Sire-campagne

De aandacht voor de dood neemt toe, en dat werd ook weleens tijd

null Beeld Sire
Beeld Sire

De dood. Praat erover, niet eromheen. Die boodschap van de stichting ideële reclame, Sire, is opeens overal. En dat was hoog tijd, vinden velen.

Joost van Egmond

We hebben de dood naar de randen van de maatschappij gedirigeerd. Zo verwoordt Lucy van der Helm van de stichting ideële reclame, Sire, het uitgangspunt van de campagne die dinsdag begon. Met filmpjes, stickers en advertenties wordt het publiek aangemoedigd om juist wél dit moeilijke thema op tafel te leggen.

De campagne komt niet uit de lucht vallen. Medici als longarts Sander de Hosson vragen al tijden om meer aandacht voor stervensbegeleiding. Eind vorig jaar kwam de Raad voor de Volksgezondheid ook met een opmerkelijk advies: Nederlanders moeten beter gaan samenleven met de dood.

Sterven is niet te regisseren

Dat was koren op de molen van het landelijk expertisecentrum sterven, dat zes jaar geleden werd opgericht door Ineke Visser. Zij ziet de maatschappelijke aandacht voor de dood ook toenemen, mede onder invloed van de coronapandemie. “We merken dat we het toch niet zo onder controle hebben als we dachten”, zegt zij. “Sterven is niet te regisseren.”

Ook Rob Bruntink ziet de aandacht toenemen. Hij is een van de initiatiefnemers van bureau Morbidee, dat streeft naar een doodvriendelijke samenleving, waarin mensen open over het levenseinde kunnen praten. Die bereidheid om open te praten wordt onder artsen zeker groter, al blijft het een minderheid. Maar ook publieke rouw zie je nu vaker, meent hij. “We leven natuurlijk in een ontzettende emocultuur, en sociale media maken het ook gemakkelijker om je verlies te delen. Met bekenden en vreemden.”

Het was Visser die Sire op het idee bracht voor deze campagne. “Meestal verzinnen we het thema zelf”, legt Lucy van der Helm van Sire uit. “Maar bij dit idee dachten we direct: ‘dat we daar zelf niet opgekomen zijn!’”

Zoals gebruikelijk wilde Sire eerst weten wat er nu speelt in de samenleving middels een opiniepeiling. Daar kwamen schrijnende cijfers uit: 41 procent van de ondervraagden praat nooit over de dood, 54 procent geeft aan niet genoeg gesproken te hebben over de dood met iemand die er nu niet meer is.

Dooddoeners

Het leidde tot een brede campagne waarin aandacht wordt gevraagd voor luisteren naar stervenden en tegelijk voor echte aandacht voor nabestaanden. Centraal staat een lijst met ‘dooddoeners’, veelgemaakte opmerkingen zoals ‘gelukkig was het geen directe familie’ of ‘ik weet precies hoe je je voelt’. “Mensen zeggen zo vaak zulke dingen”, zegt Van der Helm, “ik zelf ook. Het is nooit lullig bedoeld, maar het doet mensen geen goed.” Ze kreeg al op de eerste dag ‘hartverscheurende’ reacties binnen van mensen die dergelijke dooddoeners hebben moeten aanhoren.

Visser is blij met alle aandacht. “Het begint met praten, maar dan rijst ook de vraag: hoe dan? Daar proberen wij handreikingen voor te bieden. Hoe voer je zo’n gesprek en vooral: hoe luister je? Want we zijn dat een beetje verleerd. Mensen sterven tegenwoordig op afstand, in ziekenhuizen of instellingen, terwijl dit bij uitstek iets is dat de gemeenschap aangaat. Zo kan naast verdriet en gemis ook dankbaarheid ontstaan en gedachten als ‘had ik maar’ worden voorkomen.”

‘Wel positief blijven hè?’ kreeg Natascha van Weezel te horen

Natascha van Weezel. Beeld Werry Crone
Natascha van Weezel.Beeld Werry Crone

Natascha van Weezel sprak veel met haar vader Max in de laatste fase van zijn leven, maar over de dood konden ze het niet hebben.

“Zal ik je mijn archief laten zien?”, vroeg journalist Max van Weezel aan zijn dochter Natascha. “Dan weet je waar alles ligt.” Het was kort nadat hij hoorde dat hij alvleesklierkanker had en waarschijnlijk niet lang meer zou leven.

“Het was zijn manier om me te vertellen dat ik een boek moest schrijven”, zegt Natascha van Weezel. “Voor mij betekende het dat ik onder ogen moest komen dat hij zelf niet lang meer zou leven.”

‘Ik heb dat als heel zwaar ervaren’

De twee gingen ervoor zitten en hielden lange gesprekken, achtentwintig in totaal, twee keer per week. “Mijn vader was iemand voor wie alles altijd nut moest hebben. Hij wilde best honderd uur met mij praten, maar dat moest tot een boek leiden. Ik moest dat doen en daarin lag besloten dat hij wist dat hij doodging, maar tegelijk wilde hij dat niet weten.”

“Door deze omweg heb ik zijn hele levensverhaal gekregen. Maar over de dood hebben we het niet gehad. Dat wilde hij echt niet. ‘Ik ben bang voor het grote niks’, zei hij. Ik heb dat als heel zwaar ervaren.”

Van Weezel hoopt dat de Sire-campagne kan helpen de dood en rouw bespreekbaarder te maken. “Het is een afschuwelijk onderwerp, maar ik had hem graag gerust willen stellen. Ik had hem willen helpen.”

‘Waar bemoeit iedereen zich mee?’

De campagne over de dooddoeners die je onderweg te horen krijgt, is extreem herkenbaar. Ze somt er zo een reeks op uit haar eigen ervaring: ‘Wel positief blijven he?’, ‘Ben je nog niet aan het werk?’, ‘Jij had tenminste een goeie band met je vader, ik niet.’

“Waar bemoeit iedereen zich mee? Als ik iets heb geleerd over rouw is dat het op zijn eigen tempo gaat. Maar als het niet goed met je gaat, wordt dat niet geaccepteerd. Als we de dood wat minder uit de weg zouden gaan, zou er wat meer ruimte kunnen komen voor rouw.”

Het boek over Max van Weezel komt er, maar van de geplande dertig hoofdstukken ontbreken de laatste twee, over ziekte en over afscheid. “Ik denk niet dat dat toeval is”, zegt Natascha van Weezel. “Ik denk ook dat ik het niet durfde.”

Onderzoeker Eric Venbrux: We moeten rond dood en sterven veel meer naar verbinding zoeken

Volgens onderzoeker Eric Venbrux zijn we steeds meer op onszelf aangewezen rond de dood. ‘De kerken zouden ons kunnen helpen met de dood in het reine te komen.’

Eigenlijk heeft hij vooral lovende woorden voor de Sire-campagne om de dood meer bespreekbaar te maken. Maar, zegt Eric Venbrux, hoogleraar godsdienstwetenschappen aan de Radboud Universiteit, er wordt juist al ontzettend veel over de dood en sterven gesproken. “Je hoeft de televisie maar aan te zetten en het gaat erover. Het is bijna een obsessie geworden. Alleen merk je dat we opnieuw in het reine moeten komen met de dood, want we hebben er geen pasklare vormen meer voor. Het is nu veel meer aan onszelf.”

Venbrux is van oorsprong antropoloog en onderzocht onder meer hoe wij Nederlanders met sterven omgaan en hoe we rouwen. De kerken hadden in ons land lang een soort van monopolie op de dood. Ze bepaalden hoe we afscheid van elkaar namen en waar we na ons overlijden naartoe gingen: hemel of hel. “Maar de kerken hebben enorm aan betekenis verloren en mensen worden steeds meer op zichzelf teruggeworpen. Vroeger lag het draaiboek rond je levenseinde klaar. Nu mag je zelf antwoord geven op de vragen als: ‘Hoe wil je dat het straks gaat en ‘Denk je dat er iets is na de dood?’”

Angst voor het sterven

Volgens Venbrux heeft er een medicalisering plaatsgevonden van het sterven. De pastoor en de dominee hebben plaatsgemaakt voor de dokter. “Er is het idee dat je vooral gezond oud moet worden. De angst voor de hel is vervangen door de angst voor het sterven en dan met name de aftakeling.”

Ook al zijn de kerken minder aanwezig, toch zouden ze naar de mening van Venbrux ook de moderne Nederlanders kunnen helpen zich met de dood te verzoenen. “Gek genoeg zwijgen de kerken steeds meer over een hiernamaals. Ik zou zeggen: praat er juist meer over. En denk aan de lange doorleefde tradities van rituelen die houvast bieden. Jullie hebben iets unieks in de aanbieding.”

Dodenmis

De kerken kunnen dus veel doen, zegt de antropoloog. “Dan gaat het heel eenvoudig om het bieden van troost. Daar zijn ze al eeuwen specialist in. Dat kan in een pastoraal gesprek zitten, maar ook in een kerkelijke uitvaart. Neem nou de katholieke dodenmis. Die biedt troost, maar markeert ook een overgang. De dood wordt benoemd en tegelijk wordt het verdriet van de nabestaanden ingebed in de geloofsgemeenschap. We moeten rond dood en sterven veel meer naar verbinding zoeken, ook als je niet kerkelijk bent. Als we collectieve vormen hebben waartoe we ons kunnen verhouden, is het gemakkelijker om met de grote vragen van het leven om te gaan.”

Zelf heeft hij met zijn dierbaren gesproken over hoe het moet gaan als zijn einde nadert en wanneer dat einde daadwerkelijk daar is. Venbrux wil gecremeerd worden. “Ik heb onderzoek gedaan naar doodsrituelen van Australische Aborigines. Ze maken bijvoorbeeld prachtige grafsculpturen die heel troostrijk zijn. En rond het afscheid wordt heel veel gedanst. Dat mag bij mijn uitvaart ook.”

Stijn Fens

Lees ook:

‘We moeten rond dood en sterven veel meer naar verbinding zoeken’

Volgens onderzoeker Eric Venbrux zijn we steeds meer op onszelf aangewezen rond de dood. “De kerken zouden ons kunnen helpen met de dood in het reine te komen.

Longarts Sander de Hosson: ‘Je hoeft niet altijd tot het bittere eind te knokken’

Sander de Hosson (43) houdt niet van kreten als ‘vechten tegen de dood’. Hij zet als longarts in op kwaliteit van leven, juist in die laatste levensfase. ‘Je hoeft niet altijd tot het bittere eind te knokken.’

Catja stierf en voelde een overweldigende liefde. Tot ze werd teruggehaald

Welk verhaal geeft uw leven zin? In deze reeks vertellen Trouw-lezers hun zingevingsverhalen. Vandaag: Catja de Rijk (54). ‘Vaak hoor je: als ik sterf, wil ik iedereen om me heen hebben. Ik heb niet aan mijn gezin gedacht, niet aan dierbare vrienden. Ik gleed een mooie, gladde, zachte tunnel in.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden