SchrijverscolumnFranca Treur

De bron van het schrijverschap

Bart Chabot had altijd gezwegen over zijn moeilijke jeugd. Desondanks lijkt zijn schrijverschap een manier te zijn geweest om zich te laten gelden, zodat die akelige vader het nakijken had. Voor hoeveel schrijvers geldt iets dergelijks? Alex Boogers heeft ook een nieuw boek, en daar zit, als altijd, zijn jeugd (arm arbeidersgezin) ook weer in.

Van sommige schrijvers wordt gezegd dat ze maar één thema hebben. Dat is vaak onterecht, het is eerder dat hun werk altijd een spoor achterlaat naar dat ene. Hoe kan iemand dan steeds iets nieuws maken van steeds dezelfde oude kost? Dat kan omdat de schrijver ouder wordt, en er telkens andere vragen boven komen. En soms omdat bepaalde betrokkenen overlijden en zij of hij zich vrijer voelt.

Wie vroeger werk van Manon Up­hoff las (‘Gemis’, ‘Begeerte’, ‘Koudvuur’), is niet verrast door het seksueel misbruik dat gethematiseerd wordt in haar recente roman ‘Vallen is als vliegen’. Die gaat terug naar dezelfde bron, een bron die nog niet definitief lijkt uitgediept. Toen Marjolijn Februari destijds aan een vriendin van mij liet weten dat ze binnenkort met een aankondiging ging komen, en dat ze alle schepen achter zich zou verbranden, had die vriendin zich er tevergeefs het hoofd over gebroken wat dat kon zijn. Tot ze het aan mij vroeg. Waarschijnlijk wordt ze man, zei ik, want ik had haar vroege werk gelezen.

Als ik dat niet had gelezen, had ik het trouwens nooit geraden. Geslachtsverandering zit niet bepaald vooraan in mijn blikveld. Bij de meeste mensen niet, vermoed ik. Als ik een voorval uit de realiteit op papier wil gebruiken zonder de betreffende persoon in verlegenheid te brengen, maak ik meestal van een man een vrouw en andersom. Meteen weet niemand meer over wie het gaat, zelfs de persoon in kwestie niet.

Als ik dat deed, dan zou men weer beginnen over die Zeeuwse jeugd 

Van mijn vriend kreeg ik ‘De schoonheid van weerbarstig proza’ cadeau, een fijne essaybundel van Lydia Davis, met een Davis onwaardige, lelijke titel. Da­vis houdt van kort. Haar verhalen bestaan soms uit maar één regel. (Daarom stoort die ronkende titel me zo.)

Davis zegt dat ze al op haar twaalfde het gevoel had dat ze was voorbestemd om schrijfster te worden. Haar ouders schreven ook en publiceerden verhalen in de New Yorker. Haar bron is haar lief­de voor taal. Haar korte verhalen kunnen over álles gaan. Ze gaan zelfs re­gel- ­matig over het schrijven zelf, over het leren van een taal of over het vertalen. Heeft ze een verhaal af, dan is ze nieuws­gierig of het verhaal ook andersom verteld kan worden, dus met de uitsmijter eerst.

Tot mijn grote verbazing trof ik achter in de essaybundel oude foto’s aan van meisjes in Walcherse kle­derdracht op de markt in Middelburg. De foto’s blijken te zijn gemaakt door inmiddels gestorven Amerikaanse toeristen en Davis had ze in handen gekregen. Ze zoekt helemaal uit om wat voor dracht het gaat en om welke tijd, en vertelt zo en passant over de enorme diversiteit van de Nederlandse klederdracht en dat die nog zo bijzonder lang gedragen is. Ik herinner me inderdaad nog heel veel vrouwen met die typische Walcherse mutsjes bij ons vroeger in de kerk.

Het is tekenend voor Davis’ enorme veelzijdigheid om dit als onderwerp van haar essay te nemen. Wanneer ík dat zou doen, dan zou men zeggen dat ik een schrijfster was met maar één the­ma: die traditionele Zeeuwse jeugd van me.

Gerbrand Bakker schrijft met Franca Treur om beurten een column over lezen, schrijven en het literaire leven. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden