FamiliegeschiedenisMislukte Gooise vrouw

De neergang van een Gooise vrouw

Als Gooise vrouw in het rijke Bussum en Baarn kwam Marie Reijse (1870-1961) meer tot haar recht dan in de straatarme Amsterdamse Jordaan. Tot haar frustratie eindigde ze tussen de mensen op wie ze neerkeek.

Het bedenkelijke voorrecht van niet al te sympathieke mensen is dat hun herinnering lang blijft hangen. Zo maakte ik, lang na haar dood, kennis met mijn overgrootmoeder Marie. Oma’s heetten in mijn jeugd oemoe, en zij was de on-oemoeste aller oma’s. Ze sprak netjes Nederlands, commandeerde alles en iedereen en werd anders dan alle vrouwen die ik kende, met ‘mevrouw’ aangesproken.

Het waren, begrijp ik nu, haar slechte jaren, die ze sleet tussen haar familie van vissers en boeren. Hoe anders zag haar leven eruit toen ze nog in het Gooi woonde. Daar vierde ze haar vrouwentriomf.

Heere, houd mij klein!

In een blauwgewolkt kistje vond ik een stapeltje brieven van haar eerste man, Maarten, een begaafde bakkerszoon van Texel die – zeer ongebruikelijk toen – had mogen doorleren. Hij was de belichaming van het gereformeerde emancipatie-ideaal van de late negentiende eeuw, orthodox en ambitieus. Het leren ging hem zo goed af dat hij zichzelf betrapte op hoogmoed. ‘Heere, houd mij klein!’, schreef hij in 1888.

Maarten vestigde zich in Amsterdam, de stad waar Multatuli toen zijn roman ‘Woutertje Pieterse’ publiceerde. Door de hele kosmos in kaart te brengen schetste Multatuli daarin een hilarisch beeld van de verstarde, ingewikkelde standenmaatschappij, met bovenin God en onderin de oester. Een heel eind afgedaald richting die oester bevindt zich ‘Burgerklasse III’. Deze keurige mensen hebben een ‘meid’, de dochtertjes heten ‘Lena, Maria of en soms, – maar zelden – Louise’.

De pus kwam eruit: het Palingoproer

Maria en Louise kwamen me bekend voor. Het zijn de doopnamen die mijn overgrootmoeder Marie had meegekregen, in 1870. Haar roepnaam ‘Marietje’ hoorde bij de laag net onder Burgerklasse III; het gezin woonde in de Jordaan. Dat was de slechtste buurt van de hoofdstad, een Hades van vochtige kelderwoningen, armoe en stinkende grachten. En van etterend protest.

De pus kwam eruit in 1886 ‘na relletjes met palingtrekke’ (Thijsse). Het Palingoproer kost­te 26 levens. Eén dode viel vlak bij Marie’s geboortehuis, een jongen die met een rode vlag had gezwaaid. De opstootjes hadden socialistische trekken. Marie kwam uit een protestants Oranjeklantennest.

Gelukkig woonde het gezin inmiddels in een betere buurt. Marie was ontkomen aan de kansloze Jordaan. Ze wist zeker dat ze nooit meer Marietje uit de Eerste Boomdwarsstraat zou zijn. Ze bleef weg van het gemene volk dat naar ontlasting en rotte vis stonk en van misère de hand ophield bij de armen­zorg, van vrou­wen die hun kost bij elkaar sjacheren. Zíj zou uitkomen nog boven Burgerklasse III, die droom kon geen viswijf haar uit het hoofd brullen. Marietje wilde ‘mevrouw’ worden.

In 1885 slaat ze – vijftien nog maar – Maarten aan de haak, in de kerk om de hoek. Hij is 19 en haar toegangsbewijs naar een beter leven. Ze besluit haar volkse roepnaam wat te versjieken en vraagt Maarten haar als Maria aan te spreken, maar voor de buitenwereld blijft ze

Marie. Na zeven jaar trouwt ze met Maarten, die haar dan goed kan onderhouden.

Maarten is leraar op de Gereformeerde Kweekschool in Amsterdam, een aanstelling waar hij niet op had durven rekenen, hij was nog zo jong. Trots mocht hij niet wezen, schreef hij zijn ouders, ‘De Heere beware mij voor de zonde der zelfverheffing’.

In haar fotoalbum bewaart Marie beelden waar de zegen op zijn arbeid is af te lezen. Nu het salaris van Maarten jaarlijks met sprongen groeit, kan hij haar net voor de eeuwwisseling in een prachtige jurk laten vereeuwigen door de ‘hofphotograaph’ – het mocht wat kosten.

Op een foto uit de zomer van 1906 staan Marie en het kindermeisje bij haar kinderen. Alles ademt de chic waar Marie zo van gedroomd had. Hier zien we een jong heertje en een juffertje die de optimistische nieuwe eeuw in mogen, godvruchtig en welvarend, ze hoeven hun brood niet meer te verdienen in het zweet huns aanschijns.

Marie en Maarten zijn gegoede gereformeerden geworden. Ze kleden zich smaakvol, hij draagt een lorgnet, zij modische hoeden, het gaat ze zichtbaar naar den vleze.

Samen verhuizen ze naar booming Bussum, dat door de komst van een spoorlijn uit zijn voegen barst. Binnen het dorp verhuizen ze geregeld, naar steeds mooiere huizen. Dan betrekken ze een statig, nagelnieuw pand, waar Ma­rie’s geboortehuis wel zeven keer in past.

In Bussum beijvert Maarten zich ’s avonds voor het oprichten van een School met den Bijbel. Overdag forenst hij zoals veel nieuwe Bussumers tussen het Gooi en de hoofdstad.

Daar rijst zijn ster in de gereformeerde zuil die zich na de Doleantie (1886) vormde. Als secretaris van de Vereniging van Christelijk Nationaal Schoolonderwijs vergadert hij met de gro­te namen uit het gereformeerde pantheon – Kuyper, Woltjer, Hovy, Van Eeghen.

De wilde vrouwen in het bos

Maartens zus maakt zich zorgen over zijn werkdrift, Maarten zelf heeft een andere zorg. Hij biecht zijn ouders op dat er ‘denkbeelden’ door zijn hoofd dwarrelen met hem als hoofdpersoon – Maarten als de oudtestamentische egodromer Jozef. En Marie? Zij is er de vrouw niet naar haar man af te remmen, ze voelt alleen de roem die op haar afstraalt. Als ze ’s avonds gaan wandelen, dan geeft het moderne, ruisende gaslicht hun leven extra gloed.

Op zondagmiddag kuiert het gezin door Bussum. Het boerendorp heeft inmiddels wat vil­la’s zien verrijzen, zoals Berlage’s boerderij­-villaatje voor dichter Herman Gorter, in alles een tegenstrever van Maarten en Marie: oprichter van de CPN en godloochenaar. Er wo­nen meer van zulke types – de bekendste is de socialist en schrijver Frederik van Eeden.

Wandelend waarschuwt Marie hun zoontje voor ‘de wilde vrouwen in het bos’. Het zoontje – mijn opa – wist het zeventig jaar later nóg, dat was het onzedelijk volk van Van Eedens commune Walden. 

Marie had volgens de gefluisterde familie­-­overlevering een afkeer van de echtelijke omgang, wat haar bescheiden kindertal kan verklaren. Geboortebeperking was in die kringen uitgesloten. Bovendien was Maarten altijd maar aan het werk.

Een weduwe in Het Gooi

In maart 1913 volgt hij de directeur van de kweekschool op – en dan wordt hij acuut ‘op het ziekbed geworpen’. Kanker. Na de zomer sterft hij, een week voor zijn 47ste verjaardag. Op zijn zerk staat dat Maarten ‘Directeur der Gereformeerde Kweekschool te Amsterdam’ was. Dat klopte – maar hij had die functie welgeteld één dag uitgeoefend.

Marie stond er nu alleen voor. Met een weduwenpensioentje en wat ‘suppletie’ van de kerk redde ze het net in het Gooi, maar na een paar jaar moest ze in arren moede aankloppen bij haar agrarische schoonfamilie op Texel. Haar twee kinderen, die de brille van hun vader misten, waren daar al ondergebracht op boerderijen, haar zoon was er knecht. Ver beneden Marie’s stand.

Gelukkig voor haar wist ze te ontkomen aan het eiland. Uit haar Gooise jaren kende ze Louis nog, een bovenmeester uit Baarn, een paar treinhaltes van Bussum. Hij had net zijn vrouw verloren. Marie verzachtte al na een half jaar de weduwnaarspijn van Louis, die twintig jaar ouder was dan zij; hij had haar vader kunnen zijn. Het Stichtse dorp ‘meesmuilde over de man met één been in het graf’, aldus zijn volwassen zonen.

Louis verdedigde zich voor zijn snelle verkering onder verwijzing naar de Heere die in een nieuwe vrouw had voorzien, en naar zijn libido. De nazaten walgden ervan en vroegen zich af ‘of vader niet eens aan de eindigheid van het menselijk bestaan zou moeten denken’. Ook Marie moest wat wegslikken. Toch bracht ze het huwelijksoffer – het was de prijs voor haar herwonnen status.

In een levensschets van Louis figureert Ma­rie natuurlijk ook, maar onder een andere naam: Louise. Dat was haar tweede doopnaam. Die paste mooi bij die van haar tweede man, en bij diens francofiele aard. Hij schreef zijn kinderen brieven in het Frans en dikte zijn voorgeslacht tot iets roemruchts aan.

Kers op de Baarnse burgertaart: een dienstmeid, geheel volgens de eisen van Woutertje Pieterse. Die moest in vol ornaat over straat, zodat iedereen wist dat ze een meid hadden – maar warm water konden ze zich in het prachtige huis niet permitteren.

'Moeder’ werd ze voor de stiefkinderen nooit

Andere gegoede Gooise dames hielden zich onledig met kunst en liefdadigheid, maar daar is Marie alias Louise nooit op betrapt. Ze deed wel haar best om voor het tweede gezin ‘mama’ te worden. Helaas ontzegden de volwassen kinderen haar die eretitel.

Marie legde eer in met haar stiefzoon, een befaamd zendeling en taalkundige. Maar ze geneerde zich voor haar eigen nakroost. Haar zoon, visserman van beroep, kreeg de instructie om te zeggen dat hij ‘in het scheepvaartwezen werkzaam’ was, of ‘reder’. Zo kon het er net mee door. Toch verliep het contact tussen Marie’s eerste en tweede gezin stroef.

In 1945 stierf ook Marie’s tweede man. Diens familie had er geen trek in haar te onderhouden, AOW bestond nog niet. Dus reisde Marie opnieuw noordwaarts, en nu voorgoed.

Altijd had haar die 19de-eeuwse angst achtervolgd om onderuit te gaan en te belanden ergens in de buurt van Multatuli’s oesters. Haar vrees werd nu een beetje bewaarheid, toen ze ging inwonen bij het gezin van haar zoon, in een dorp van oestervissers, waar vrouwen nooit ‘mevrouw’ heetten.

De lucht van het Texelse boerenland, de koemest op de akkers, de geur van haar zoon die na een week ongewassen aan boord z’n zak met oliegoed te wassen bracht – onverbiddelijk dacht Marie aan de stank van haar jeugd.

Ze deed uit de hoogte, wat iedereen zich liet welgevallen. Marie behandelde haar schoondochter als een dienstbode. “Oma vond ons te min”, zegt haar oudste kleindochter. “De dame liet zich als een prinses behandelen.”

Buiten droeg mevrouw een mantel en een hoed. 

Lees ook:

‘Wie het geluk niet vindt, is haast een loser’

Een van de intrigerendste bewoners van Bussum begin 20ste eeuw, was Frederik van Eeden. Hij stichtte er een commune, Walden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden