EssayDe wereld na corona

Corona heeft gezorgd voor de herontdekking van het nabije

Het virus verbond ons met de rest van de wereld en noodzaakte tot afzondering, met de beweging van een trekharmonica. Kunnen we later op onze corona-ballingschap terugkijken als het lange, merkwaardige jaar waarin iets in gang werd gezet?

Het was de eerste dag van de lente, koud nog, met een gemene wind. Maar de zon scheen. Ik had net mijn wandelschoenen aangetrokken om te beginnen aan het IJsselpad toen de telefoon ging. De krant aan de lijn, of ik een stuk wilde maken over de nieuwe wereld waarin we opeens leefden, een wereld in de greep van een virus. Het waren de dagen dat we wc-papier hamsterden, en paracetamol. Sinds een week zat het land op slot, halsoverkop was zelfs de horeca dichtgegooid en we hadden boterhammen gesmeerd voor onderweg – ook dat was nieuw, al deed het denken aan lang geleden.

Eigenlijk was het natuurlijk veel te vroeg om iets te zeggen over wat ons boven het hoofd hing, we stonden nog maar aan het begin van wat een lang en merkwaardig jaar zou worden. Maar er was wel al een beweging voelbaar die niet meer zou verdwijnen, de beweging van een trekharmonica: steeds weer van buiten naar binnen en omgekeerd. En dat gold niet alleen voor de verschillende ruimtes die we wel of niet in groepen van drie of meer mochten betreden, er was eenzelfde beweging op grotere schaal. Het virus verbond ons met de rest van de wereld, al was het maar omdat het van continent naar continent en van land naar land reisde, en het noodzaakte ons ook ons terug te trekken of zelfs af te zonderen.

Voor sommigen was die afzondering heilzaam, voor anderen niet; er was de eenzaamheid van de quarantaine, het alleen-zijn van zieken, de onmacht van geliefden op afstand, de angst bij het woord IC. In het licht daarvan leek het bijna wreed gewag te maken van de rust en de verstilling in het land, maar die was er ook. Zelf ervoer ik – liefst wandelend – de ongenaakbaarheid van de natuur als een welkome relativering van onszelf en ons lot. En er school ook een zekere betovering in de slapende steden, verlaten kantoren, lege treinen. Al realiseer ik me nu dat dit de onschuld van het voorjaar was: na de korte vreugde van de zomer werd het najaar een seizoen van onvrede, ongeduld en onrust.

Verlangen om grip te krijgen op wat ons treft

Het was ook onrust, vermoed ik, die menigeen ertoe bracht op zoek te gaan naar een bedoeling achter de pandemie, zo niet een hogere hand. Het Reformatorisch Dagblad drukte een preek af uit 1853 van dr. J.J. van Oosterzee te Rotterdam, uitgesproken toen de cholera weer uitbrak nadat die in de winter van 1848 op 1849 al 22.000 mensen het leven had gekost. ‘De slaande engel en de Vredevorst’, luidde de titel. “Nee,” sprak Van Oosterzee, “de bode van het bederf grijpt niet in het blinde om zich heen waar hij zijn slachtoffers telt en velt in ons midden. Zijn reiskaart is door een hogere vinger getekend, voor hij zijn noodlottige wandeling begon.”

Ik schreef erover in een column, over dit verlangen om grip te krijgen op wat ons treft, iets dat niet alleen een religieuze verwoording kreeg, maar net zo goed doorklonk in de sociaal-darwinistische verzekering dat corona niets anders was dan een ingreep van de natuur om het menselijke kreupelhout op te ruimen.

Mij leek het beter te leren leven met de ongerijmdheid van de dingen, en niet naar een verborgen zin te zoeken. Ik kreeg een brief van een lezer die me wees op een boek waarover ik wel had gehoord, maar dat ik niet had gelezen: De brug van San Luis Rey van Thornton Wilder, gepubliceerd in 1927. Ik kocht het meteen. Dit is het verhaal: op een julidag in 1714 stort de mooiste brug van heel Peru in, en vijf mensen verdwijnen in de diepte van de rivier daaronder. Dit gebeurt voor de ogen van de monnik Juniper, die al heel lang aan de wereld wil ­bewijzen dat niets zomaar gebeurt. Als hij kan achter­halen wie de vijf ongelukkigen waren die in het niets verdwenen, kan hij het hoe en waarom van Gods handelen bekendmaken. We hebben het over een 93 jaar oud boek, dus ik mag de plot wel prijsgeven: het hoe en ­waarom blijft duister. Of ik moet het helemaal verkeerd hebben begrepen, wat goed mogelijk is als het gaat om Gods ondoorgrondelijke wegen.

Beeld Suzan Hijink

Dezelfde lessen als voorheen

Misschien werden er te gretig lessen ­getrokken uit de crisis, op een gegeven moment kreeg ik genoeg van het ‘juist nu’ van lieden die je een bepaalde ­richting in wilden duwen. En dat wij moesten beseffen, juist nu, dat het bestaan niet maakbaar was, klonk na verloop van tijd ook niet meer als een diep en verrassend inzicht. Veel van de lessen die ons werden voorgehouden, waren precies dezelfde lessen als voorheen, maar dan in corona-verpakking. Zelf deed ik het ook, in het stuk dat ik schreef in maart: ‘Ik stip wat dingen aan, in de wetenschap dat alles nog schimmig is, maar het lijkt me duidelijk dat we een comeback van de overheid meemaken, dat er sprake is van een herwaardering van ondergewaardeerde beroepen, en dat we zien dat er in geval van nood (denk aan de klimaatcrisis) veel meer mogelijk is – ook financieel – dan de kleine marges van de politiek tot dusver deden vermoeden.’

Het zijn nog steeds geen onzinnige punten, maar het zal nog moeten blijken wat hiervan bestendig is. ­Zullen we, nadat het vaccin hopelijk zijn werk heeft ­gedaan, niet gewoon weer teruggaan naar hoe het was? Niemand weet het, ook niet degenen die zeggen dat ze het wel weten. Maar de beweging van de trekharmonica blijft zichtbaar – van binnen naar buiten en omgekeerd. De globalisering is onder druk komen te staan, het ­nabije is aantrekkelijker geworden, het verre klinkt als een gevaar, maar ons herstelfonds is Europees en we ­halen de vaccins van over de grens.

Vaarwel van het grootste globaliseringstijdperk

De internationale handel lijdt schade nu ­landen afscheid nemen van de gedachte dat bedrijven en goederen gelijk behandeld moeten worden, ongeacht hun herkomst”, constateerde The Economist bedroefd. ­’Regeringen vragen belastingbetalers nationale bedrijven te stutten via steunmaatregelen, zodat die een voorkeursbehandeling krijgen.’ Maar dit vaarwel van ‘het grootste globaliseringstijdperk’ valt ook anders te ­duiden; door de locatie van productie en consumptie ­dichter bij elkaar te brengen, treedt niet alleen verlies op, maar ook winst. In sociaal opzicht (niet langer wordt arbeid voortdurend verplaatst naar de plek waar de ­lonen het laagst zijn) en in ecologisch opzicht (de milieuschade, vooral door internationaal transport, wordt verminderd). Er kan een ‘globalisering-plus’ ontstaan, zei de Franse filosoof Bruno Latour daarover in Het ­Financieele Dagblad. Latour, die dit jaar de Spinozalens ­ontving, ziet daarin een route om enerzijds de valkuil van een benauwd nationalisme te ontwijken en anderzijds te komen tot nieuwe vormen voor de mondiale ­economie. “Niet meer de globe exploiteren, maar er ­verantwoordelijkheid voor nemen door een duurzamere levensstijl.”

Dat de herontdekking van het nabije niet ten koste hoeft te gaan van de betrokkenheid bij het verre, werd in deze krant treffend geïllustreerd door een reportage vanaf een bedrijventerrein in Arnhem. Daar staat de Mondkapjesfabriek, waar een product wordt gefabriceerd dat bij het uitbreken van de pandemie in Nederland niet beschikbaar bleek. Volgende maand verhuist het bedrijf naar een nieuw pand, en dan zal het de productie van medische mondkapjes verhogen van 50.000 naar 200.000 per dag.

De Mondkapjesfabriek

Made in Holland, inderdaad. Maar wel door 24 statushouders, vluchtelingen uit landen als Iran, Syrië en Oeganda, die via de Refugee Company werk vonden in de Mondkapjesfabriek. Het is niet dat met dit voorbeeld toch een bedoeling is gegeven aan deze crisis. Het gaat niet om het zoeken naar een verborgen zin, maar om het vinden van een zinnige respons. Geen hogere vinger. Al stuitte ik bij de Italiaanse schrijfster Natalia Ginzburg op een citaat dat de zaak net iets anders belicht. De rela­tivering van onszelf, die ik in het begin van dit essay noemde, is bij haar ‘het ontdoen van een loden gewicht’. En ze brengt dat toch voorzichtig in verband met God. ‘Wie gelooft, voelt geen enkele trots; en wat voor reden zou hij trouwens hebben om trots te zijn op een stompje kaars in zijn hand dat steeds op het punt staat uit te ­doven? Als God bestaat, bevindt hij zich altijd op die ­momenten en op die plaatsen waar iemand zich ontdoet van het loden gewicht van zijn eigen wezen en zijn ogen opricht uit het donkere en giftige gisten van zijn eigen geweten. Hij kijkt naar zichzelf alsof hij naar een ander kijkt (...).’

Ik ontleen dit licht aangepaste fragment aan ­godsdienstfilosoof Renée van Riessen, het boek van Ginzburg zelf (Mensen om mee te praten) kon ik nergens meer op de kop tikken. Wel vond ik een Engelstalige bundel van haar werk en daarin een ander verhaal dat van verschillende kanten in verband is gebracht met de coronatoestand: Winter in de Abruzzen. In deze autobiografische tekst vertelt Ginzburg hoe zij en haar man Leone wegens antifascistische activiteiten werden verbannen naar het bergdorp Pizzoli – ze woonden daar met hun kinderen van 1938 tot 1943. Ze hadden het er zwaar en verlangden steeds terug naar Rome. Als de eerste sneeuw begon te vallen, werden ze overvallen door ‘een trage droefheid’. Dan opeens staat er deze zin: ‘Mijn man stierf in de Regina Coeli-gevangenis in Rome, een paar maanden nadat we het dorp hadden verlaten.’

En het is vanwege deze ontknoping – Leone werd doodgemarteld door de nazi’s – dat Ginzburg met een heel andere blik gaat terugkijken op de ballingschap in Pizzoli; het was de beste tijd van haar leven. ‘Dromen worden nooit waarheid en zodra we ze in stukken zien vallen, begrijpen we ineens dat de grootste vreugden van ons leven buiten de werkelijkheid staan.’

Komt er een moment dat wij op eenzelfde manier terugkijken op de ballingschap die corona heette? Het lijkt me te rooskleurig gedacht, alleen al vanwege al het verdriet dat schuilgaat achter het woord ‘oversterfte’. Daarnaast: de eerste golf had het nog in zich, de tweede veel minder. Naarmate het najaar vorderde, raakte de troost van de natuur verder uit het zicht en in de mensenwereld leek verstilling plaats te maken voor angst, soms vermomd als agressie. Toch zou het kunnen dat we vroeger of later, als we wat meer afstand hebben, zullen zien dat er meer was dan winter. Dat er iets bewoog. 

Lees ook:

Leer te leven met de ongerijmdheid van de dingen, en vecht niet om toiletpapier

‘De hoofdredacteur van Trouw vroeg me onlangs of ik niet een beetje somber was’, schrijft Stevo Akkerman in zijn  column. ‘Ik haastte me te wijzen op anderen, veel somberder dan ik, maar kon moeilijk ontkennen dat sommige dingen me zorgen baren.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden