een ‘akelig gevoel’ was ontstaan.)

Ik had hormonen met aandrang

Ik dacht terug aan de tijd dat ik 16, 17, 18 was. Ik was me zeer bewust van mijn lichaam, ik wilde naar bed met deze en degene, ik zag overal mooie mannenhanden, behaarde benen, ik had hormonen met aandrang en het had me geen moer kunnen schelen of iemand macht over me had, ik verlangde hevig naar ten minste waar dan ook voetjevrijen met wie dan ook. Natuurlijk, dat kan komen door een verschil in aard en inborst tussen mij, toen, en de zogenaamde slachtoffernichtjes van tegenwoordig, maar dat lijkt me geen afdoende verklaring.

En dit alles speelt zich af in een wereld die parallel loopt aan de mijne. Die is vol van mannen- en vrouwenstellen, soms al vijftig jaar bij elkaar, samenwonend, getrouwd, met een baan of al gepensioneerd. Alle oudere deelnemers aan Van Erps documentaire, die zo fijn nuchter waren, behoren tot deze groep. Ze gaan zwemmen of wielrennen, ze bezoeken musea, ze lachen of huilen, ze onderhouden een tuin, hun moeder gaat dood, sommigen hebben kinderen. Ze drinken de hele dag door kopjes thee of koffie of een glas wijn en dat zijn geen homoseksuele kopjes koffie of thee, geen gay wijn. Kortom, het zijn mensen die gewoon een dagelijks leven leiden. Waarin homoseksualiteit niet hun identiteit is maar hun wezen. Je ziet ze overal. Het zijn schrijvers of tegelzetters, zorgmedewerkers, hoveniers, directeuren van een papierfabriek, ministers van binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties.

Waarom gaat die parallelle wereld vol mensen die ooit maar ook nu nog deel uitmaakten van hun geschiedenis, die deels zelfs gevormd hebben, aan de jonge homoseksuelen van tegenwoordig voorbij? Nou ja, omdat ze alleen maar met zichzelf bezig zijn, wellicht omdat al die ‘oudere homo’s’ niet actief zijn op Twitter, wellicht of waarschijnlijk omdat ze door datzelfde Twitter zo gevoed worden in hun ‘kwetsbare zoektocht’ naar hun identiteit. ‘Wat ben je dapper!’ krijgen ze te lezen nadat ze hebben aangeven ooit een sms’je te hebben ontvangen van mensen zoals Sidney Smeets, of een foto plaatsen waarop ze te zien zijn op de tribune bij een voetbalwedstrijd tussen Ajax en AZ.

Een zelfgekozen slachtofferschap

O ja? Ben je dan dapper? Ik zou denken dat je dan in een virtuele wereld leeft die het zicht op het werkelijke leven volkomen ontneemt. Ik zou, vergeef me de bruutheid van mijn woorden, mijn lul of mijn kut achterna lopen als ik 18 was. Voor je het weet, lukt dat wegens ouderdom of ander lichamelijk ongemak niet meer. Maar goed, dat komt dan ook doordat ik mijn homoseksualiteit als onderdeel van mijn wezen zie en zeker niet als mijn identiteit. Als je van iets wat een onderdeel van je wezen is je identiteit maakt, en je in die identiteit wordt gekrenkt, niet serieus genomen, dan ben je inderdaad een ‘slachtoffer’. Maar dat is dan wel een zelfgekozen slachtofferschap.

En dat is het ideale moment om weer eens aan good old Joke Swiebel te denken. Want kun je het strikt gezien oneens zijn met haar? Kopjes lesbische thee bestaan nu eenmaal niet.

Wie is Gerbrand Bakker?

Gerbrand Bakker (1962) is schrijver, hovenier en columnist. Hij debuteerde in 2006 met Boven is het stil. Vorig jaar verscheen Knecht, alleen, over zijn depressie en zijn liefdesleven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden