null

Po PolskuJaap Robben

De klussers uit het Oosten keren terug naar Polen, samen met Jaap Robben

Beeld Hanne van der Woude

December 2019. Na weken werken in Duitsland, rijden de Poolse klussers van schrijver Jaap Robben voor de kerstdagen terug naar Polen. Robben rijdt mee.

Iwan’s gezicht kleurt geel door het schijnsel van de lantaarnpalen. Eerst houden we Dortmund aan, vervolgens ­Hannover. We denderen over de Autobahn in een stroom van Poolse auto’s, busjes en vrachtwagentje als een ­oneindige kudde buffels. Dan weer plotseling drukkend, wringend, slalommend om auto’s met lekke banden of damp onder de motorkap. Een opengereten busje naast een verkreukelde sportwagen. In de berm vijf mannen, glanzend van miezerregen. Gestrand ergens in Duitsland. Nog veel te ver van huis. Marek bromt, Iwan ­vertaalt: “Gelukkig zijn wij dat niet”. Onder het stuur grijpt Iwan naar de microfoon van zijn bakkie en vraagt of iemand zag of het Polen waren of Oekraïners. Het bakkie staat afgesteld op kanaal 28. Daar stemmen alle Poolse thuisreizigers op af. Roemenen, Hongaren en Russen hebben weer een andere frequentie.

Uit het bakkie klinkt geruis. “Het waren Oekraïners.” Iemand maakt een grap, want er wordt vanuit vier auto’s geantwoord met een lach. Voor mij bestond verkeer uit onafhankelijke capsules. Maar het blijkt dat ­iedereen met zo’n kleine antenne op het dak met elkaar verbonden is. Elkaar waarschuwt voor files, flitspalen en ongelukken. En ze zijn ook elkaars pechhulp. Want ­plotseling klinkt er gemompel waarna Iwan voor mij langs in het dashboardkastje begint te graaien.

“Moet ik iets pakken?” “Zekeringen! Hier moet een ­zakje liggen.” “Schnell, schnell”, hijgt Marek in mijn nek alsof we iemand moeten reanimeren. “Een rode hebben ze nodig.” Daarvan vind ik er twee. Iwan vraagt via het bakkie waar ze precies staan. Twee kilometer verderop volgens de hectometerpaaltjes. Het dubbel knipperlicht gaat aan en we vertragen op de vluchtstrook tot we ­achter een ander busje staan. Marek duwt zijn schuifdeur open, gaat op een drafje een man tegemoet, drukt de zekeringen in zijn hand en rent weer terug.

“Is dit typisch Pools?”

“Wat?”

“Om elkaar zo te helpen?”

“Alleen in Duitsland, omdat die Fritzen nooit voor ons stoppen”, grinnikt hij. “Maar straks voorbij de Poolse grens kan de radio uit. Dan helpt niemand elkaar meer.”

null Beeld Hanne van der Woude
Beeld Hanne van der Woude

Tankstation

Het is al bijna middernacht, maar op het tankstation is de sfeer uitgelaten. Er lijkt nauwelijks genoeg plek voor alle Poolse busjes en auto’s. Zodra autodeuren open gaan, bonkt er muziek naar buiten. Sommige mannen rennen op en neer naar de berm om te plassen. Anderen sloffen op slippers naar de frituurkraam. Vrouwen haasten zich naar binnen voor het toilet en komen terug met energiedrank en chips. Marek komt aandraven met drie bekertjes koffie. Iwan jaagt hem grinnikend op, waar Marek om lacht, maar toch een tikkeltje gestrest door raakt. Zij hebben een speciaal soort vriendschap. Steeds dezelfde grapjes gedogend, dag en nacht samen. In de ander zijn mond turen wanneer die kiespijn heeft. Een tijdje terug kwam ik ze per toeval tegen. Samen in die oude Berlingo, gordels over hun buiken. Ze wilden een nieuwe broek voor Marek kopen, maar dat was ­mislukt. Iwan vond het model niet goed. Te smal aan zijn kuiten. Marek zat dat heel ernstig te beamen, hij wees naar zijn kuiten en zei: “Iwan sagt; nicht gut.”

“Zien jullie elkaar de komende dagen eigenlijk nog? Met Kerst of in de kerk?”

“Wie?”, vraagt Iwan.

“Jij en Marek.”

“Nee”, proest hij. “Nu hebben we wel genoeg van ­elkaar.”

“Zin om je vrouw weer te zien?”

“Neu”, zegt hij stoerig. “Ik doe dit al dertien jaar zo. We zijn het gewend.”

Marek tikt op mijn schouder en reikt de memory-stick aan die zijn dochter heeft samengesteld met ­muziek. “Nummer ein-sieben-zwei”, vraagt hij. ‘Bilet do Wojska’. Zo’n liedjes dat heel wild met je danst. Veel keyboard en trekzak. Iwan haalt vol uit voor het refrein. Ondertussen stuiven we van file naar file.

Half twee ’s nachts. Berlijn komt dichterbij, Poznan verschijnt op de borden. Sinds we vertrokken, zit Marek achterin met zijn handen op de rugleuningen van onze stoelen. Alsof hij zich al honderden kilometers schrap zet. Onafgebroken kijkt hij mee met Iwan. Een schuin glimlachje zodra hij doorheeft dat ik naar hem omkijk. “Fast zuhause”, jodelt Iwan terwijl we over de brug over de Oder kruipen. Het blijkt dat alle hoofdwegen tot aan Warschau dicht staan vanwege alle thuisreizigers. Dus zodra we het bord ‘Welcome to Poland’ passeren, slaan we af naar een binnenweggetje. Iwan rijdt meteen kalmer, alsof die grens een finish was en we nu rustig aan kunnen doen. We gaan zuurkool eten bij een truckersrestaurant. “Ik ben vegetariër”, protesteer ik nog. Maar Iwan heeft al een schnitzel voor me opgeschept ter grote van een deurmat.

Terug in het busje zet Iwan Bilet do Wojska weer op. Achterin slaapt Marek zoals eenden dat doen. Hersenhelft voor hersenhelft, oog voor oog. En onmiddellijk paraat bij elk onverwacht schokje.

Steenkoolrook

Ongemerkt wordt de nacht een brei. Sparren, sparren, witte berkenstammen. In de dorpen knippert helle kerstverlichting. Op de gevel van een huis worden vallende sneeuwvlokken geprojecteerd. Normaal zou het al een maand vriezen. Maar het is nog ruim 10 graden en het heeft de afgelopen twee winters niet gesneeuwd. Aan de steenkoolrook kan ik ruiken dat we een dorp ­naderen. Inmiddels rijdt er nauwelijks nog ander verkeer. Ik stel me voor hoe gedurende deze nacht iedereen thuiskomt. Ramen waarachter nog een lampje brandt. Achter elke deur de vertrouwde geur die altijd weer nieuw is wanneer je lang bent weggeweest. Schoenen uit, zachtjes de trap op, een fluisterend: “Ik ben thuis”. Het slaperige antwoord: “Gelukkig”.

Misschien reis ik daarom mee met Iwan en Marek. Om te zien hoe zij thuiskomen voor Kerst nadat ze ­zoveel weken zijn weggeweest. Ineens hotsenbotsen we over een kuilenweg richting een betonblok met ramen erin. Blijkbaar ben ik in slaap gevallen. Achterin sjort Marek zijn jas over zijn schouders. Terwijl Iwan al uitstapt om de kerstboom tussen de specie-kuipen en de betonmixer vandaan te trekken, propt Marek nog wat spullen in zijn rugzak.

Schöne Weihnachten”, zeg ik tegen hem als we ­buiten staan.

Weihnachten ohne sohn…”, antwoordt Marek zacht en schudt zijn hoofd.

“Ich verstehe.” Onwennig kloppen we elkaar op de schouders. We spreken af om samen naar het graf te gaan. Treuzelend steekt Marek nog een sigaret op. “Wo wohnst du?”, vraag ik. Achter het raam dat hij me aanwijst brandt gelukkig nog licht. “Jaapoo, komme!”, Iwan is alweer ingestapt.

Met de tassen aan zijn schouders sleept Marek de kerstboom achter zich aan naar de deur.

null Beeld Hanne van der Woude
Beeld Hanne van der Woude

Flitspaal

Onverwachts laait Iwans haast weer op. Het lukt me niet om de namen van de dorpen op de borden te zien. ­“Hoever is het nog?”

“Bijna!” Voor elke flitspaal hang ik voorover in mijn gordel omdat hij remt van 120 naar 50. Om vervolgens zijn snelheidsrecord weer te verbreken. Het lijkt alsof deze laatste minuten hem te lang duren nu we zo dichtbij zijn. “Hier is het!” Hij klikt zijn gordel los terwijl we nog op de weg rijden. En slaat dan af naar een erfje. Aan de dakgoot knipperen lichtgevende ijspegels. Voor de bus stilstaat, gooit hij zijn deur al open. Achter het raam rent een Maltezer hondje enthousiast de plantjes van de vensterbank. Iwan draaft al om de motorkap heen. Ik haast me om een glimp op te vangen van zijn thuiskomst. Iwan trapt zijn schoenen uit en schiet door de achterdeur naar binnen. Het witte hondje springt verticale rondjes om zijn as. Verderop in de gang staat zijn vrouw in haar ochtendjas. Volledig opgemaakt en met geföhnde haren. Ik positioneer me als een fotograaf voor het moment van hun welkomthuiskus, maar Iwan schiet langs zijn vrouw heen. “Plassen”, kreunt hij. “Héél nodig plassen.”

En dus staan wij daar. Met z’n tweeën.

Het piepende hondje krabt aan de toiletdeur. Terwijl Julia met één hand haar badjas gesloten houdt om haar hals, observeert ze me zijwaarts. Met een licht opgetrokken neus alsof ik de zoveelste zwerfhond ben die Iwan mee naar huis neemt. “Dzien Dobry”, zeg ik. Zij fluistert hetzelfde. Ik bedank haar in het Duits voor haar gastvrijheid. En dat ik niet wist dat Iwan onderweg hierheen pas vertelde dat ik mee zou komen. Julia perst een glimlach in samengeknepen lippen. De toiletdeur zwaait open. Het hondje probeert overal in de gang tegelijk te zijn. Ik doe een stapje terug om hen wat privé te gunnen, maar Iwan banjert de keuken in. “Kaffee! Du auch, Jaapoo?

“Eh nee.” Het is bijna 6 uur ’s ochtends. “Ik moet echt slapen.” In de logeerkamer staat een dik opgemaakte slaapbank. Boven me tegen de muur hangen samoeraizwaarden, de wekker knippert 0:00.

Ik tuur langs het gordijn naar het dikke duister­ ­buiten en sms naar huis: “Ik ben er. X.” >>

>> Maar eigenlijk heb ik geen idee waar ik ben.

’s Ochtends zie ik door alle ramen Poolse mist, die lijkt voller dan de mist die ik ken. Ik ga de gang op ­richting de drukke gesprekken in de keuken. Die verstommen zodra ik de trap af stommel, alleen nog kindergesmiespel. In de pannen op het fornuis sputtert vlees voor alle kerstdagen. Op het aanrecht verschuift Julia braadsleeën vol bruingeblakerde hompen, moten en plakken.

Dampende worst

“Jaapoo!” Iwan zit aan het hoofd en bekijkt reclame­folders. Overal grote kinderogen. De twee vrouwen ­verderop aan de lange tafel zijn Iwans dochters. Ze glimlachen klein wanneer hij hun namen noemt. Ik krijg een bord aangereikt en koffie. Een van de dochters neemt een dampende worst uit een pan en drukt de roze paté uit zijn velletje. Vervolgens legt ze dat op mijn bord. “Probier mal”, zegt Iwan. “Selbst gemacht!” Ik heb me vooraf voorgenomen om alles te eten dat ze me aanbieden. Het Maltezer hondje reageert op iedere beweging van Iwan. “Komen je kinderen altijd ontbijten wanneer jij thuiskomt?”

“Neuuu”, wuift Iwan weg. “Zij wonen hier ook.”

Het blijkt dat ze in totaal met twaalf mensen in dit huis ­wonen. “Twáálf?” Dan telt hij de kleinkinderen niet mee waarvan er altijd een paar logeren. Vervolgens

heb ik gesprekken met zijn dochters en kleinkinderen die bestaan uit geglimlach en gekijk. Met Iwan’s zwijg­mannen­­­­­ vond ik dat niet zo ongemakkelijk. Maar aan deze­­ eettafel voel ik me opgesloten in mijn eigen taal. Zelfs dat Maltezer hondje verstaat meer Pools dan ik.

Ik ga het woordenboekje pakken dat ik heb mee­genomen. Vooral de kinderen zijn nieuwsgierig. ­Stuntelend lees ik de fonetisch uitgeschreven zinnen voor. Ik begin met: “Hoe gaat het?” Hun twaalfstemmig koor antwoordt: “Dobry”. Het meeste succes heb ik met de zin: “Ik ben vegetariër”. Iedereen buldert van het lachen. Het jongetje Kamil naast me wijst een Poolse zin aan die ik moet uitspreken. Het blijkt te betekenen: “Mag ik een tampon lenen?” Kamil krijgt een tik op zijn hoofd van Julia. Vervolgens ligt het boek midden op tafel en verstommen de gesprekken weer tot gemompel. Ik herinner me ineens mijn volgende troef, ik ga de tas met cadeautjes halen.

De kleinkinderen scheuren het inpakpapier aan ­flarden. Hun moeders bedanken voor de badschuim en bruisballen. Iwan beantwoordt het bierpakket met “Num-num-num”. Dan schuif ik het juweliersdoosje naar Julia toe. Alle kleinkinderen drommen samen rond haar stoel. Voorzichtig tilt ze het deksel van het doosje. Een voor een haalt ze de drie tingelende glitterengeltjes tevoorschijn en zet die op tafel. “Für euer Weihnachtsbaum”, zeg ik. Zonder uitdrukking kijkt ze elk engeltje aan en plaatst ze vervolgens terug in het doosje. Het dekseltje gaat er weer op. Zonder iets te zeggen, staat ze op om de tafel af te ruimen. De kinderen stormen naar de televisie.

Nicht gut?”, vraag ik aan Iwan. Hij geeft me een knipoogje dat ik niet begrijp. Betekenen engeltjes in je ­kerstboom onheil? Of had ik misschien méér engeltjes moeten kopen?

De keukendeur gaat open. Er komt een man van mijn leeftijd binnensloffen. “Papaaaa!”, joelen twee van de kinderen die hij even door hun haren woelt.

Vermoeid zakt hij neer op een keukenstoel en trekt de ­koffiepot naar zich toe. “Gutenmorgen”, groet hij mij in het Duits.

Gutenmorgen”, zeg ik. “Gut geschlafen?

Nein”, grijnst hij. “Hele nacht doorgereden.”

“Oh. Wanneer ben jij aangekomen?”

“Net.”

“Nét?”

“Minuut geleden.” Hij knikt naar de keukendeur waardoor hij zojuist binnenkwam. Hij werkt op een Duitse tuinderij in de buurt van Arnhem. “Hoe lang was je dan weg?”

“Pfoeh…” Over zijn schouder vraagt hij iets aan zijn vrouw die hij verder nog niet heeft aangekeken. “Negen weken”, vertaalt hij.

null Beeld Hanne van der Woude
Beeld Hanne van der Woude

Familie-organisme

Negen weken? En dan komt hij de keuken binnen alsof hij slechts naar het toilet was. Hij lijkt net als Iwan ­nauwelijks echt thuis te komen. Maar misschien waren ze ook niet echt weg. Wel ruim 1000 kilometer verderop, maar toch altijd hier. Deel van het familie-organisme. En stapt hij daarom zo onopvallend de keuken binnen­­ en schuift aan bij het ontbijt. Plots drommen alle klein­kinderen om Iwan heen omdat Julia graag de kerstboom wil zien die nog achterin de bus ligt. In mijn oor lispelt het jongetje giechelend het Poolse woord voor tampon.

Vervolgens bekijken we een fotoslideshow van hun 35-jarig huwelijksfeest. De gehele familie nestelt zich op de banken rond de televisie om mee te kijken. Na de achtste foto zie ik onderaan het beeld dat we er nog 472 te gaan hebben.

Tussen de keurig aangeklede feestgangers herken ik Tomek en Patryck. Dat blijken neven van Julia. Een schoonzoon laat steeds zijn spierballen zien. Gaandeweg de avond zetten mensen glitterpruiken op en gaan de stropdassen af.

Ongemerkt verlaat iedereen de zitkamer. Waardoor ik overblijf met dat Maltezer hondje en niet ook durf weg te lopen, omdat dat misschien onfatsoenlijk is. Nog 312 foto’s te gaan.

Later die middag zit Iwan in onderbroek op een ­keukenstoel en wordt hij getondeuzeerd door een van zijn dochters. Er worden pizza’s gehaald en ’s avonds ­kijken we kickboksen tot iedereen in slaap valt.

De volgende ochtend rijd ik met Iwan en Julia door het bultige landschap in hun glanzende Audi met stoelverwarming die op je spraak reageert. Iwan wil me graag iets laten zien van zijn leven. Ik ben benieuwd. “In de zomer is het hier mooier”, zegt hij steeds. En dat ik terug moet komen met mijn gezin en dan twee weken moet blijven. “Volgende herfst gaan jij en ik hier jagen.” We stuiven langs het bos dat is vernield door de tornado van afgelopen zomer, langs een vervallen landhuis van verjaagde adel.

Bij een winkel in een bouwkeet slaan we twaalf ­flessen wodka in voor Kerst. Tussen de geparkeerde ­Audi’s en BMW’s probeert een oude vrouw op een kleedje tweedehands schoenen te verkopen. Wij rijden­­ alweer verder. Langs het huis van Iwan’s vader. Even toeteren, even zwaaien. Naar het tankstation voor koelvloeistof.

Plotseling zompen en schudden we over een modderig terrein naar een Sovjet-fabriek. Uit de schoorsteen walmt dikke rook. Deze alcoholstokerij is de trots van de regio, er worden vijf gezinnen door onderhouden. ­Verkneukelend neemt Iwan me mee langs dampende ketelen door het afgeleefde trappenhuis. Achter een smoezelige deur bevindt zich een spierwitte, naar parfum ruikende schoonheidssalon die hij voor zijn dochter bouwde. “Und?”, vraagt Iwan.

Schön!”, breng ik verbaasd uit.

“Als jouw vriendin ooit zo’n salon wil, bouw ik bij jullie ook zoiets.”

Marmeren grafplaten

Voordat ze me naar het station brengen in Bydgoszcz, hebben we afgesproken om met Marek naar het graf van zijn zoon te gaan. De begraafplaats ligt tegen een helling aan. Op het hoogste punt staat een kruis met Jezus. De marmeren grafplaten lijken in een file te staan richting het beeld. “Wo ist Marek?” Die komt toch niet, sms’te hij net naar Iwan. Hij gaat toch liever alleen.

Het graf van zijn zoon glanst en staat vol elektrische waxinelichtjes en kunstbloemen. Grzegorz. Negentien jaar oud. Er is een pasfotootje in de zerk verwerkt. Hij heeft een smal gezicht, maar overduidelijk de oogopslag van Marek. Hij zat op de bijrijdersstoel, misschien keken ze op hun telefoon, misschien was er iets met het meisje achterin. De bestuurder was ongedeerd. “Chauffeurs sturen altijd van het gevaar af”, zegt Iwan. “Dat is een reflex. Meestal sterft de bijrijder.”

Op de slingerende weg naar het station valt me op ­hoeveel bermmonumentjes we passeren. Iwan kan me bij elk groepje kaarsen de namen en leeftijden noemen. Soms zaten ze met z’n zessen in een auto. Altijd waren ze veel te jong. Julia zegt iets tegen me. Iwan vertaalt het op haar aandringen. “Het is niet makkelijk om hier jong te zijn. Maar het is ook niet makkelijk om hier een moeder te zijn.”

Ik vraag aan Julia waar zij is opgegroeid. “Twee ­dorpen verderop”, antwoordt Iwan in haar plaats. Na een stilte vraag ik hoe het voor haar is dat Iwan steeds zo lang van huis is. Hoe het is om je kinderen zonder hem op te voeden. Iwan vertaalt mijn vraag niet. “Ze is het gewend, we doen het dertien jaar zo.”

Tijdens het afscheid op het station frommelt Iwan me złoty in mijn handen om eten te kopen onderweg. ­Julia tovert een tasje tevoorschijn met kerstkoekjes voor mijn kinderen en omhelst me stevig.

Uit de binnengekomen trein stromen reizigers ­beladen met tassen vol cadeaus. Iedereen verdringt zich rond de roltrappen. Ik ben een van de weinigen die instapt. De trein is behaaglijk warm. Langzaam rijden we de schemer in, uiteindelijk de avond.

Zodra we de grens met Duitsland passeren, rijdt de trein even gelijk op met de E30. Hier stonden we eergisternacht in een eindeloze file, nu razen er slechts enkele koplampen de grens tegemoet. Gelukkig, bijna iedereen is thuis. Nu ik nog. 

Schrijver Jaap Robben zocht de afgelopen weken in een feuilleton contact met de Poolse klussers in zijn woonboerderij net over de Duitse grens. Dit was zijn slotverhaal. Eerdere afleveringen treft u hier

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden