null

Lezersverhalen

De mooiste kerstherinneringen van lezers, toen kerst nog ‘gewoon’ was

Beeld Ilse van Kraaij

Voor het tweede jaar op rij zien de kerstdagen er anders uit, zonder grote familiebijeenkomsten of uitbundige nachtdiensten. Om de herinneringen aan kerst-als-vanouds niet te laten verbleken, vroegen we Trouw-lezers om verhalen over hun mooiste kerst. Uit de vele inzendingen selecteerde de redactie er twaalf.

Nico de Fijter

Matrassen
Wij hebben al jaren de kersttraditie om op kerstavond in de woonkamer te gaan slapen. Tegen een uur of vijf komen de kinderen en kleinkinderen bij ons thuis. Rond zeven uur ‘s avonds worden alle matrassen naar de woonkamer gesleept en zo neergelegd dat er een compleet matrasseneiland ontstaat. Iedereen trekt de pyjama aan en we kijken een door ons gezamenlijk gekozen tv-programma of film. Rond tien uur - de kleinsten worden moe, rode konen van de uitgesteld slaap en opwinding, ‘Nee nog niet slapen! Ik ben nog helemaal niet moe!’ - gaat het licht uit.

Waarna opa - zoals de traditie inmiddels betaamt - wat enge geluiden begint maken. De dochters roepen: ‘Pa-hap!’. De hond zoekt een plek bij diegene die het meeste plek over heeft, krult zich op en slaakt een tevreden zucht. Midden in de nacht huilt de jongste, speen kwijt. Iedereen zoeken, en ja hoor, gevonden, hij lag tussen de matrassen. Omdraaien en weer verder slapen. Er kruipt een kleinkind tegen me aan dat gearmd met me wil liggen. Ik word vroeg in de ochtend wakker en kijk genietend om mij heen. Allemaal van mij… Wat een bezit. Ik voel mij rijk en zo tevreden dat ik wel als een kat wil gaan spinnen. Ik zie dat het buiten licht begint te sneeuwen. Wat moet ik nog meer wensen? Langzaam wordt iedereen wakker en het rolt en dolt van de ene matras naar de andere. De hond kruipt wijs haar mand in en draait zich nog eens lekker om. ‘Gekke lui’, zie je haar denken.

Christel Bijenhof

Azc
Of ik naar het azc zou willen gaan om kennis te maken met Syrische vluchtelingen die christen waren. Ze woonden sinds tien dagen in onze stad. Spannend als ik het vond, waagde ik toch die stap en ik ging. Kerstmis zou over tien dagen gevierd worden. Met hen, hoe en waar dan?

Ik zocht een kerk in de buurt waar we naartoe zouden kunnen lopen en een priester die bereid zou zijn hen te ontvangen. Binnen de groep werd enkel Arabisch gesproken, een paar goed opgeleide mensen spraken wat steenkolenengels. Het lukte en we togen op kerstavond naar de kerk. Het was stil op straat en zwijgend liepen we met elkaar. De twee vrouwen binnen het gezelschap zochten mijn arm en hielden me stevig vast. Bij mij thuis stond een echte kerstdis op hen te wachten. Vluchtelingen, die in het azc gewend waren aan zakken brood en één magnetronmaaltijd per dag, zouden kunnen genieten van Nederlandse gewoonten op deze bijzondere avond. Er waren kerststol, worstenbroodjes, roomboter en kerstkransjes. De glühwein geurde vredig door het huis. De houtkachel snorde zacht, er brandden kaarsen.

Stil en verlegen kwamen zij binnen en het duurde even voor zij konden aanschuiven aan hun eerste Hollandse kerstdis. Wij zongen kerstliederen voor hen om het ijs wat te doen smelten. We aten en genoten. We spraken vooral lichaamstaal en we lachten. Ik voelde dat er sinds lang wat rust in hen stroomde en het werd een gezellige avond. Toen wij hen begeleidden naar het azc, net na twaalf uur, was de nacht helder. De sterren straalden en zachtjes zongen een aantal Syrische mannen hun kerstliederen. Deze nacht werd het Kerstmis.

Meggy van Oudenhoven

null Beeld Ilse van Kraaij
Beeld Ilse van Kraaij

Dromenvanger
Kerstavond 2018, ik stond naast je bed. Het was mijn beurt om bij je te waken. Je lag in een verzorgingstehuis. Je huid van perkament, strak rond je gezicht. Je ogen diep in je oogkassen getrokken. Bijna 101 jaar. Je had al dagen niets te eten gekregen, palliatieve sedatie, maar je hart bleef maar kloppen. Wilde niet opgeven.

Er stond een bed naast jouw bed, daar installeerde ik me. Toen ik klein was leerde je me handwerken en breien. Ik zat naast je en maakte een dromenvanger. Hoeveel steken die ik had laten vallen had jij ooit voor me opgehaald? Ik spande een web voor de dromen en hoopte dat je jouw laatste dromen zou laten gaan zodat ik ze kon opvangen. Kraaltjes schitterden in het kaarslicht en veertjes deinden op en neer. Iedere keer dat je adem stokte, stervensgereutel, schrok ik een beetje. Ik had nog nooit bij een stervende gezeten.

Je kleindochters stuurden een filmpje van kerstavond buiten, ze waren naar de kerk geweest en filmden de magische verlichting in de stille straten, zodat ik me ook even in de kerstnacht buiten waande. Gelukkig was er van corona nog geen sprake, ik kon je zachte dunne huid strelen, je voorhoofd kussen. Dichtbij verhalen vertellen over lang geleden. Je was bang om dood te gaan, maar geloofde in de hemel. Kerstochtend vroeg, je nam een laatste ademteug en het was doodstil. Je kon geen beter moment uitkiezen, slingers in de hemel, lange tafels gedekt met heerlijke taarten. Je was naar de plek waar Christus zelf zijn geboortedag vierde. Het kaarsje was nu op, een klein rookpluimpje. Een laatste kus, anderen die de stilte doorbraken, je kunstgebit indeden voor je stijf zou worden. Mij lieten ontwaken. Kerstochtend vroeg, ik ging weer op pad en nam jouw dromen mee.

Suzanna de Vries-Kraaijveld

null Beeld Ilse van Kraaij
Beeld Ilse van Kraaij

Boom
Ooit, lang, lang geleden, moesten we mijn moeder helpen met een boom. Ze had brandhout nodig en dus gingen we naar het bos, met de fiets. Ik zal wel, zoals gewoonlijk, voorop hebben gezeten, en mijn broer achterop. Terug moesten we lopen: een kromme, groene dennenboom lag over de fiets. Mijn broer en ik moesten helpen. Het ging allemaal nogal onhandig. Een damesfiets is geen geijkt voertuig om een boom mee te vervoeren. En touw of snelbinders had mijn moeder niet. Hoe we ook ons best deden, het ding viel nogal eens op de grond. Onze handen werden groen en plakkerig van de hars die aan de bast zat. Het was winter en oorlog en mijn moeder had stookhout nodig voor de kachel. Vooral om eten te kunnen koken, aardappelen, wortelen kool, pap.

Eenmaal thuis zaagde ze de boom in stukken met haar spanzaag. Ze besteedde extra zorg aan de top van de boom. Ze vulde een van haar blauwe pannen met zand. Ik dacht even dat ze zand ging koken, maar de pan was nodig om er het bovenste stuk van de boom in te zetten. De top van de boom deed dienst als kerstboom. Het moet dus tegen Kerstmis geweest zijn. Ze had een paar kerstballen. Ondanks de oorlog en de bombardementen waren ze nog heel. En ze holde een aardappel uit en omwikkelde die met rood papier en zette er een kaarsje in.
Later zaten we bij het kaarsje en de dennentak in de pan en we zongen: Er is een kindeke geboren op aard. En: Maria die zoude naar Bethlehem gaan. Dat soort liedjes. En natuurlijk ook: O, denneboom.

W.H. Hofman

Engel
Hij zit achter de stationsvleugel in de bomvolle hal van het Centraal Station in Amsterdam. Op de vleugel blikjes bier, eronder wat plastic tassen. In volle concentratie speelt hij, de pianist; zo te zien iemand met een ‘faal-cv’, een verfrommelde, rafelige jongen. Enkele tanden in zijn mond en met vuil aangekoekte vingers. Een herdershond aan een touw aan zijn linkerbeen gebonden.

Ik wil langs hem heen schieten, er is immers een trein te halen, maar blijf even staan, want ik hoor de Canto Ostinato van Simeon ten Holt. De muziek golft aan, ebt weg, dijt uit, krimpt in. Je ziel meandert mee. De jongen speelt het grandioos, als was hij Horowitz zelf. Het is kerstavond 2017.

Tegen een pilaar geleund blijf ik staan en langzaam maar zeker word ik zijn muziek ingezogen. Rondom ons haastige reizigers en volop kerstversiering, wij hebben er geen oog voor, we zien alleen elkaar; minutenlang kijken we elkaar recht in de ogen. Hij ontroert mij met zijn muziek en ik raak hem omdat ik daar maar blijf staan. Mijn retourtje huis verandert voor even in een enkeltje kerstgedachte. In de kakofonie van de stationshal en van het leven gebeurt hier de essentie van het kerstevangelie. Samen, ter plekke, maken we het kerstverhaal. We zien elkaar, zijn wie we zijn.

De ‘over de rand gevallen’ jongen en ik, voor het eerst alleen na de dood van mijn geliefde. Is hij nou een engel of ben ik dat? Zal ik hem gewoon maar ongegeneerd gaan wiegen, als een moeder Maria? Gedachten die ik achter gourmetstellen en tijdens kerstnachtdiensten niet zo vaak heb gehad.

Twee treinen later en met steenkoude voeten check ik uiteindelijk in. Geen kerst-als-vanouds, wel een canto dat langer dan welk kerstlied ooit met mij meegaat. Ostinato, hardnekkig inderdaad.

Titia Dijk-Gilhuis

null Beeld Ilse van Kraaij
Beeld Ilse van Kraaij

Joseph et Marie
Zo’n tien jaar geleden brachten manlief en ik de kerstdagen door in een charmant boerderijtje nabij Chimay in België. De vakantiewoning lag afgelegen in een vallei. De natuur was er adembenemend. Als fervente wandelaars trokken we er iedere dag op uit om de bosrijke omgeving te verkennen. Er was tijdens die dagen, en sowieso in die buurt, geen taverne te vinden waar we konden lunchen of iets drinken, daarom namen we altijd onze picknick en een thermos met thee mee.

Op kerstochtend begon het lichtjes te sneeuwen. Het weer én de bijzondere feestdag hielden ons niet tegen, we gingen op pad. De sfeer in het besneeuwde bos was ronduit feeëriek.

Rond de middag vonden we een bankje langs een stille weg waar we onze kerstlunch konden nuttigen. Beschut onder een boomkruin aten we zwijgend onze bruine boterhammen met kaas. De kou kon ons niet deren in onze gewatteerde jassen. De thee dampte warm in onze handen. Af en toe viel er een sneeuwvlokje in.

‘We lijken wel Jozef en Maria onderweg naar hun stal’, merkte ik droogjes op. Ik had het nog maar gezegd, of er kwam traag - vanwege de gladheid - een grote SUV-wagen aangereden. Voorin de auto zaten twee heren in chique overjassen en haren die glansden van de brillantine. Achterin zaten twee in glitter en bont opgedirkte dames. Het vrolijk gezelschap was duidelijk op weg naar een kerstfeest. We hoorden ze boven de stille motor kwetteren. Ze gilden en wezen naar ons: “Regardez là, Joseph et Marie!”

Wij lachten ontspannen terug en zwaaiden ingetogen.

“Laat ze maar lachen”, zei manlief terwijl ze zachtjes voorbij gleden, “wat wij hier beleven, dat is pas pure kerst”.
Het was onze mooiste en meest onvergetelijke kerstdag ooit.

Bea Ryckaert

null Beeld Ilse van Kraaij
Beeld Ilse van Kraaij

Dennengeur
Als jong meisje keek ik erg uit naar de ceremonie rond het optuigen van de kerstboom. Mijn ouders kochten de boom een paar dagen voor kerst. Met mijn vader ging ik naar een kerstboomkwekerij ergens aan de rand van het dorp waar je de boom zelf mocht omzagen. Verser kon het niet! Met rode neus en handen verstijfd van de kou droegen we de boom een uurtje later de warme woonkamer in waar muziek van Bing Crosby’s lp White Christmas weerklonk en mijn moeder de grote houten doos met kerstversieringen had klaargezet. Die doos was als een schatkist voor mij. De vele verschillende zilverkleurige glazen ballen - sommige al tientallen jaren oud - werden heel voorzichtig, een voor een, uit de doos gevist en ieder van een klein ijzeren haakje voorzien. Samen met mijn moeder hing ik ze in de boom. Tot slot werd de keukenstoel erbij geschoven en mocht ik de piek erop zetten. Gedurende de tijd dat wij met optuigen bezig waren, had de boom zijn frisse kruidige geur van naalden en hars door de kamer verspreid. ’s Avonds, dicht bij al die geur en glitter, dronken we een beker warme chocolademelk.

Intussen woon ik al meer dan twintig jaar in Hongkong. Middenin de stad is een enorme bloemen- en plantenmarkt. Vanaf begin december worden er vanuit het buitenland grote partijen met kerstbomen aangevoerd. Dan ga ik er altijd even naar toe. Niet om een boom te kopen, want die zijn me met prijzen van meer dan 100 euro per boom te duur, maar om de geur van verse dennentakken in te ademen. Dan denk ik terug aan de tijd dat ik nog klein was: aan de frisse Hollandse kou, de warme chocolademelk en de grote houten schatkist.

Irma Ellen van Duuren

null Beeld Ilse van Kraaij
Beeld Ilse van Kraaij

Kindeke klein
Kerst naderde, december 1995. Onze eerste zoon werd ‘gehaald’ middels de keizersnee, wegens een dreigende zwangerschapsvergiftiging. Te vroeg, te klein, dus even in de couveuse. De dag voor kerst mochten we naar huis: twee vrouwen met een kindje, in Oosterend, het ‘Jeruzalem’ van Texel.

De volgende ochtend vroeg klonken traditiegetrouw de vertrouwde kerstmelodieën door ons dorpje, gespeeld door leden van de Christelijke Muziekvereniging Excelsior. Voor ons huis hielden ze stil en klonk het voor mij onbekende lied O kindeke klein, o kindeke teer. Wij stonden voor het raam met Joppe in onze armen en tranen biggelden over ons beider wangen. Verreweg mijn mooiste kerst!

Hetty van Dijk

null Beeld Ilse van Kraaij
Beeld Ilse van Kraaij

Poes
Een ouderwetse kerstperiode was het. Koud, sneeuw hing in de lucht. Als vanouds ging ons gezin met uitwonende kinderen naar de kerk. Jawel hoor: op de terugweg sneeuwde het. Hoe mooi wil je het hebben? Een sprookje! Hé, kijk nou, wat zit daar bij onze achterdeur, miauwend? Een verdwaald poesje? Met dít weer? Nou, dat lijkt wel een kerstverhaal! Ach, ach, sneeuw op zijn rugje. Waar komt die kleine vandaan?

De ouders willen het poesje niet binnen. Ze denken aan verdrietige baasjes en dat hij toch zijn weg naar huis wel terug zal vinden. En wij hébben al een kat! Dan bewijst zich de opvoeding van de kinderen: ‘Wát nou, zelf op kerstavond naar de kerk gaan, zingen, vrede op aarde, liefde, warmte en dan deze poes in de sneeuw laten kleumen? Nee, ouders, zo hebben jullie dat ons niet geleerd. Die poes moet mee naar binnen!’ Oké, oké, geen speld tussen te krijgen, maar morgen...

Niks niet morgen, de poes was direct thuis, dolde gelijk met de andere poes. Hij kreeg een werknaam: Kerst, dat leek ons passend. En gaandeweg smolten wij, hardvochtige ouders, voor de charmes van Kerst.

Op de eerste kerstdag tientallen briefjes rondgebracht, tot ver in de buurt. Een kerstboodschap: wie, o, wie mist dit poesje? Ieder ogenblik verwachtten we dan ook huilende baasjes, die hun kleine schat kwamen halen. “O, dank u, de kinderen waren zo verdrietig, dank u.” Maar er kwam niemand!

Op tweede kerstdag: nóg niemand, gelukkig! De hele week niet. Kerst is bij ons gebleven, verhuisde een jaar later mee naar Middelburg. Daar werd hij een begrip, stal de show, altijd voor het venster. Kerst, onze kerstpoes!

Bouwe van der Weide

Zeeziek
Kerstavond 1945, aan boord van de Nieuw Amsterdam, passagiersschip van de HAL. Na een viertal jaren oorlog en jappenkampen meegemaakt te hebben was ik als zesjarig jochie op weg van Nederlands-Indië naar Holland.
Omdat wij het geweld van de oplaaiende onafhankelijkheidsstrijd moesten ontvluchten, werden wij vanuit het jappenkamp overhaast geïnterneerd en waren wij op weg naar hopelijk veiliger oorden. Behalve de Nederlandse vrouwen en kinderen waren er veel Britse militairen aan boord, die na de oorlogsjaren in de Oost op reis waren naar hun thuisland Engeland. Aan het eind van de oorlog was mij verteld, dat mijn vader was omgekomen aan de Birmaspoorweg in Thailand. Omdat ik hem als tweejarige voor het laatst zag, had ik door de ervaringen van de voorbije jaren geen kennis gemaakt met enige hartelijkheid van een man. Maar aan boord van dat schip waren militairen die tijdens de reis een kind op de een of andere manier vriendelijk aandacht schonken.

Zo had ik ook zo’n grote vriend. Soms moest hij aan dek de wacht houden. Ook op die bewuste kerstavond.
Het stormde geweldig en de - in mijn kinderlijke herinnering - huizenhoge golven maakten dat vrijwel iedereen zeeziek in bed lag. Maar mijn grote vriend had zich aan dek genesteld in een veilig plekje van opgerolde dikke scheepstrossen, van die dikke touwkabels. Hij had een dikke, groene legerjas om zich heen geslagen en ik mocht toen bij hem komen in dat veilige plekje en tegen hem aan schuilen.

Vanuit dat veilige plekje kon ik zien hoe er bakken met eten overboord werden gekieperd. Kort daarvoor hadden wij nog ongelooflijke honger geleden en stierven er dagelijks mensen door ondervoeding. Maar door de zeeziekte had niemand nog trek in eten. Daar ging de gebraden kip, het kerstmaal, overboord.

Frans van Hasselt

null Beeld Ilse van Kraaij
Beeld Ilse van Kraaij

Parkeergarage
Op kerstavond 1999 vertrok onze toen zestienjarige dochter met haar toenmalige vriend naar de kerk. Het waaide hard, het weer was guur. De dienst begon om half negen, we verwachtten haar rond tien uur weer terug. Om elf toch maar eens gebeld met de ouders van haar vriend. Maar daar waren ze niet. “Ze zijn toch bij jullie?”
We belden met diverse vriendinnen en vrienden. Niemand wist waar ze waren. Een vriend van onze dochter vertrok naar het centrum om te kijken of ze soms een kroeg in waren gegaan. Om middernacht belden we de politie. Twee aardige agenten kwamen poolshoogte nemen en controleerden haar kamer. Ook bij de vriend van onze dochter gingen ze op bezoek. Er werd geen aanwijzing voor de reden van een plotseling vertrek gevonden.

We waren ze kwijt.

We reden met de auto over stille straten naar de kerk en terug. We reden met de auto door het park en verwachtten daar na elke bocht onze dochter en vriend bloedend aan te treffen. Niets.

Om vier uur in de ochtend belde de vriend die in het centrum was gaan zoeken. Hij was alle kroegen afgegaan en had gewacht tot sluitingstijd. Hij had ze niet gevonden. Daar zaten we op de bank. “Waar is ze?! Ontvoerd? Verdronken? Waar?”

We belden opnieuw met de politie. Nee, geen nieuws, ook niet vanuit het ziekenhuis. Wel kregen we de toezegging dat er ’s morgens om acht uur een zoektocht zou worden opgestart.

Onze wereld stortte in. We waren een kind verloren, onze dochter. Zo maar, nota bene in de kerstnacht!
Om kwart voor acht ging de voordeurbel. Daar zal je de politie hebben. We deden open. Er stonden twee vermoeide, bibberende, verkleumde tieners op de stoep. Vanwege het slechte weer waren ze na kerktijd even gaan schuilen in de parkeergarage. Romantisch met z’n tweetjes op de grond tegen een muur. Om tien uur hadden alle hekken zich automatisch, tot na de feestdagen, gesloten. Met geen mogelijkheid konden ze er uit.

Hun geschreeuw om hulp verwaaide in de straffe wind. De volgende morgen, eerste kerstdag, hadden ze zich met veel pijn en moeite, op hun rug, door een plas, toch onder een hek uit weten te wurmen. We lagen die dag om 9.00 uur in bed. Het werd een stille dag, een heilige dag. We hadden een kerstkind!

Martin Kooijmans

Oorlogswinter
In die barre oorlogswinter van 1944 was de elektriciteit overal in Nederland afgesloten. Thuis werden er allerlei oplossingen gezocht om toch wat licht te hebben. Behalve dat er een beetje kaarslicht was, weet ik van families waar om beurten ‘droog’ gefietst werd in de woonkamer voor een schamel beetje licht. In ons gezin, evenals bij vele anderen, gingen wij allemaal vroeg naar bed: om 20.00 uur lag iedereen ‘plat’. De Duitsers hadden een avondklok ingesteld dus het was doodstil op straat.

Alleen wie een ausweis had, kon ‘s avonds de deur uit.

In die tijd zong ik als twaalfjarig jochie in het jongenskoor van de Dominicuskerk aan de Laat in Alkmaar. Met Kerstmis moesten we de nachtmis zingen. Niet één maar twee achter elkaar. Zoveel belangstelling was daar voor. De eerste om 3.30 uur en de tweede om 6.00 uur. Ik zie me nog in het holst van de nacht door een besneeuwde, witte wereld naar de kerk lopen, samen met een paar andere koorknapen uit mijn buurt. Al van verre hoorden we het geluid van de kerkklokken, afkomstig van een versterkte grammofoon (de echte klokken waren immers door de bezetters gevorderd om daar munitie van te maken…). Verder was het stil. Geen gebulder van overvliegende bommenwerpers, geen afweergeschut van het nabijgelegen militaire vliegveld, geen zoeklichten aan de donkere hemel. Stilte, doorbroken door het gebeier van de surrogaatkerkklokken en onze knisperende stappen door de versgevallen sneeuw. Bij de Bergerbrug aangekomen moesten we door een poortje in de muur om in de binnenstad te komen. We hadden een ausweis die we bij de poort moesten laten zien. Op de Laat aangekomen keek ik perplex richting kerk. Uit alle ramen straalde licht! Speciaal voor Weihnachten hadden de Duitsers elektriciteit voor de kerk toegestaan! Met knipperende ogen stapte ik de kerk in. Dat de kerk zo fel, haast schel verlicht was, heeft een verpletterende indruk op me gemaakt! Kerst als het feest van het licht, ook in de oorlogswinter van 1944.

Joop Spaans

Lees ook:
Zo houd je het gezellig aan de kerstdis

Na bijna twee jaar pandemie is de behoefte aan kerstsfeer misschien wel groter dan ooit. Tegelijkertijd zorgt corona voor verdeeldheid binnen families en vriendschappen. Hoe houd je het toch gezellig aan tafel?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden