Tien GebodenJohn van Eerd

‘Dat hele verhaal over seksueel misbruik had ik liever voor me gehouden’

Beeld Mark Kohn

Jon van Eerd (Maastricht, 1960) is acteur, zanger en schrijver. Hij won vijf keer de Johnny Kraaijkamp Musical Award, twee keer de Musicalworld Award én de Johan Kaartprijs. In 2015 begon hij een eigen theaterproductie-bedrijf: het Pretpakhuis. Tot 10 mei is Van Eerd nog in diverse theaters te zien met de komedie 'Herrie in de keuken'.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

“Er gebeurt waarschijnlijk veel meer tussen hemel en aarde, maar ik geloof niet dat het iets kan zijn wat door mensen is bedacht.”

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

“Het ligt een beetje aan mijn bui. Als ik autorijd, komt het weleens voor dat ik begin te schelden op degene die – godverdomme, vuile egoïst! – vergeet z’n knipperlicht aan te zetten en toen ik net op Twitter zat, kon ik me soms ook behoorlijk boos maken, bijvoorbeeld op zo ­iemand als Johan Derksen, die tijdens een uitzending van ‘Pauw’ eerst schaamteloos verkondigde dat hij een goedbetalende knakworstenfabrikant zó op de cover van ‘Voetbal International’ zou zetten om vervolgens nog even een nare ­opmerking over ‘musicalnichten’ te maken. Ik schreef: ‘Wat heeft dat knakworst-mannetje nou eigenlijk gepresteerd in de voetbalwereld? Volgens mij heeft hij in z’n hele leven maar één doelpunt gemaakt!’

“Afijn, dat werd een behoorlijke fittie; ik werd afgemaakt door al die voetballiefhebbers. Dood moest ik, dóód! Echt bizar. De laatste jaren post ik vooral positieve dingen. Ik maak me nog wel kwaad hoor, maar dan spreek ik mezelf eerst vriendelijk toe: nee Jon, nu niet, vandaag niet... En dat werkt.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

“Voor mij is de maandag een rustdag, of zou dat eigenlijk móeten zijn. Ton, mijn man, kan heel goed niets doen. Die kan zomaar op de bank zitten en alles wat in hem opkomt zo’n beetje voorbij ­laten trekken. Voor mij heeft het meteen consequenties; wat ik bedenk moet zo snel mogelijk in woord of daad worden omgezet.”

IV Eer uw vader en uw moeder

“Op mijn zesde werd ik met vage klachten – hartruis, zei de dokter – opgenomen in het ziekenhuis. Ik moest er een half jaar blijven en heb daarna nog maandenlang in een bed in de woonkamer gelegen. Op een middag kwam mijn moeder thuis en zei, letterlijk: ‘Zo, kom er maar uit’. Ik was, om raadselachtige ­redenen, ineens weer beter verklaard. ‘Ga maar buiten spelen.’ Ik moest ook ­gewoon doorgaan in de derde klas van de lagere school, maar ik had natuurlijk een flinke leerachterstand opgelopen en zou vanaf dat ­moment altijd het gevoel houden dat ik niet goed genoeg presteerde. Ik was ­onzeker, ik werd gepest.

“Gelukkig ontdekte ik op tijd dat ­humor een reddingsmiddel kon zijn – ik heb heel wat weggelachen in die jaren. En ik was ook gek op het toneel. Er was een dansgroepje op school, maar daar mocht ik van mijn moeder niet aan meedoen. Dansen was voor meisjes. De schoolmusical? Nee, dan schiet de studie erbij in. Het was gewoon nooit goed. Ik werd een ‘moeilijk kind’, ging van de ene naar de andere school en kwam op een internaat terecht waar ik door verschillende paters seksueel werd misbruikt...

“Ik vertel het je nu zo, maar liever had ik dat hele verhaal voor me gehouden. Toen die misstanden van de katholieke kerk aan het licht kwamen, heb ik er in 2011 in de Volkskrant al iets over gezegd. Dat was goed, vond iedereen. En belangrijk. Maar ik moet je eerlijk bekennen dat ik er sindsdien alleen maar méér last van heb gekregen. Er komt iedere week wel weer een nieuwe herinnering naar ­boven. Ik dacht dat ik ze heel goed had weggestopt, deksel erop, klaar, maar nu ben ik alweer jaren bezig om er een nieuwe put voor te vinden.

“Een paar dagen na het verschijnen van het interview belde mijn moeder. Ze was in alle staten: ‘Ik wist hier helemaal niks van. Als ik het had geweten zou ik met een mitrailleur naar dat internaat zijn gegaan! En nu denkt iedereen dat ik je zomaar naar die paters heb gestuurd, of dat het mijn schuld is dat je homo bent geworden!’ Ik ben toen voor het eerst van mijn leven tegen haar in opstand gekomen en heb gezegd: ‘Mam, dit gaat niet over jou. Dit is mijn verdriet en daar blijf je vanaf’.

“De relatie met mijn moeder is altijd zeer moeilijk geweest. Ik herinner me ook mooie momenten hoor, maar er was continu ruzie in huis. Mijn zus zal zeggen dat het allemaal best wel meeviel.

En dat ik niet de vuile was buiten moet hangen. Mijn broer is veel pragmatischer; hij heeft zich nooit veel van al dat gedoe aangetrokken. Ik ging overal tegenin; ik was lastig. Mijn vader sloot zich af – ‘Dat gezeik’, zei hij dan – en áls hij partij moest kiezen, koos hij voor mijn moeder. Ze was dominant. Ze was ambitieus. Haar kinderen moesten studeren, musea bezoeken en naar klassieke muziek luisteren. Ze sleepte mijn vader hierin mee, terwijl die man véél liever een biljartje ging leggen, of een pilsje drinken in ’t café.

“Mijn vader was heel amicaal, zeer ­geliefd in de buurt. Dat was voor mijn moeder ook een reden om verongelijkt te doen: ‘Naar jou zwaaien ze, mij zien ze niet staan’. Ik heb me toen ik wat ouder werd weleens afgevraagd waarom mijn ouders in godsnaam bij elkaar bleven. Toch hebben ze op latere leeftijd nog best veel ondernomen samen. Uiteindelijk was het toch een eenheid, die twee.

Beeld Mark Kohn

“Mijn vader is 76 geworden, maar hij kreeg op zijn 56ste al te horen dat hij lymfeklierkanker had. Hij is nog met Ton en mij mee naar Frankrijk geweest, heeft de grond gezien waarop we later ons tweede huis hebben gebouwd. Als ik daar ben, moet ik er vaak aan denken hoe prachtig hij het gevonden zou hebben...

“Mijn moeder is in 2013 op 86-jarige leeftijd overleden. Ik zocht haar, na mijn vaders dood, eens per twee, drie weken op in Maastricht. Die bezoekjes verliepen iedere keer op dezelfde manier: eerst was het leuk, maar al snel zocht ze ruzie, waarna ik riep dat ik wegging en zij ­begon te jammeren: ‘Ach, jongske toch, heb ik weer zo rot zitten doen, ge weet toch wel dat ik het niet meen?’

“En als ik haar dan later bij het raam zag staan zwaaien, voelde ik me tóch weer schuldig. Het was zo uitputtend ­allemaal dat ik, op weg terug naar Amsterdam, meestal bij het eerste tankstation stopte om een beetje bij te komen, om vervolgens uitgeput in slaap te vallen... Ik heb vaak geprobeerd om met mijn moeder over vroeger te praten; hoe komt het toch dat je zó boos bent geworden op de wereld? Waarom kan je nooit de zon zien schijnen? Ze heeft het me nooit verteld.”

V Gij zult niet doden

“Fysieke agressie ken ik niet. Zo’n prehistorische vechtpartij tussen Rico Verhoeven en Badr Hari, vorig jaar: sorry, maar dat is toch krankzinnig? Ik begrijp niet waarom mensen zoveel bewondering hebben voor twee mannen die ­elkaar helemaal in elkaar rammen. Ik kan het wel met woorden af. En soms wens ik... nee, wacht, ik geloof niet dat ik ooit iemand dood heb gewenst, maar ik kan niet ontkennen dat ik weleens heb gedacht: waarom krijgt zo’n man als Donald Trump geen kanker en een van mijn beste, lieve vrienden wel?”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

“Voor mijn ouders, en met name voor mijn moeder, waren dingen al heel snel seksueel geladen. Doktertje spelen, dat was niet zoiets als twee kinderen die ­elkaar hun blote billen laten zien, nee, er werd onmiddellijk ingegrepen en uren op je ingepraat; hoe fout het was, niet netjes, en dat we het nóóit meer moesten doen. Voortaan bleven de ­deuren van onze kamers open.

“Ik geloof niet dat ik me er veel van aantrok... Tegen de tijd dat ik echt iets seksueels begon te ervaren, hield ik ­gewoon mijn mond. Ik had nooit het idee dat ik iets deed wat niet mocht, het was vooral iets waarvan ik wist dat zij het niet wilden. Het internaat... ja, dat is een heel ander verhaal. Daar liepen vieze oude mannen rond. Daar was dreiging: als je het vertelt, dan geven we je lagere cijfers of sturen we je van school. Wil je nóg een keer van school gestuurd worden? Nee toch? Ze kwamen op de slaapzaal, later in mijn chambretje, en begonnen me zomaar aan te raken. De eerste keer heb ik nog van me afgeslagen, maar ze waren veel groter, veel sterker en ze kwamen bovendien elke avond weer ­terug... Ik geloof dat ik mezelf op een ­zeker moment gewoon heb uitgeschakeld. Als ik niets doe, dacht ik, gaat het misschien wel sneller voorbij.

“Na drie jaar kon ik eindelijk het internaat verlaten. Ik weet niet of ik die vreselijke gebeurtenissen ooit een plaats zal kunnen geven. Ik kan heus de schoonheid nog wel zien die het geloof óók heeft voortgebracht, maar als ik die prachtige kathedralen zie, moet ik toch vooral denken aan de duizenden mensen die er verschrikkelijke armoede voor hebben moeten lijden en als Antoine ­Bodar-achtige priesters over liefde praten, hoor ik een hypocriet verhaal.

“En wat die paters van het internaat betreft: als ‘gij zult vergeven’ ook een ­gebod is, kan ik je nu meteen vertellen dat ik daar nooit naar zal luisteren.”

VII Gij zult niet stelen

“Als ze mij ‘de nieuwe John Lanting’ noemen, raak ik geïrriteerd. Ten eerste omdat ik geen kluchten maak, zoals hij dat deed, maar vooral ook omdat John een draak van een kerel was, een vervelende, onsympathieke man met wie ik helemaal niet geassocieerd wil worden.

“Als ik dan toch iemand moet noemen van wie ik dingen heb afgekeken, dan is het Lucille Ball. Niet dat ik ooit iets letterlijk overneem; ik maak altijd overal mijn eigen versie van.

“Vroeger was het overigens veel makkelijker om het werk van collega’s zonder bronvermelding te gebruiken. Als Wim Sonneveld in Frankrijk een mooi liedje hoorde, schreef hij er een andere tekst bij en zei vervolgens doodleuk dat het nummer van hem was. ­Laten we eerlijk zijn: Annie Schmidt heeft zich in hoge mate laten inspireren door bestaand werk en ook Jos Brink lette goed op wat er in de buitenlandse theaters werd gebracht. Ik heb vaak gekeken en gedacht: hé, dat lijkt erg op ‘Les Misérables’! Of: ken ik dit niet uit ‘Cabaret’?”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“Ik hou wel van een goede roddel... om te horen, niet om zelf te verspreiden. Er wordt wel gezegd dat alle homo’s roddelnichten zijn, maar ja, ze zeggen ook dat alle homo’s zich van achteren willen laten nemen en daar houd ik ook niet van. Misschien ben ik gewoon a-typisch. A-typisch in alles wat ik doe.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

“Ton en ik zijn in 2007 getrouwd, maar zijn al veel langer bij elkaar. We hebben een gesloten huwelijk, vooral omdat ik zo jaloers ben aangelegd. Ik zou het niet kunnen verdragen als hij seks had met een ander. Seks is voor mij verbonden met liefde. Ik ben niet iemand die seks kan hebben om de seks alleen. Ik zie ­genoeg mannen rondlopen met wie ik wel even de bosjes in zou willen duiken, maar ik weet wat daarna komt: verliefdheid, drama en gedoe. Ton is minder seksueel ingesteld dan ik. Dat vind ik soms best lastig. Er zijn koppels die tegen elkaar zeggen: nou, schat, veel plezier en tot morgen. Het lijkt me heerlijk, maar bij ons zal het tot een breuk leiden en dat wil ik niet.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Als ik weet dat iemand de kantjes ­ervan afloopt en vervolgens in een dikke Porsche voorbij komt scheuren, ben ik misschien wel een heel klein beetje jaloers. Of als ik genomineerd word voor een prijs en ik weet voor 99,9 procent zeker dat de beslissing om hem aan een ander toe te kennen een politieke is geweest: ja.

“Maar weet je wat ik eigenlijk nóg lastiger vind om te verkroppen? Dat ik steeds minder tijd over heb om de dingen te doen die ik wil. Het is een gemengd ­gevoel, want het is ook prettig om rustiger te worden in mijn hoofd, maar als ik denk aan alles wat jonge mensen nog kunnen ondernemen in hun leven, aan al die dingen waar ik niet meer aan toe zal komen... Ik zou zo graag Italiaans willen leren spreken, echt goed piano willen leren spelen, honderdduizend stukken schrijven – als ik het in termen van producties bekijk, dan kan ik, tot mijn ­zeventigste, nog maar tien voorstellingen maken!

Ik ben niet iemand die niet zonder ­applaus kan of zo; ik wil gewoon mee blijven doen. Vroeger kon ik niet slapen – er gebeurde nog zo veel beneden! – en toen had mijn moeder op een avond besloten dat mijn broertje, die vier jaar ouder is dan ik, ook maar meteen naar bed toe moest. ‘Zodra Jon in slaap valt, kom jij maar naar beneden’, zei ze. Mijn broer was een goede verhalenverteller, dus na ieder verhaaltje zei ik: ‘Nog één!’ ‘Oké, kort verhaaltje dan.’ Als ’t afgelopen was, begon ik weer te roepen: ‘Nog een verhaaltje!’ Op een gegeven moment was hij het zat: ‘Als je nu niet gaat slapen, ben ik je broertje niet meer!’

“Ik weet nog hoe bang ik was, zo bang dat ik nu dáárdoor niet meer kon slapen. Dus fluisterde ik: ‘Maarten?’ ‘Ja?’ ‘Je bent toch nog wel mijn broertje?’ Verder durfde ik niets meer te zeggen. Na een tijdje dacht hij dat ik eindelijk in slaap gevallen was. Hij liet zich op de grond zakken en schoof op zijn rug, over het zeil, naar de deur, maar nog voor hij die had opengedaan zat ik alweer rechtovereind en vroeg: ‘Wat ga je doen?’

Ik geloof dat hij daarna gewoon weer langer op mocht blijven. En ik bleef wakker liggen, bang om iets te missen. Zo voelt het eigenlijk nog steeds: ik wil niet dat de dag eindigt. Ik wil nog niet naar bed.

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden