Levenslessen Jan van Hooff

Bioloog Jan van Hooff: Dieren in gevangenschap? Dat kan niet alleen, dat móét zelfs

Beeld Merlijn Doomernik

De wieg van bioloog Jan van Hooff (83) stond in Burgers’ Zoo, het dierenpark dat door zijn opa werd opgericht en waar zijn broer Antoon later directeur werd. Een leven lang apen kijken leerde hem als onderzoeker veel over de mensheid en over zichzelf. Donderdag verschijnt zijn autobiografie.

1 Wat de een bijzonder vindt, is voor de ander gewoon

“Ik wist niet beter dan dat het normaal was om tussen leeuwen en apen op te groeien. Mijn ouderlijk huis stond aan de Schelmseweg, aan de rand van Arnhem, op de top van de Zuid-Veluwse heuvelrug. Onze achtertuin kwam op het dierenpark uit. We woonden er met z’n zevenen: mijn ouders, mijn grootouders, mijn jongere broer en zus en ik. Naast de woonkamer was een kamertje dat we ‘het loket’ noemde. Meestal zat mijn oma daar kaartjes te verkopen. Dat deed ze tot haar 91ste. Vermoedelijk was ze daarmee de oudste caissière ter wereld.

Natuurlijk hoefden mijn vriendjes en ik niet te betalen. Via de pelikanen en de wasberen glipten we het terrein op. Ik weet nog dat ons buurjongetje Karel bij het verstoppertje spelen net te ver in een holle rots kroop. Stond hij ineens naast de leeuwenkraamkamer, waar een leeuwin met haar pasgeboren welpjes zat. Door de tralies heen sloeg ze een paar bloedige krassen in zijn bil. Gelukkig slikten zijn ouders ons prikkeldraadverhaal.”

2 Blijmoedig zijn helpt

“De zomers van toen waren in mijn herinnering allemaal warm, de winters sneeuwwit. Heerlijke, zorgeloze jaren. Op mijn vijfde ging ik naar de ‘bewaarschool’ in Arnhem. Zo noemden ze mijn kleuterschool, gerund door een paar lieve nonnen met enorme hoofdkappen. Je kunt het je nu niet meer voorstellen, maar ik reisde daar als klein knulletje dagelijks alleen met de tram naartoe. Met om mijn nek mijn tramabonnement. De oorlog was toen al uitgebroken, maar de eerste jaren ondervond ik daar niet veel stress van. Dat veranderde in september 1944, na de Slag om Arnhem. Aan de rand van de verwoeste en verlaten stad gingen we een barre winter tegemoet. Als er een paard van de Duitsers dood langs de weg bleef liggen, trok mijn vader er in de ijskou op uit om zo’n kadaver uit elkaar te halen. Konden de leeuwen weer even eten.

Tot overmaat van ramp kwam ons park in april 1945 in de frontlinie te liggen. Vanuit de bietenkelder hoorden we de fluitende geluiden van granaten onze kant op komen. Doodsangsten stonden we uit. Een giraffe en een olifant werden het slachtoffer. Als ik aan die jaren terugdenk, overheerst een gevoel van verbijstering. Wat gebeurde er met ons, met de wereld? Een trauma heb ik er niet aan overgehouden; daarvoor ben ik een te blijmoedig mens.”

3 Geloof is een mooi sprookje

“Mijn ouders werden volledig door hun werk in beslag genomen. Daarom stuurden ze me op mijn elfde naar een internaat, het Canisius College in Nijmegen, een school van de orde der jezuïeten. Als goed katholiek jongetje was ik met het scheppingsverhaal opgevoed. Maar onze

biologieleraar, pater Van Nieuwenhoven, onderwees ons zonder voorbehoud over de evolutie. Met rode oortjes luisterde ik naar zijn verhalen over de ideeën van Darwin, die volgens hem niet in strijd waren met de bijbelse voorstelling van een scheppende God.

Toch zetten ze de bijl aan de wortel van mijn geloof. Want hoe had een almachtige, intelligente ontwerper zo’n wrede, onvolkomen wereld kunnen bedenken, vol lijden? Hoe had een oneindig goed opperwezen harteloos kunnen toekijken bij de Holocaust? De gekunstelde redeneringen van theologen voor deze theodicee vond en vind ik totaal ongeloofwaardig. Wat overigens niet wil zeggen dat ik een militante atheïst ben. Integendeel; ik zie de waarde van het geloof wel degelijk in. Maar dan als verzonnen wereldbeeld dat mensen troost biedt en verbindt. Met elkaar, met de natuur, met het leven. Dat is trouwens niet anders dan bij zingende gibbons of brulapen. Ook zij gaan op in rituele extase; een wezenlijk onderdeel van gezamenlijke overleving.”

4 Een kruiwagen duw je met één paar handen

“Gefascineerd door de dieren in ons park, was mijn studiekeuze niet moeilijk: biologie. Al snel werd ik besmet door het virus van de wetenschap. Eindeloos ploeteren en dan iets nieuws vinden, dat wilde ik ook. In navolging van mijn grote voorbeeld, Charles Darwin, besloot ik me te verdiepen in hoe signalen en uitdrukkingen van dieren – specifiek apen – in de loop van de tijd zijn geëvolueerd.

Je staat er misschien niet bij stil, maar emotionele expressie is onmisbaar in contact. Het is het ultieme sociale bindmiddel, bij mens én dier. Mijn kennishonger daarover bleek onverzadigbaar. Oorspronkelijk hadden we afgesproken dat mijn broer Antoon, die inmiddels de dagelijkse leiding van Burgers’ Zoo op zich had genomen, na mijn promotie de gelegenheid zou krijgen om zijn studie diergeneeskunde af te maken. Maar toen puntje bij paaltje kwam, wilde ik liever verbonden blijven aan de universiteit. Bovendien had hij het heel erg naar zijn zin in het park. Uiteindelijk konden we zo beiden de weg bewandelen die ons het beste paste, zonder elkaar in de weg te lopen.”

Beeld Merlijn Doomernik

5 Tegenpolen trekken elkaar aan

“Op een avond in 1958 logeerde ik bij mijn studiegenoot John in Breda, toen zijn zus Ans binnenkwam. Met haar arm in mitella – ze had ‹‹ op haar werk als huisartsassistente een ongelukje gehad – kon ze tijdens het eten moeilijk haar vlees snijden. Dus deed ik dat voor haar. Een symbolische daad; iedere bioloog kan je vertellen dat als een mannetje een vrouwtje voert, er iets moois aan het ontstaan is. Ik viel als een blok voor haar montere, opgewekte kordaatheid. Ans is praktischer dan ik en een echte doorzetter. In de meer dan vijftig jaren die we samen zijn, leidde dat bij mij wel eens tot gemakzucht: ik laat veel dingen graag aan haar over. Waar ik een knoop probeer te ontwarren, hakt zij hem door. Zelf loop ik soms vast in de aarzeling van doe ik het zus of doe ik het zo. Dan kan ik wel eens jaloers zijn op Ans haar daadkracht. Aan de andere kant koester ik mijn terughoudendheid ook. Het toelaten van twijfel is immers het wezen van de wetenschap.”

6 Maak vrienden met andere soortgenoten

“Mensen noemen me een aardige vent met een stevig pantser. Mijn gevoelens toon ik niet snel. Ik heb bijvoorbeeld niet gehuild toen mijn ouders of mijn broer overleden. Ik ben nu eenmaal een analist, een wetenschapper in hart en nieren; de wereld registreren en beschouwen is mijn vak. Dat betekent echter niet dat ik geen emoties heb. Zo ontroerde het afscheid van chimpansee Mama me wel degelijk. Mama was in 1971 in Burgers’ Zoo gekomen, toen mijn broer Antoon en ik een kolonie chimpansees begonnen. In de loop van de jaren ontstond er een band tussen ons.

Toen ik in april 2016 een telefoontje kreeg over haar naderende einde – ze was inmiddels 59 – zocht ik haar op. In haar nachtverblijf lag ze versuft op een strobed met wat oude dekens. Ik ging naast haar zitten en aaide haar. Ineens herkende ze me en gaf ze me een grote groetgrijns en trok me in een innige omhelzing naar zich toe. Een emotioneel moment. Maar de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik deze ontmoeting tegelijkertijd zo goed mogelijk op film wilde vastleggen. Want het is natuurlijk mateloos interessant dat emotionele uitingen van chimpansees bijna menselijk zijn.”

7 Dierenparken mogen nooit verloren gaan

“Opa Burgers noemde zijn zoo in 1913 met opzet geen dierentuin, maar een dierenpark. Hij vond namelijk dat je dieren moet houden in een omgeving die zoveel mogelijk lijkt op hun natuurlijke habitat. Ruim honderd jaar later heeft onze familie – inmiddels staat de vierde generatie aan het roer– dat motto nog altijd hoog in het vaandel. In het park van 45 hectare maken de bezoekers deel uit van de natuur, niet andersom. Ik krijg vaak de vraag of het in de 21ste eeuw nog wel kan, dieren in gevangenschap. Dan zeg ik dat dat niet alleen kan, maar zelfs móét.

Kijk naar het jongetje dat vol bewondering naar een giraf staart. Hij ervaart uit eerste hand hoe bijzonder de natuur is. Dat besef is hard nodig om het leven voor de komende generaties te kunnen blijven beschermen. Over de natuur leren van een tv-documentaire is een abstracte, ingeblikte werkelijkheid. Je moet de klamme warmte van het tropische regenwoud voelen, de uitwerpselen van de dieren ruiken. Dan pas worden ze echt.”

Beeld Merlijn Doomernik

8 De natuur past zich wel aan

“Over de toekomst van de aarde kan ik wel wakker liggen. Uiteindelijk zullen de natuur en de mensheid wel overleven; ons aanpassingsvermogen is weergaloos. Alleen ten koste van wat? Want dat ons veel ellende te wachten staat en we ontelbaar veel planten- en dierensoorten zullen verliezen, is wel zeker. Intens treurig dat wij mensen zelf onze grootste bedreiging vormen. Toch wint mijn nieuwsgierigheid naar de toekomst het van mijn weemoed daarover.

Ik zou dolgraag zien hoe de wereld er over vijfhonderd jaar uitziet – als er een onsterfelijkheidselixer bestond, nam ik dat direct. Ik stel me voor dat er dan loofbossen groeien op de polen en dat achter de zeekust bij Hannover de woestijn begint. In Chinees Amerika bezoek ik in 2519 een uniek reservaat, The Trump Reserve for Extinct Species. Daar leven alle inmiddels uitgestorven diersoorten, maar dan als levensechte robots, die zelfs zweten en stinken. Jammer dat ik dat straks allemaal moet missen.”

Trouw vraagt wekelijks een bekende of minder bekende Nederlander: welke levenslessen heeft u geleerd?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden