ColumnRenske Jonkman

Die hele mondkapjeskwestie gaat natuurlijk over de vraag waar je nog vrij kunt ademhalen

Het is Rutte’s dringende advies een mondkapje te dragen in de publieke binnenruimtes, en “overal waar je de hemel niet ziet”.

In de hemel boven onze polder hangen de massieve uier- en bloemkoolwolken ­boven de Oostdijk, die gedurende de dag ­verkleuren van lichtgrijs naar donkergrijs en terug. Soms is er weerlicht boven zee.

De vliegtuigen zijn nog niet terug, de ganzen wel.

In de eenzame buitenruimte is zo’n mondkapje compleet overbodig, daar heeft Rutte gelijk in. Wel heb ik voor de zekerheid één exemplaar weggemoffeld in de zak van mijn nette jas: een niet erg ­warme mantel uit Parijs, camelkleurig en ronduit onpraktisch op het platteland – de wind waait er dwárs doorheen – maar fraai voor die sporadische keer dat ik weer eens in de stad ben.

Hoe dan ook, die hele mondkapjeskwestie gaat natuurlijk over de vraag wáár je nog vrij kunt ademhalen. En nu is het platteland eens in het voordeel.

Architect Rem Koolhaas hield onlangs een stevig pleidooi voor het platteland. In de tentoonstelling Countryside, The Future in het Guggenheim Museum in New York wil hij een genuanceerder beeld geven van het leven buiten de stad (een grote tractor stond voor de deur geparkeerd). Koolhaas bleek ongerust te zijn door z’n “eigen onwetendheid over zo’n gigantisch gebied op de wereld”. Volgens hem is domweg niet naar het platteland omgekeken.

De Verenigde Naties voorspellen dat in 2050 nog maar 20 procent van de bevolking in het buitengebied woont. Om een beetje een beeld te geven: het platteland beslaat zo’n 98 procent van het aardoppervlak, de overige 2 procent bestaat uit steden.

Koolhaas stelde dat de stadsbubbel zelfvoorzienend zou kúnnen zijn

Waarom zou die 20 procent van de bevolking de mensen moeten onderhouden in de steden? Koolhaas stelde in deze krant dat die hele stadsbubbel zelfvoorzienend zou kúnnen zijn: door urban farming, door grote pakhuizen aan de rand van het centrum te plaatsen, met paars licht waarin je blaadjes sla en wat tomaten kunt verbouwen. “Als straks 80 procent van de ­mensen in de stad woont, zouden we de rest ook wild kunnen laten”, zegt hij.

De rest, dat ben ik. Als wilde zal ik zo zoetjesaan in het reservaat verdwijnen, zo stel ik me dat voor. Ook tijdens de eerste golf van de pandemie kwamen onze stedelijke vrienden ineens enthousiast het reservaat binnengereden. Avondenlang zaten we bij het kampvuur, stomdronken onder de donkere sterrenhemel. 

In Op zoek naar de verloren tijd van Proust, zei meneer Legradin tegen Marcel: “Ik heb in mijn huis natuurlijk alle moge­lijke overbodige dingen. Alleen het noodzakelijke ontbreekt, een groot stuk hemel ­zoals hier. Probeer altijd een stuk hemel ­boven je leven te houden, jochie.”

Maar na die kampvuuravonden bleek een relatie op de klippen te zijn gelopen. En het zeer selecte groepje schrijvers dat wilde langskomen, deed dat nooit. Niet iedereen is bestand tegen de eenzame buitenruimte.

Renske Jonkman schrijft over haar leven op het platteland, tussen boeren en natuurbeschermers. Lees haar columns hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden