Jan-Werner Müller: ‘Niemand zegt dat democratie geen inspanning vergt.’

InterviewJan-Werner Müller

De democratie is niet dood, aldus politicoloog Jan-Werner Müller

Jan-Werner Müller: ‘Niemand zegt dat democratie geen inspanning vergt.’Beeld Marcus Reichmann

Democratie draait niet om de vraag wie er wint, maar hoe je omgaat met verliezers, stelt politicoloog Jan-Werner Müller. ‘Je moet altijd kunnen denken: de volgende keer wint mijn partij misschien weer.’

Donald Trump zetelt al een half jaar niet meer in het Witte Huis, maar in het nieuwe boek van de Duitse politicoloog Jan-Werner Müller (1970), Wat is echte democratie?, figureert hij nog op zowat elke pagina. “Het zou een vergissing zijn nu achterover te leunen en te denken: alles is goed gegaan, de instituties hebben het overleefd”, zegt Müller. “In veel opzichten zagen we dat instituties juist níet functioneerden.”

Vogels tjilpen. Müller zit in de tuin van het Wissenschaftskolleg zu Berlin, een onderzoeksinstituut in het deftige Grunewald, een villawijk in het westen van Berlijn. Hoewel Müller regelmatig in Duitsland is, woont hij sinds zestien jaar in de Verenigde Staten, waar hij doceert aan de prestigieuze Princeton-universiteit. In Berlijn gebruikte hij het afgelopen jaar een studieverlof om aan zijn boek te werken. Daarin onderzoekt hij hoe de democratie wordt bedreigd door rechts-populisme en autoritaire leiders.

Welke lessen trekt u uit het tijdperk Trump? Hoe bleken de instituties van de Amerikaanse democratie niet goed te functioneren?

“Ondanks zijn chaotische regeerstijl heeft Trump toch veel weten door de drukken. Dat is ontnuchterend. En neem zijn partij, de Republikeinse partij. Die draaide helemaal om hém. Kritische oppositie mocht er niet zijn. De partij als instituut faalde. Ik werd me ervan bewust hoe belangrijk een loyale oppositie is binnen het systeem. Reden tot optimisme is er, nu Trump weg is, overigens niet: het is niet alsof de partij opeens totaal anders is. Ze volgt nog steeds dezelfde strategieën, zoals voter suppression, waarbij mensen verhinderd worden hun stemrecht uit te oefenen. En Trump heeft nog steeds veel macht binnen de partij.

Ook werden we in veel opzichten teleurgesteld in het idee dat andere instituties of de elites ons zouden redden, rechters, journalisten – natuurlijk zijn daar veel moedige mensen geweest, die existentiële risico’s namen, hun baan verloren. Dat wil ik niet bagatelliseren. Maar ook de pers als instituut bleek kwetsbaar, er was te weinig onderlinge solidariteit tussen journalisten, het was moeilijk om aan de frames van de populisten te ontkomen. We konden kortom niet gewoon leunen op de machinerie van de instituties. De collectieve mobilisatie van de mensen op straat was minstens zo belangrijk.”

Waar doelt u daarmee op?

“Bij de verkiezingen eind vorig jaar was de opkomst zeer hoog. Zoiets gebeurt niet vanzelf. Iemand moet er toch voor zorgen dat zoveel mensen naar de stembus gaan; sommigen moeten er eerst toe gebracht worden zich überhaupt als kiezer te registeren. Daarnaast waren er de Black Lives Matter-demonstraties, ook een vorm van collectieve mobilisatie, die ook zaken veranderd hebben. De mensen op straat bleken ook een positieve kracht te kunnen zijn. Vanaf 2016 kreeg de elitaire houding dat het ‘volk’ toch vooral gevaarlijk is, vol racisme en irrationaliteit, een sterke impuls. Dat volk koos immers Trump. Er was een sterke tendens om te zeggen: we moeten ons enkel op de instituties verlaten en op traditionele elites, die als ‘poortwachter’ moeten functioneren.”

Zelf benadrukt u in uw boek ook het belang van instituties.

“Het zou een fout zijn om van het ene extreme in het andere te belanden. Er zijn veel tamelijk naïeve recepten om de democratie te herstellen: dat we alleen maar meer basisdemocratie, lotingen en burgerraden hoeven in te voeren, en alles wordt beter. Dat is niet mijn standpunt. Ik wil überhaupt niet ‘kiezen’ tussen de vraag: zijn de elites het probleem of is het volk het probleem? Dan ga je mee in een narratief dat veel door radicaal-rechts gebruikt wordt, het frame van een cultuurstrijd tussen elite en volk. Als we het debat over die vraag laten gaan, heeft rechts al gewonnen.

“Democratie heeft instituties nodig, en ik heb in mijn boek onderzocht hoe die functioneren. En dan zie je dat in die instituties, zoals in politieke partijen, veel in beweging is. Neem hun achterban. Die is veranderlijk. Partijen maken niet alleen achterbannen zichtbaar, maar creëren die zelf ook deels. Termen als Real America of Heartland, waar dan de mensen wonen die op Trump stemden in 2016, suggereren iets statisch. Dat die plekken tot op zekere hoogte reëel zijn, bestrijd ik niet. Maar dit zijn geen objectieve, culturele gegevens, ze worden deels ook door de politiek gecreëerd. Het zou dus ook anders kunnen zijn. Dat besef helpt ons om weg te komen van stevig verankerde opvattingen, over dat een bepaalde politieke cultuur of groep nu eenmaal zo is, een gedachte die tot defaitisme kan leiden. Je moet altijd kunnen denken: de volgende keer wint misschien mijn partij weer, en in de tussentijd kan ik als oppositie nog steeds een rol spelen. Ook al heb ik verloren, mijn stem wordt wel gehoord en vertegenwoordigd.”

Voor velen betekent democratie: de meerderheid wint. U draait het perspectief om: democratie draait om de vraag hoe je omgaat met de verliezers, welke plek krijgen die?

“Inderdaad. En dat is een kwestie waar voorstanders van democratische vernieuwing via directe democratie eigenlijk nog geen goed antwoord op hebben: wat te doen met de verliezers? Hoe krijg je mensen zover dat ze zeggen: goed, ik ben tegen deze regering, maar ik ben niet tegen het systeem? Dit lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Dat heeft de bestorming van het Capitool door Trump-aanhangers op 6 januari laten zien: hoe bedreigend slechte verliezers zijn voor een democratie.”

Jan-Werner Müller: 'Ik wil niet hoeven kiezen tussen de elites of het volk.' Beeld Marcus Reichmann
Jan-Werner Müller: 'Ik wil niet hoeven kiezen tussen de elites of het volk.'Beeld Marcus Reichmann

U rekent in uw boek de media en de politieke partijen tot de ‘kritische infrastructuur’ van de democratie. Over politieke partijen klinkt veel ontevredenheid bij pleitbezorgers van democratische vernieuwing. U breekt er een lans voor?

“Er is natuurlijk van alles mis met onze partijen. Maar sommigen willen niet alleen het systeem verbeteren, ze wijzen het hele idee van representatie, van vertegenwoordiging, van de hand. Representatie zou automatisch tot ongelijkheid en tot een oligarchie leiden: een regering waarin enkelen de macht hebben. Er zit natuurlijk wel iets in die kritiek: representatie is niet op zichzelf een democratisch principe. Maar ze is er wel degelijk mee te verenigen. In mijn boek ga ik terug naar de basis: waarom zijn partijen er ook alweer? Sommigen verwachten het heil van burgerraden, van een geloot systeem of referenda, van ‘deliberatieve’ democratie. Ik zie dat als de verkeerde weg.”

Waarom?

“We hebben organisaties zoals partijen nodig om belangen te bundelen en te vertalen in collectieve acties en besluiten. Organisaties die ook een bepaalde duur hebben. Die dus niet ad hoc verschijnen en weer verdwijnen, maar die conflicten op een duurzame manier structureren. Zo helpen ze burgers, die ook nog wel wat anders te doen hebben dan zich met politiek bezig te houden – ik bedoel dat niet denigrerend – zich te oriënteren: zo ziet onze politieke landkaart eruit. Je kunt je identificeren met een groep, een richting.

“Partijen bieden in veel opzichten pluralisme. Het is natuurlijk een open deur: zonder pluralisme geen democratie. Het representatieve systeem biedt burgers de kans om zich steeds weer rond een ander, nieuw idee te verenigen. Representatie heeft een creatief, dynamisch element. Hoe conflicten worden weergegeven, doet ertoe. Conflicten worden ook gemáákt. Het is daarom een goede zaak dat er telkens weer nieuwe partijen op kunnen duiken die een nieuwe manier laten zien hoe je over het land of jezelf kunt denken, die nieuwe identiteiten bieden. Ze kunnen burgers het gevoel geven: ik nam tot dusverre niet deel, ik werd niet waargenomen, maar nu word ik wel vertegenwoordigd.

“Een wijdverbreid misverstand is dat verdeeldheid per definitie een probleem is. Maar conflicten zijn niet altijd erg, ze vormen eigenlijk de kern van politiek. Het gaat mis als er getornd wordt aan de status van burgers als vrije en gelijke leden binnen de politieke gemeenschap. Zodra je bepaalde groepen die status ontzegt, door ze ‘tweederangsburgers’ te noemen, overschrijd je wat ik de harde grens van de democratie noem. Binnen die harde grenzen hoort conflict erbij. Democratie gaat er juist om dat die zichtbaar gemaakt worden – zonder geweld. Partijen laten politieke krachtsverhoudingen zien, maken conflicten zichtbaar, definiëren die zelfs; verkiezingen genereren winnaars en verliezers. Daarom vind ik voorstellen voor verkiezingen via loting geen goed idee: je ziet dat krachtenveld dan niet.”

Welke voorstellen voor democratische innovatie vindt u wel veelbelovend?

“Burgers via loting kiezen kan nuttig zijn. Niet om wetten aan te nemen, maar om bijvoorbeeld referenda voor te bereiden en het volk als geheel een vraag voor te leggen. Dat moet dan gaan over vragen waarbij partijen potentieel te veel eigenbelang hebben. Zo zou het niet aan partijen moeten zijn om te beslissen of het parlement groter of kleiner moet worden. In Ierland stemden ze per referendum over abortus en het homohuwelijk. Ook bij zulke fundamentele ethische kwesties vind ik referenda zinvol.

“Verder is de kwestie van partijfinanciering buitengewoon belangrijk. Dat moet in veel landen echt anders. In Frankrijk kunnen rijke mensen veel invloed ‘kopen’ door partijen te financieren; voor hun giften krijgen ze belastingvoordelen terug. Zo subsidiëren de armen eigenlijk via de belastingen de voorkeuren van de rijken. De Franse politicoloog Julia Cagé oppert om elke burger een soort ‘tegoedbon’ te geven, een ‘democratie-voucher’ van, zeg, 50 euro. Die kunnen ze dan gebruiken om partijen financieel te ondersteunen. Van arm tot rijk: iedereen krijgt evenveel om aan partijen te besteden. Dat vind ik een interessant idee. Natuurlijk vergt dat wat, je moet je dan als burger wel informeren over die partijen, maar niemand heeft gezegd dat democratie geen inspanning vergt.”

U toont zich in uw boek bezorgd over de democratie. Toch wilt u niet van een ‘crisis van de democratie’ spreken. Waarom niet?

“Ik vind die crisisretoriek niet erg behulpzaam. Elke historicus kan je laten zien dat die er altijd al was. Ook in de jaren zeventig spraken velen over de ‘crisis van de democratie’. Eigenlijk is het altijd crisis. Ik vind dat je preciezer moet zijn. Dat op sommige plekken democratieën ophouden te bestaan is op zichzelf nog geen crisis van de democratie; dat gebeurt de hele tijd.

“Je hoort bijvoorbeeld vaak dat de mensen zich van de democratie zouden afwenden. En dan vooral de jonge mensen. Dat klopt gewoon niet. Die trend is er niet. Dat de democratie als ideaal niet dood is, blijkt ook uit het feit dat nieuwe autoritaire leiders zoals Orbán in Hongarije en Modi in India er lippendienst aan bewijzen. Ze zeggen niet, zoals sommige autocraten in de twintigste eeuw: democratie is chaos, dat willen we niet. Nee, ze doen alsof ze nog democratisch zijn. Niet dat dit nu een reden is om bijzonder optimistisch te zijn. Want mensen stemmen wel op deze leiders. En in de praktijk ondermijnen ze de democratie wel degelijk.

“Binnen een democratie moet je kunnen aangeven wanneer je precies van crisis spreekt. Ik zou zeggen: als de instituties een conflict niet meer aankunnen. In die zin was de bestorming van het Capitool een crisis: het was niet duidelijk of het systeem deze frontale aanval tegen de verkiezingsuitslagen zou overleven. Het spande erom.”

Jan-Werner Müller (1970) is een Duitse politicoloog die vooral bekend werd met zijn boek Wat is populisme? uit 2016. Hij schreef verder boeken over de geschiedenis van politieke ideeën en ideologieën in de twintigste eeuw, over politiek filosoof Carl Schmitt, over het idee van ‘constitutioneel patriottisme’ en over de politieke geschiedenis van Duitsland na de Tweede Wereldoorlog. Sinds 2005 is hij hoogleraar politieke theorie en ideeëngeschiedenis aan de Princeton University in de VS.

Lees ook:

Loopt het democratische tijdperk ten einde?

De Amerikaanse politicoloog Yascha Mounk gelooft dat de gestage opmars van het populisme de vrijheden in het Westen bedreigt. Deze week bracht hij zijn boodschap in Londen.

Een gekozen burgemeester? Referenda? Waarom meer democratie helemaal niets oplost

Nog meer democratie zal mensen alleen maar meer het gevoel geven niet gehoord te worden, denkt politiek filosoof Gijs van Oenen. De gekozen burgemeester? Referenda? Onmogelijk. De democratie is al overbelast.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden